Voordat we ontploffen

Alsof je halsoverkop de auto wordt ingejaagd met drie vreemden, die in een opwelling besloten op vakantie te gaan. Tijd om hen te leren kennen is er niet, en waar de reis naartoe leidt is ook onduidelijk.

In We komen nog een wonder tekort, het debuut van Rebekka de Wit, reis je mee met een vertelster die net haar moeder is verloren. Bepakt met Twister en een opblaaskrokodil, maar zonder schoenen of tentstokken, belandt de hoofdpersoon uiteindelijk met haar vader, broer en zus in een vallei die volgens de folder op de Grand Canyon had moeten lijken. Het is een bijzonder gezelschap, dat opnieuw moet leren de toekomst tegemoet te zien.

Iemand achterlaten is niet niks, en hoe ga je verder wanneer je eigenlijk wil ophouden te bestaan? Rebekka de Wit gaat thema’s als verlies en rouw op een eigenzinnige manier te lijf, en maakt je deelgenoot van een klein maar tegelijkertijd onbeschrijflijk groot leed door je mee te slepen in een kluwen hilarische anekdotes, ontroerende overpeinzingen en flashbacks.

We komen nog één wonder tekort laat zich lezen als een stream of consciousness, en lijkt in die zin meer op een gedachtenexperiment dan een voltooide roman. Daarbij laat De Wit zich weinig gelegen liggen aan een logisch tijdsverloop – ’s ochtends vroeg opstaan om naar de snackbar te gaan, terwijl het bij terugkomst al weer donker wordt – en springt ze moeiteloos van heden naar verleden, maar dat hindert niet. Het zijn de treffende waarheden, terloops in de vele zijpaden aan het licht gebracht, die je lezende houden. Ideeën die ongetwijfeld iedereen wel eens overvallen, maar die zelden zo opmerkelijk geformuleerd worden.

Over het advies om ‘het een plekje te geven’, een psychologenwijsheid, constateert de vertelster bijvoorbeeld: ‘De psycholoog is misschien nooit iets kwijtgeraakt. Dan zou hij weten dat je de dingen die je kwijtraakt geen plek kunt geven.’ Of over medeleven, dat er niet zozeer toe dient om een ander te steunen, als wel om je eigen schuldgevoel te verlichten: ‘Ik heb mensen al vaak horen zeggen “geef je verdriet maar aan mij” en elke keer vond ik dat zo treurig. Die mensen kregen gratis een gouden randje en leken op een goed iemand, terwijl ze voor die uitspraak helemaal geen verdriet hoeven te verwerken. Het lijkt zelfs alsof ze opgekikkerd zijn als ze het gezegd hebben.’

Het talent om zonder te veel sentiment bij grote thema’s stil te staan is niet iedereen gegeven, maar We komen nog een wonder tekort blijft bijzonder licht. Toch lijkt De Wit echte verdieping niet aan te durven, en wisselt ze dergelijke scènes in rap tempo af met absurditeiten. Wat dat betreft lijkt de schrijfster zoekende: ‘Mijn zus heeft dure gezichtsverzorging, die ook uitgestald staat. Ik had een crème voor haar gekocht die gemaakt was van de placenta van een geit. Het was een heel dure crème, maar ik dacht dat we niet lang meer zouden leven, dat we binnenkort wel zouden ontploffen, dus dan kun je er maar beter uitzien als een engeltje, gezalfd met een crème van geitenplacenta.’

Een toevoeging als deze doet je grinniken, maar mist relevantie. De geitenplacenta verdringt de vraag waarover je eigenlijk meer wil weten: waarom voelde het alsof jullie leven ophield te bestaan, nadat je moeder ophield te bestaan? Humor is een troef in We komen nog een wonder tekort, maar wordt nèt te vaak ingezet. Het prozadebuut van de theatermaakster is bij vlagen hilarisch (denk aan een gesmolten dropkleiwerk op de achterbank – ‘Fok drop aan mijn kleren’), maar toch voelt de formule ‘komische anekdote na een serieuzere beschouwing’ al snel als een trucje.

Na een aantal hoofdstukken ga je je daarom afvragen welke kant het verhaal op gaat. Het gezin houdt met al zijn eigenaardigheden absoluut de aandacht vast, maar door een gebrek aan karakterontwikkeling komen de personages niet echt tot leven, en lukt het je als lezer uiteindelijk niet om volledig met hen mee te voelen – ondanks de tragiek die hen bindt.

Uiteindelijk lijken ze oWekomennogeenwondertekortp elkaar aangewezen; of ze een keuze hebben in de aaneenschakeling aan onzinnigheden die hun leven nu lijkt, blijft in het midden. Ze zijn als zonnebloemen, besluit de vertelster ten slotte, ‘we groeien naar waar we het meeste licht opvangen, en zo kunnen we ook uit elkaar groeien.’ Het is niet helemaal de conclusie of ontlading waar je hoopvol naartoe leest, en uiteraard wordt haar slotakkoord ruw onderbroken door haar zus (‘Godverdomme’), die met haar blote voet in de poep is gaan staan.

Rebekka de Wit – We komen nog één wonder tekort
Paperback, 176 blz., € 17,99
Uitgeverij Atlas Contact, ISBN 9789025444952


Elske Jacobs woont en werkt in Nijmegen, waar ze Algemene Cultuurwetenschappen en Europese Letterkunde heeft gestudeerd. Ze is gek op kunst en boeken, maar ook op strips en animatiefilms, en wil schrijven over alles wat ze mooi vindt. Lees meer artikelen van haar hand.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s