Strand

 ’Dat is mijn schep.’
 Yoeri draaide zich om en tuurde tegen het zonlicht in. Het lichaam van de jongen viel als een schaduw over het zandkasteel heen.
 ’Nou?’ zei de jongen.
 ’Nou wat?’ vroeg Yoeri, terwijl hij zijn hand boven zijn ogen hield.
 ’De schep,’ zei de jongen.
 Yoeri keek naar de plastic schep die klaar lag om de laatste slotgracht uit te graven. Het kasteel was bijna klaar. Met grote precisie had Yoeri het voorzien van allerlei schelpen. Scheermessen, kokkeltjes en oesters versierden de wanden. Alleen de laatste grote gracht moest nog worden gegraven, die van het kasteel naar de zee. Dat kon ook wel met de hand, dacht Yoeri. Hij pakte de schep en hield hem omhoog. De jongen stak zijn hand in het hengsel en draaide de schep boven Yoeri’s hoofd een aantal keer rond.
 ’Je mag ‘m wel, maar dan mag ik meedoen,’ zei hij en liet de schep op één vinger nog iets harder draaien.
 ’Ik ben bijna klaar,’ zei Yoeri, terwijl hij opzij schoof. Zijn mond voelde droog.
 ’Dat geeft niet,’ zei de jongen. ‘Ik maak altijd zandkastelen hier. Ook hele grote. Die van jou is een beetje klein. De grachten kunnen dieper. En in het midden nog een toren of zo.’ Hij liet zich naast Yoeri op zijn knieën vallen. Een van de grachten stortte een beetje in.
 ’Ik heet Bas,’ zei de jongen.
 ’Yoeri,’ zei Yoeri. Met zijn handen duwde hij de gracht terug in model. Met een schuin oog keek hij naar zijn vader, die een paar meter verder ongestoord een tijdschrift aan het lezen was.
 ’Yoeri de poeri,’ zei Bas. ‘Is dat je vader?’
 ’Ja,’ zei Yoeri.
 ’Waar is je moeder?’
 ’Mijn ouders zijn gescheiden.’
 ’Oh,’ zei Bas. Met zijn schep peurde hij in een van de scheermesjes. ‘Mijn ouders zijn nog bij elkaar.’
 Yoeri zweeg en begon met zijn handen te graven aan de laatste waterweg richting zee.
 ’Ben je hier ook op de camping?’ vroeg Bas.
 ’Nee,’ zei Yoeri.
 ’Ik wel,’ zei Bas. ‘Wij komen hier heel vaak. We hebben een stacaravan, met een trampoline. Een hele grote, ik denk wel de grootste van de camping. Ik kan er salto’s op maken.’ Het scheermesje viel van het kasteel af. Bas nam de schelp in zijn hand, stond op, gooide hem op de grond en zette er zijn hak op. Het scheermesje krakte in tweeën. ‘Mijn ouders zijn nu samen een ijsje halen. Maar ik kan best even alleen blijven. Dat vind ik niet erg.’
 Bas zweeg even. ‘Poeri, check dat!’ Een vrouw liep langs hen naar het water, haar borsten deinden mee. Yoeri staarde naar de grote bruine tepels. Bas gniffelde totdat ze voorbij was. Aan de horizon zag Yoeri de zee heen en weer gaan. Nog even en de geul zou het water raken, het magische moment waarop de zee de grachten van zijn kasteel zou gaan vullen. Achter Yoeri om maakte Bas een sprintje, plaatste zijn schep voor Yoeri in het zand en begon te graven.
 ’Nee,’ zei Yoeri.
 ’Hoezo niet?’ zei Bas. ‘Zo gaat het veel sneller.’ Met vier grote scheppen was Bas bij het water. De zee kwam snel en vloeide half in en over de randen van de ondiepe geul die Bas in het zand gehakt had.
 ’Ja, daar gaat ie!’ riep Bas. Yoeri sprong op en hield zijn adem in. Een kleine golf bereikte nog net de kasteelgrachten. Het dunne laagje water werd binnen enkele seconden door het zand opgenomen.
 ’Pfff, niks aan,’ zei Bas. Yoeri voelde zijn spieren spannen. Hij staarde kort naar Bas, zakte toen weer op zijn knieën en ging verder met graven.
 ’Hé Poeri, wat ga je nou verder graven,’ zei Bas. Yoeri zweeg. De zee kwam weer. Te snel. De geul was nog niet diep genoeg. Het water golfde over zijn handen heen. De wanden zakten een klein beetje in. De geul werd te nat.
 ’Hé Poeri, kijk!’ riep Bas.
 Yoeri stond op, klopte het zand van zijn knieën en keek. In de branding stond Bas met een kwal. Hij had hem omgekeerd in de palm van zijn hand genomen en liet hem een beetje wiebelen.
 ’Kwallie, kwallie,’ zei Bas, en hield de kwal dicht bij zijn mond alsof hij hem een kus wilde geven. ‘Kwallie wil kusje van Poeri, of niet? Ja, kwallie, ja hè?’ en binnen een paar passen was hij bij Yoeri.
 ’Rot op, joh’ zei Yoeri zacht. Hij keerde zich om en hield zijn armen voor zijn gezicht. Er gebeurde niets. Yoeri keek door het schild van zijn armen naar Bas, die met een grote worp de kwal de zee in lanceerde. Yoeri staarde de kwal na. Voor het eerst die middag voelde hij de wind. Zijn zwembroek was nat en koud. Hij verlangde er opeens naar om afgedroogd te worden. Stevig, in een grote witte handdoek. De handen van zijn vader, of zijn moeder, wrijvend over zijn rug.
 ’Ik kan heel lang onder water blijven,’ kletste Bas verder. ‘Wel vijf minuten. Als het niet meer is. Zal ik het nu doen? Ik kan het doen, hoor.’ En hij stapte de zee in.
 ’Oké,’ zei Yoeri. Hij keek over zijn schouder naar zijn vader die nog steeds zat te lezen.
 ’Jij moet de tijd bijhouden,’ zei Bas. Kleine golven gleden langs zijn bleke benen.
 ’Ik heb geen horloge,’ zei Yoeri.
 ’Dan moet je tellen. Ja?’ Bas was al tot zijn middel in het water. Hij had zijn armen om zich heen geslagen. Zo midden in het water zag hij er opeens kleiner uit. Slierten nat, rossig haar lagen over zijn voorhoofd.
 ’Ja,’ riep Yoeri. Hij stak zijn duim omhoog. Bas stak ook zijn duim omhoog, kneep zijn neus dicht en verdween onder water. Heel even was het stil. Yoeri tuurde over het water, draaide zich daarna om en begon te lopen. In de verte zat zijn vader. Hij keek op uit zijn tijdschrift en zwaaide naar Yoeri.
 Op het rulle zand werden zijn stappen zwaarder. Heel even keek Yoeri om. De zee strekte zich uit, zoals ze dat de hele middag had gedaan terwijl Yoeri zijn kasteel had gemaakt. Er waren geen schepen, er zwommen geen mensen. Het leek een eeuwigheid geleden dat hij Bas had zien verdwijnen onder het water. Yoeri kreeg het warm. De warmte steeg naar zijn hoofd en hij begon te zweten. Zijn vader zwaaide nog steeds. Yoeri stopte en veegde zijn zweethanden af aan zijn zwembroek. Plotseling rende hij terug en haastte zich de zee in. Hij holde heen en weer, golven klotsten langs zijn middel. Een ijzeren smaak doordrong zijn mond. Met een hand kneep hij zijn neus dicht, net als Bas, en keek of er onder water nog iets te zien was. Maar het was veel te troebel, het zout prikte in zijn ogen. Water kwam in zijn mond en proestend moest hij naar zuurstof happen.
 ’Hé Poeri, wat doe je?’ Met een knalrode en voldane kop stond Bas enkele meters verder in zee met zijn handen in zijn zij.
 ’Ik… ik wist niet meer of… ik dacht..’ rochelde Yoeri.
 ’Wattes?’ riep Bas.
 ’Niets,’ hijgde Yoeri.
 ’En? Hoeveel was het?’ vroeg Bas.
 ’Ik… ik weet het niet. Ik ben de tel kwijtgeraakt, denk ik,’ zei Yoeri.
 ’Poeri, jemig, aan jou heb ik ook geen moeri,’ riep Bas. Hij schaterde, gooide zijn armen in de lucht, liet zich achterover in de zee vallen en zwom op zijn rug terug naar het strand.


Marije Hage (1982) is een schrijftalent in ontwikkeling. In haar werk en leven zoekt ze naar kwetsbaarheid en echtheid. Ze studeerde psychologie en theologie en werkt momenteel als dominee.

Maureen Schoonheyt (1991) is student Human Technology, dat erom gaat design gebruiksvriendelijk te ontwerpen. Maar ze vindt het vooral heel leuk om te tekenen, schilderen en te creëren. Haar tekeningen zijn losjes en intuïtief. Op het moment laat ze zich inspireren door Indonesië, waar ze sinds mei dit jaar echt verliefd op is geworden.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s