Wat voorbijgaat

In de auto denk ik zware gedachten. Daar kun je op wachten wanneer je een tijdje aan een graf hebt staan peinzen. En helemaal als dat graf van J.C. Bloem is, een van de grootste weemoedschrijvers van ons land. De dichtregel op zijn grafzerk in Paasloo getuigt van een diep gewortelde melancholie: ‘Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij.’
Ooit kreeg ik bloemen die op deze plek hadden gegroeid. Paars en gedroogd. Mijn leraar Nederlands op de middelbare school had ze geplukt. Op een dag stak hij ze tussen de pagina’s van mijn bundel met Bloems Verzamelde gedichten die steevast op de hoek van mijn tafel prijkte. Ik was zestien en maakte geen geheim van mijn liefde voor de Nederlandse poëzie. Integendeel, ijdel etaleerde ik die.
Met het gebaar verraadde die docent niet alleen dat hij net als Bloem de weemoed niet schuwde, maar ook dat het waar was wat er in de gangen werd gefluisterd: dat ik zijn favoriete leerling was. Iets dat ik hartgrondig ontkende, zelfs in mijn dagboek.
Het was wellicht een ander jaargetijde waarin die docent aan Bloems graf stond. Nu plukte ik er boterbloemen en madeliefjes.

Kalenberg, waar Bloem woonde totdat de dood hem op een zwaarbewolkte augustusdag in 1966 kwam halen, is niet ver van Paasloo. Je komt er over smalle wegen door weilanden waar boeren juist bezig zijn hun graan van het land te halen. Onderweg denk ik aan voorbije tijden: aan mijn middelbare schooltijd, aan die docent – die stiekem natuurlijk ook mijn favoriete leraar was – en aan de vrienden en klasgenoten die in de loop der jaren geruisloos uit mijn leven verdwenen. Zware zinnen rollen mijn gedachten binnen:

De jaren gaan zoals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tussen dove erinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.

In Kalenberg is het leven op deze zomermiddag een heel stuk lichter dan in de poëzie van Bloem, waarin de herfst altijd in aantocht lijkt. Op de trekvaart, waar vroeger turf vervoerd werd op platte schepen, glijden plezierjachten. Er is zelfs een schip dat Carpe Diem heet.
De brugwachter vermoedt dat het huis voorbij de bocht is. De Wijze Uil, de woonboot waarmee Clara Eggink door Friesland en Overijssel voer op zoek naar een plek om voor langere tijd aan te leggen, is er volgens hem niet meer, maar het boerderijtje waarin haar toenmalige ex-echtgenoot bij haar introk nog wel.
Het komt me haast onwaarschijnlijk voor dat Bloem op deze plek weemoedig kon blijven. Het leven is hier licht als een vlieger op een stranddag. Jongens springen stoere salto’s vanaf brugrelingen en meisjes die op de kant naar hen lonken, slaken quasiverontwaardigde gilletjes wanneer ze worden nat gespat. De lucht zindert van de verwachtingen en de beloftes die vannacht op camping De Turftente in bedauwde tentjes zullen worden ingelost.

Aan het eind van het dorp, waar de weg doodloopt, gaat de beschaving over in de wildernis van de Weerribben. Een rietsnijder bindt riet tot bossen die hij op een bootje laadt.
Ik zoek naar een aanwijzing. De boerderij zou wit zijn met kleine ramen, maar zo zien alle huizen er hier uit.
Ik sta een tijdje aan het water van de trekvaart. Het kabbelt met kleine klapjes tegen de kade. Uit het riet klinkt een diep zoemen, alsof iemand op een bierflesje blaast.
‘Roerdomp.’ Met twee vingers schiet de rietsnijder zijn peuk in het water. Zijn wangen zijn even stoppelig als zijn bossen riet. ‘Geheimzinnig vogeltje. Je hoort hem wel, maar ziet hem niet.’ Hij zucht. ‘Net als de vrouw. Je ziet haar nooit, maar als ze om geld verlegen zit, hoor je haar op hoge toon haar alimentatie opeisen.’
Hij weet welk huis het is. Hij is een van de weinigen met die kennis, want het is voornamelijk ‘import uit de Randstad’ die Kalenberg bewoont. Artsen vooral, die de prijs opdrijven. Al zijn vrienden zijn door die hoge prijzen uit het dorp vertrokken.
Op de kreek stapt een jong gezin met oranje reddingsvesten van boord van een fluisterboot.
‘Toeristen,’ bromt de rietsnijder. ‘Vertrappen mijn riet. Er blijft steeds minder over, ook door de verzuring. Kalenberger riet is de sterkste soort die er bestaat.’
Ik beloof hem dat ik nooit ander riet op mijn dak zal leggen dan Kalenberger.
De familie verdwijnt in een glanzende Renault Espace.
‘Stadsmensen,’ mompelt hij. ‘Worden allemaal ziek van airco in auto’s en winkels. Ik ben nooit ziek, oersterk. Komt door mijn werk, ben altijd buiten.’ Hij bevoelt de bovenarm die uit zijn mouwloze shirt steekt. Die is gebruind en inderdaad behoorlijk gespierd. Alleen zijn ogen verraden dat hij niet ver verwijderd is van de pensioengerechtigde leeftijd. Hij ziet dat ik kijk. ‘Europees kampioen touwtrekken geweest,’ zegt hij trots en hij rolt nog eens met zijn spieren. ‘Je moet bezig blijven.’ Zijn blik glijdt van zijn eigen lichaam naar het mijne. ‘Aan jou kun je ook wel zien dat je gezond bent.’ Hij likt zijn lippen.
Het is tijd om te zien of ik een glimp kan opvangen van Bloems werkkamer.

Ik open het hek naar de achterkant van de boerderij en loop langs de raampjes van de oude deel waar Bloems bibliotheek zich bevond. Hier schreef hij gedichten en brieven. Ik herinner me ineens dat Clara Eggink hem een ‘cradle snatcher’ noemde. Zij was negentien toen ze met de twintig jaar oudere Bloem trouwde, maar bij zijn vrienden stond hij bekend als liefhebber van nóg jongere meisjes. In een brief aan zijn vriend Arthur van Schendel schreef Bloem over zijn verliefdheid op een meisje van een jaar of elf, twaalf: ‘Men schijnt zooiets in ’t algemeen pervers te vinden; zou het een oratio pro domo zijn als ik zeg, dat ik dit niet zoo vind? Er is iets in dit rijpende van een kind, dat nog in ’t geheel geen vrouw is, en waaromheen toch al zoo iets vaag-vrouwelijks, iets wordend en groeiend is, wat mij bovenal aantrekt.’
En later schrijft hij over een ‘ontzettend gevoel van adoratie’ dat hij voelt voor jonge meisjes in het algemeen: ‘Ik kan het niet goed uitdrukken, het is een zeer verheven gevoel, misschien vind je dit een gek woord, maar ik weet geen beter. Ik word er bepaald door ontroerd.’

Van Bloems werkkamer krijg ik verder niets te zien. Er is niemand thuis. In de tuin zingt een kat een krolse ballade.
Wanneer ik weer bij het water aankom, kleurt de lucht roze. De rietsnijder verdeelt plukken shag over een vloeitje. Hij wijst me de plek waar zijn broertje op zijn zesde verdronk. ‘Daar bij die kleine inham ging hij op zijn fietsje het water in. Ik heb hem opgedoken, maar hij was al dood.’ Hij had de hele dienst naast de kleine kist gezeten. Zo had hij het verwerkt. Zijn ogen glanzen wanneer hij aan zijn shagje likt.
Ik maak me uit de voeten, want ik weet me nooit goed raad met huilende mannen.

De auto is opnieuw geen schild tegen de weemoed. De lucht die rood kleurt, de wandelaars op het pad aan de overkant van het water, oplossend in de schemering… met dit uitzicht schreef Bloem strofen over verlangen en vergankelijkheid:

De gloeiende avond in de kleine stad:
Verlichte ramen stonden ruisend open
Naar zomertuinen en het langzaam lopen
Van de geliefden langs het grijze pad.

Als dit geheime ooit wéér te leven was:
Hoe dat het zachte licht van een lantaren
Scheen op de donkere, gedempte blaren,
Wist het hart, dat het van den dood genas.

Ik start de auto.
Aan de waterkant trekt de rietsnijder aan zijn shagje. Hij kijkt naar het spiegelende water dat traag voorbij trekt en denkt aan zijn broertje, de vrouw die hem verliet en aan het riet dat langzaam verzuurt. Hij weet dat alles voorbij gaat. Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij.

foto 2-10 - versie geel

De eerste dichtregels komen uit het gedicht ‘November’, de twee strofen aan het eind zijn afkomstig uit ‘Herinnering’, beide opgenomen in de bundel Verzamelde Gedichten (Athenaeum-Polak & Van Gennep, 1994).


Dorien Dijkhuis (1978) is schrijver en journalist. Ze schrijft poëzie, proza en reisverhalen. Voor de rubriek ‘Literaire Bestemmingen’ doet ze wat ze het liefst doet: schrijvend reizen en reizend schrijven. Zie ook www.doriendijkhuis.nl.

De header-illustratie is gemaakt door Jente Hoogeveen.