Lees de stad

Het had net zo goed Turks of Chinees kunnen zijn; lezen kon ik de Hongaarse literaire teksten die ik elke dag voorbijliep niet. Sommige fragmenten zijn in statige gouden letters op plakkaten aan de Habsburgse gevels bevestigd, andere in krullerig grijs gespoten op het beton van één van de vijf bruggen die de twee stadsdelen met elkaar verbinden. Boedapest is, net als iedere stad, als een canvas voor zowel de gevestigde dichter als amateuristische kladderaar, en wordt net zo goed gelezen als een boek.

Alleen met hulp van een bevriende Hongaar kon ik de versregels van dichter des vaderlands Atilla Jószef naast het parlement in Boedapest begrijpen, en de hanenpoten aan de voet van de Petöfi-brug ontcijferen. De tekstuele fragmenten krijgen een andere betekenis wanneer we dingen meemaken in de stad, maar geven ook betekenis aan een omgeving waarmee we geen persoonlijke band hebben. Het brengt inwoners bij elkaar en laat de vreemde bezoeker in het ongewisse.

Eenmaal terug in mijn eigen stad Nijmegen, de oudste stad van Nederland, begon ik me af te vragen wat hier eigenlijk op de muren staat. Hoe verschillen die teksten van teksten die worden gedrukt in boeken of voorgedragen in cafés en hoe komt het dat ze ons soms niet eens opvallen, zelfs (of juist) niet als we er elke dag langs lopen? Hoe genereren de teksten op muren betekenis en wat voor invloed hebben ze op de voorbijganger?

Kunst is ‘publiek’ als ze in de openbare ruimte staat, maar het begrip biedt verder weinig houvast. In het artikel ‘Temporality and Public Art’ (Art Journal, vol. 4, winter 1989) schrijft Patricia C. Philips dat het woord ‘publiek’ op twee manieren kan worden uitgelegd. Het kan staan voor een brede toegankelijkheid enerzijds, of voor de potentie van het onderwerp om veel mensen aan te spreken anderzijds. In het eerste geval ligt de nadruk op de toeschouwer die makkelijk met het werk in aanraking komt (je hoeft geen toegangsprijs te betalen en loopt er bijvoorbeeld langs op weg naar je werk), terwijl de tweede interpretatie een politieke en sociale kant heeft (er wordt bijvoorbeeld een verwijzing gemaakt naar een belangrijke historische gebeurtenis of het kunstwerk speelt in op een hedendaagse discussie). Je kunt de dynamiek van het leven terugzien in het veranderen van kunst buiten de private ruimte, die vaak gerelateerd is aan het publieke debat en hedendaagse thema’s.

Mel A. Topf voegt daaraan in het artikel ’Hannah Arendt: Literature and the Public Realm’ (College English, vol. 40, Dec 1978) toe dat publieke literatuur dus eigenlijk meer teruggaat naar de oorsprong van de literatuur, die van oudsher een oraal karakter heeft en werd gebruikt om informatie door te geven. Tegenwoordig wordt literatuur meer beschouwd als individuele hobby dan als communicatiemiddel; zowel lezen als schrijven worden geacht een eenzame bezigheid te zijn waar contemplatie en innerlijke reflectie aan te pas komen.

Ik woon nu al een jaar of drie naast de Snelbinder, een brug over de Waal die in verscheidene werken van schrijvers en poëten wordt bezongen. Wanneer ik de rivier oversteek naar het noorden van de stad, om hard te lopen of om vrienden op te zoeken, kom ik langs een gedicht dat ik inmiddels uit mijn hoofd ken, maar dat ik nog altijd graag lees. De korte tekst die in witte letters op een flatgebouw naast de brug is aangebracht, luidt:

Als de Waal
Uit het zicht is
Stroomt
De verbeelding

Eén zin, opgedeeld in vieren, tien woorden. Geen enkele regel is even lang als een andere en van de combinatie van woorden gaat een poëtische werking uit. Mag de in stukken gehakte zin tellen als een gedicht? Moet de tekst dan niet in een boek gedrukt staan of op een stoffige zolderkamer in Amsterdam-Noord voor elf mensen worden voorgedragen? Met andere woorden: past deze tekst binnen onze definitie van literatuur?

Als we het gedicht op de muur van de Nijmeegse brug als literatuur beschouwen, zou dat betekenen dat in plaats van een boek of stem de stad nu de drager van de boodschap wordt. Literatuur die de stad als medium gebruikt, wordt pas sinds de jaren ’60 van de vorige eeuw als kunstvorm gezien. Zoals Philips (1989) al betoogt, is de tekst een manier om te communiceren tussen schrijver en de bewoners van de stad, maar vormt de tekst ook een referentie voor elk individu dat zich in deze stad bevindt.

Het gedicht aan de Waalbrug heeft een sentimentele bijklank. Het wekt de indruk dat de rivier de Waal van belang is, één van de symbolen van Nijmegen. Opvallend bovendien vind ik het woord ‘stroomt’ dat als enige een regel voor zichzelf heeft en daardoor veel nadruk krijgt. Niet alleen de Waal zelf bestaat uit stromend water, ook in ‘ons’ Nijmegenaren zal het water van de oude rivier blijven stromen. Het impliceert bovendien dat een Nijmegenaar graag in Nijmegen is en haar in elk geval nooit zal vergeten; Nijmegen wacht altijd, aan de andere kant van die rivier.

Volgens mij is de werking van het gedicht sterker dan wanneer het op papier zou zijn gedrukt doordat het is geplaatst aan de rand van het centrum, aan de Waal. Met de stad als decor wordt zowel de historische als hedendaagse waarde van de stad letterlijk het frame voor het gedicht; de stad is een bladspiegel met reliëf, de lezer wordt met het gedicht de stad binnengeleid. Voor de één betekent het thuiskomen, voor de ander een uitnodiging om de geheimen van ‘ons Nijmegen’ te ontdekken. De brug is het decor van de Vierdaagsefeesten, wandelingen door buitengebied Lent, maar ook van de momenten dat je met tegenwind, paraplu en regenjas aan de overkant probeert te geraken. Wanneer we onder de poort door naar het centrum gaan, verdwijnt de tekst letterlijk uit ons zicht en stappen we de belofte van het gedicht binnen.

De functie van literatuur is door de eeuwen heen verschoven van een publiek communicatiemiddel naar een uiting van individuele contemplatie en reflectie, maar de laatste decennia is er ook een tegenbeweging te ontdekken. In publieke literatuur kan een middel worden gevonden om het publieke en het persoonlijke met elkaar te verenigen. Doordat de schrijver een persoonlijke boodschap formuleert en deze tentoonstelt in een ruimte waar iedereen ernaar kan kijken en mee aan de haal kan gaan, wordt de boodschap zelf op vele manieren geïnterpreteerd en daardoor verdreven van het persoonlijke. Door de gevels van gebouwen als medium onderdeel van het kunstwerk te maken, kunnen de stad en de tekst elkaar betekenis geven. Een gedicht boven de poort tussen Waal en centrum, net voor we Nijmegen bereiken, draagt bij aan het persoonlijke sentiment dat we aan de stad toekennen. Tegelijkertijd beïnvloedt de stad als decor de lezing van het gedicht voor de toeschouwer. De tekst verandert door de gevels, maar de tekst verveelvoudigt de betekenis van de gevels evenzeer.


Laurie de Zwart (1992) is afgestudeerd Cultuurwetenschapper en geïnteresseerd in de dynamiek van de creatieve industrie. Ze leest boeken, tijdschriften, muren en verkeersborden. Ook kijken, luisteren en voelen behoren tot haar bezigheden en ze deelt deze ervaringen graag met anderen.

Beeld: Nikkie Jessen

2 gedachtes over “Lees de stad

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s