HeaderAchterkantvdZon

De achterkant van de zon

In de aanloop naar Geen Daden Maar Woorden Festival publiceren we teksten van & over de optredende artiesten. Vandaag: het eerste hoofdstuk van De achterkant van de zon, de nieuwe roman van Maurits de Bruijn die in januari verschijnt.

1995

Ik hoor getril en gehuil. Het dashboardkastje klappert bij elke heuvel. De auto botst meer dan anders tegen het zand op. Ik heb mijn moeder nog nooit zo zenuwachtig gezien, door de achterruit kijkt ze de duisternis in, op zoek naar wat, eigenlijk? Ze zit op de achterbank, naast Ikram. Ik zit waar ze hoort te zitten, naast papa. De baby ligt in de schuddende schoot van mama, en mama krijgt haar niet stil. Ze huilt anders, scheller dan kinderen uit de buurt en zeurderiger dan Ikram.
Het is niet makkelijk om ’s nachts door de woestijn te rijden. De auto is onze zaklamp, wij zijn de bange mensen die erachteraan komen. De linkerkoplamp is stuk, de andere schijnt over het zwarte zand. Het schijnsel komt niet ver, het donker is te sterk. Als ik jonger was geweest, zou ik hebben gezegd dat de auto knipoogt.

De baby hoort nu bij ons, ik weet niet waarom. Ik draai me om en aai over het blonde, dunne haar. Ze komt uit Amerika en ze heet Mariah Carey. Ik heb weleens gehoord dat Amerika naar mango’s ruikt. Een zoete, stroperige geur. Je loopt over straat in New York en baadt in de mango’s. Er zijn veel andere mensen maar zo voelt het niet. Je hebt daar geen last van, het is waar je wil zijn.
Later wil ze vast schommelen en dan zal ik haar duwen. Zachtjes, niet te hard. Ze zal een beetje bang zijn, ik zal haar zeggen haar benen vooruit te steken, zoals ik het van mijn vader heb geleerd.
Mijn vader houdt zijn blik vlak boven het stuur. Ik kan hem ruiken. Het T-shirt dat hij tijdens het weekend draagt, plakt tegen zijn rug. Ik grijp de veiligheidsgordel vast en druk mijn neus op het stukje waar ik altijd ruik. Bovenin, waar de hals van de bijrijder de stof raakt, zoek ik het poederige parfum van mijn moeder. Als de geur een kleur had, zou die lichtgroen zijn, een geur die hoort bij de tijd waarin papa en mama net getrouwd waren, ik hun enige kind was, en nachtelijke ritten door de woestijn het begin van een vakantie betekenden.
Papa rekent. Zachtjes vallen de nummertjes uit zijn mond. Ook aan tafel praat hij in zichzelf. Als ik goed luister, hoor ik getallen. Eenentwintig. Veertig. Honderd en tien. Hij denkt dat niemand het hoort.

‘Soufjan. Wakker worden. Nu niet in slaap vallen.’ Ikram is naar voren geschoven en fluistert in mijn oor, ze slaat kleine druppeltjes spuug in mijn nek. ‘De baby geeft licht, geel licht. Straks komen er muggen. Ze zullen haar zien. Dat ziet iedereen, toch? Ik moet haar vasthouden, niet mama. Mijn donkere haren kunnen het licht wel tegenhouden.’
Mijn zusje schiet naar achteren en laat zich tegen de rug van de achterbank vallen. ‘Mam, ik wil haar,’ zegt ze.
Mama schudt haar hoofd terwijl ze onafgebroken naar Mariah Carey kijkt. Het lijkt of ze haar wil houden, maar ik denk niet dat dat kan. Of ze is boos, zoals ze dat zo vaak is.
‘Stop haar dan in het dashboardkastje. Laat Soufjan het kastje dichthouden.’
Niemand luistert, sinds we zijn ingestapt heeft niemand iets gezegd. Iedereen heeft gitzwarte ogen en samengeknepen lippen. Behalve de baby. De baby heeft blauwe ogen en schreeuwt. En Ikram schreeuwt altijd.
‘Stop haar nou in het dashboardkastje!’
Mijn zusje moet stil zijn, ze draait haar gezicht naar het raam. Mama opent haar blouse en haalt er een borst uit. Ze stopt de tiet in het gezicht van de lichtgevende baby. ‘We zijn allemaal dieren,’ zegt papa vaak. ‘Zeker hier, in de natuur.’

Vanochtend heb ik voor het eerst koffiegedronken voor de ogen van papa. Die ogen keken trots toen ik mijn eerste slok nam. Hij had muziek opgezet, oude muziek. Het werd er ceremonieel van, het voelde als een inwijding. In wat precies, wist ik niet. Misschien wilde hij me voorbereiden op deze nacht. Dacht hij: met die koffie op blijf jij wel wakker.
Het smaakte naar pure chocolade en sigaretten.

Papa stoot zijn neus. Ik vraag me af waarom hij zo gebukt zit, ik wil me naar hem toe buigen en zeggen dat de woestijn groot genoeg is. Dat we het tegenovergestelde kunnen doen van bukken. De rechterhand van mijn vader is op zoek naar sigaretten. Hij opent het dashboardkastje, hij voelt rond de versnellingspook. Tussen de twee stoelen ligt het pakje.
‘Stop haar in het dashboardkastje! Stop haar er dan in!’
‘Ikram, even niet! Papa moet op de weg letten.’
‘Maar zo zien ze haar. Zien jullie dan niet dat ze licht geeft?’
Papa drukt op het zwarte sigarettenknopje. Vorige winter had ik Ikram er een keer mee gebrand. Mama was uit de auto gestapt om boodschappen te doen. ‘Ik ben zo terug, het duurt maar even.’
Ik mocht voorin zitten, net als nu, en had op het knopje gedrukt. Toen het omhoogkwam nam ik het in mijn handen. Het uiteinde was feloranje geworden. ‘Hier!’ zei ik. ‘Je moet het eens aanraken.’
‘Echt niet, dat doet pijn.’
‘Doe nou, het is leuk.’
‘Souf, hou op.’
‘Iek, één keertje maar. De jongens uit mijn klas doen het ook.’
Ze stak haar wijsvinger uit en raakte het langzaam dovende rondje aan. Ikram zou nooit onderdoen voor een jongen, ook niet voor jongens die jaren ouder zijn.
‘Au!’
Ik lachte. Het puntje van haar vinger leek te gloeien. Ik vroeg me af of je je vingerafdruk eraf kon branden. Ikram pakte het gloeiende ding van me af en drukte het op haar middelvinger. Zo lang mogelijk. Haar zwarte ogen keken me recht aan, haar lippen kneep ze samen. Net boven haar lippen zag ik voor het eerst kleine haartjes. Ik greep Ikrams hand.
‘Ben je gek geworden?’ Mama opende de deur van de Lada. Het duurde inderdaad maar even.

Papa drukt het ding op zijn verfrommelde sigaret, hij duwt te hard. Hij trekt met snelle teugen aan het gekleurde uiteinde, zijn hoofd nog steeds vlak boven het stuur. Dan kijkt hij opzij, gilt mama kort, en zie ik de auto naast ons.
Als een gevaarlijk dier heeft een stoffige BMW ons beslopen. Zonder dat het te veel opvalt, kijk ik naar binnen. Voorin zitten een man en een vrouw. Ik denk de muziek die in de auto speelt te kunnen horen en druk mijn oor tegen het raam. Het klinkt als huwelijksmuziek. De grote arm van de man schudt, de vrouw heeft grijs haar met een paarse gloed. Het wilde dier, de tijger, nee de panter, haalt ons niet in.

Een klap. Iedereen valt voorover. Ik stoot mijn hoofd tegen het dashboardkastje. De baby vliegt van mama’s schoot en komt tussen haar voeten terecht. Het gezicht van Ikram hangt vlak boven dat van de baby. Papa vloekt. Ik zie de man in de BMW heftig gebaren.
Het moet een dier zijn. Een grote hond. Een woestijnhond. Maar ik hoor geen gejank. Ineens schieten de vingers van papa naar mijn voorhoofd. ‘Je bloedt.’ Dan gaan zijn vingertoppen naar het buikje van de baby achter hem op de grond. Hij pakt haar op. De baby geeft geen kick, ik durf niet naar haar te kijken.
‘Niet doen!’ zegt mama. ‘Straks zien ze haar!’ De woorden van mijn moeder galmen door de auto. Ik wist wel dat ze boos was.
Papa kijkt naar het poppetje in zijn handen. ‘Wat is ze mooi,’ fluistert hij. Hij drukt op haar buikje. Ze draagt een zandkleurige slaapzak waarin haar beentjes spartelen. Ze vindt het fijn bij hem. Misschien omdat hij de eerste vreemdeling was die ze zag vannacht, en nu dus de minst vreemde vreemde is.
‘Geef me het kind en stap uit. Ga kijken wat dat was,’ zegt mama. Ze knijpt haar met kohl gekleurde ogen samen. Zo praat ze meestal tegen papa.
Papa geeft de baby aan mij alsof ze een taart is waar je voorzichtig mee moet zijn. Mariah Carey is ongeschonden. Papa’s linkerhand omsluit de deurhendel. Voor hij uitstapt telt hij de keren dat hij een auto-ongeluk heeft gehad.
Mariah Carey ligt in mijn armen. Ik houd mijn elleboog hoog, zo moet het. Zo hield ik Ikram vast toen ze nog niet kon praten of lopen. Toen ze nog niets kon.
Met haar zou ik kunnen zoenen, ze is Amerikaans. Amerikaanse meisjes doen niet anders. Ze rijden rond op fietsen met een groot stuur en dragen rokjes. Mariah Carey moet later de president van Amerika worden, en ik de koning van Marokko. Zij de baas van de mango’s, en ik van de zandkorrels.
Een druppel bloed valt op haar kleine gezicht. Ik veeg het weg met mijn mouw. Nog een druppel. Ik lik aan mijn wijsvinger en wrijf Mariah Carey schoon.

Vijf ongelukken telt papa. Het was eens een boom. Een fietser die hij niet zag aankomen. Een laagstaande zon. Een paar dagen zonder slaap. Een ruzie. Het zesde wordt veroorzaakt door iets wat we niet hebben gezien. Nu we stilstaan, lijkt de nacht nog donkerder. De ene koplamp schijnt voor zich uit, de andere blijft gedoofd. Papa staat naast de auto alsof hij verloren heeft.
De vrouw is uit de BMW gestapt, ze lijkt op een kind met het haar van een oma. Misschien is ze dom en komt ze nergens achter. Haar gezicht kan ik niet zien. Papa wrijft over zijn onderarmen. Ik doe mijn raampje langzaam open, zodat het geen geluid maakt.
Hello, sir.’ In de stem van de vrouw klinkt verbazing.
Papa blijft staan, hij wil niet zien wat er voor zijn auto ligt. De bestuurder van de BMW kreunt terwijl hij achter het stuur vandaan komt. Ik kan zijn billen zien.
Jesus Christ!’ zegt de man. Hij klopt zijn overhemd af. In hun eigen taal corrigeert de vrouw haar man. Duits of Deens, denk ik. Ze komen naast onze auto staan.
I’m sorry. I’m really sorry.’ Een excuus is het enige dat papa kan bedenken, al weet iedereen dat je ’s nachts op een zandweg geen auto inhaalt. En als je het wel doet, doe je het snel.
What are you sorry for?’
It’s just… I didn’t see it coming.
Where is it now?’ De man stoft nog steeds zijn lichtblauwe overhemd af. Het knelt bij de knoopjes, de mouwen zijn zeker tien centimeter omgeslagen.
It must have fled.’
Just like that? It just disappeared?
I hope so,’ zegt papa.
Mijn vader spreekt heel goed Engels omdat hij met toeristen de woestijn in gaat. Op een dag zal ik het ook leren. Met hun monden maken ze wolkjes, want ’s nachts koelt de woestijn meer af dan elke andere plek ter wereld.
You might have killed it. And if you did, it’s underneath your car.’ Het echtpaar moet uit het noorden van Europa komen, al past dat overhemd daar niet bij. Bij die wereld stel ik me iets voor wat er normaler uitziet.
Your children?’ Ik zie de man naar onze auto wijzen.
Yes.’
Children double in amount when traveling,’ zegt de Deen.
Are they okay? Did they hurt themselves? It was quite a bang. I think we should look underneath the car.’ De man spreekt ‘neath’ langzamer uit.
De vrouw heeft een paar stappen naar achteren gedaan en is in de donkere berm verdwenen. De mannen bukken en laten hun knieën in het zand vallen. Ik hoor papa zuchten.
Op dat moment pakt Ikram Mariah Carey voorzichtig uit mijn handen en legt haar tussen de stoelen van mij en papa. Ze zoekt even en trekt dan aan een speldje achter mama’s oor.
‘Hou op, Ikram.’ Mama slaat haar hand weg alsof het een vlieg is.
‘Mam, het moet. Het moet, het moet!’
‘Stil zijn. Papa moet met die mensen praten, en ik wil niet dat ze je horen.’ Mijn moeders handen grijpen naar haar hoofd.
‘Geef je hoofddoek, dan bedekken we haar.’ Ikram wijst naar het kleine lijfje dat in haar pak spartelt. ‘Ze geeft te veel licht.’
Mama haalt nu zelf het speldje van achter haar oor. Ze is liever vanavond. Maar dat is ze altijd als papa erbij is. Ik zie het speldje trillen in de lucht, haar vingers kunnen het glimmende ding niet in bedwang houden. Ze slaat een losgekomen punt van de zwarte doek over haar hoofd om nog een speldje los te maken. Ze weet hoe ze mijn zusje stil kan krijgen.
Dit is Ikrams favoriete moment van de dag. Ze leunt achterover en kijkt hoe de plukken haar langzaam loskomen. Ik klap de spiegel boven mijn hoofd naar beneden en veeg het bloed van mijn voorhoofd. Het doet me denken aan die keer dat bij Nabil alle licht en alle beelden uit zijn hoofd werden geslagen. Een botsing waar hij een ander mens van werd. Een pop die je moet opwinden voordat hij het doet, omdat hij niets meer kan zien. Ik draai me om en vraag mijn moeder om een stukje van haar doek.
‘Nee Soufjan, die is niet voor jou. Die is voor de baby. Zij heeft nog nooit een hijab gedragen,’ zegt Ikram. ‘Nog nooit.’

Maria droeg ook een hoofddoek. Dat heb ik weleens in een kerk gezien. Een blauwe hoofddoek met een gouden rand. Misschien noemen ze het anders, misschien is het een sjaal. Maar ze heeft hem altijd om, de stof loopt in golfjes langs haar gezicht.

Okay?’ roept de Deen.
Okay.’ zegt papa.
Nu hoor ik angst in de stem van de BMW-chauffeur. Dit is geen man die iets weet over Mariah Carey, papa hoeft niet bang te zijn. Hij steekt zijn hoofd onder zijn auto en vindt daar misschien een dier. Een ezel. Voor de Deen zal het schrikken zijn. Hoeveel ezels rijd je dood in Denemarken?
Ik stel me voor hoe de mannen elkaar onder de auto aankijken.
Søren,’ zegt de man. De dikke, schuin hangende kop van de Deen is bezweet, en papa voelt zich schuldig over dat zweet. Denkt dat het door hem komt. Wil sorry zeggen.
Abbou,’ mompelt papa.
De vrouw zegt iets Deens, de man antwoordt. Het lijkt of ze ruziemaken. Misschien heeft de vrouw iets gezien. Een manke woestijnhond die verderop strompelt.
Nothing here. Nothing here, I think we can go.
Yeah, no, nothing here. Must have been a ghost, Abbou. Do you have ghosts here?’
Hun stemmen klinken hol, het lijkt of ze door colablikjes praten.
The desert offers everything.’
Hun gezichten hangen nog steeds onder de auto. Ik stel me voor hoe ze zwart van het smeer worden, als die van automonteurs in Amerikaanse films.
It does get dark like nowhere else, huh?
‘Extremely dark,’ zegt papa.
It’s only cactuses.’
Het Arabische woord voor cactus betekent ook ‘geduld’. Sabr. Dat heb ik op school geleerd. De Deen heeft gelijk. De woestijn ligt vol geduld.
Sørens vrouw praat weer. Ze klinkt niet ongerust, maar geïrriteerd. In onze auto blijft het stil. Papa steekt zijn hoofd boven het metaal van de deur uit en kijkt door het raam. Hij kijkt naar mij, maar ik heb de baby niet. Ook op de achterbank ziet hij haar niet liggen.
Abbou?’
Snel steekt hij zijn hoofd weer onder de wagen. ‘Yes.’
I think it’s safe to say we’ve hit a ghost.’
You’re a kind man.
Thank you,’ zegt Søren.
Why don’t you go ahead.’
Søren knikt, staat op en opent het portier voor zijn vrouw. Zij mompelt iets en verdwijnt in de auto. De BMW start en blaast zand naar achteren als de Denen wegrijden. Papa wacht met het openen van het portier tot de Europeanen uit het licht van de koplamp zijn verdwenen. ‘Waar is ze?’
‘Doe de deur dicht. Het is koud.’ Mama wijst naar de plek tussen de stoelen. Daar ligt Mariah Carey. Alleen haar hoofdje is te zien, haar lijfje wordt bedekt door mama’s hoofddoek. Papa kijkt naar zijn vrouw, naar haar glimmende haar. Ik kan zien dat hij het mooi vindt. Ikram kijkt ook, ze staat op het punt mama’s haar aan te raken.
‘Oké, we kunnen verder.’
‘Wat was het?’ vraagt mama.
‘Zweden volgens mij. Ze klonken Zweeds.’
‘Nee, wat we raakten.’
‘O, niets. Een geest, zei die Zweed. Dat-ie dacht dat we een geest hadden aangereden.’
‘Was hij dronken?’ Ik kan horen dat mama geen grapje maakt.
‘Nee, dat geloof ik niet. Misschien is hij spiritueel.’
Papa start de auto, mama heeft de baby weer op schoot genomen. Zodra hij het geluid van de Lada hoort, wordt papa weer ongerust. We hebben ons veel te lang laten ophouden door de Denen, door het dier.
‘Papa, papa, doorrijden!’ Ikram duwt tegen papa’s vaders stoel.
Hij is weer terug. Teruggebracht in de nacht waarin de baby gehaald moet worden. ‘Ja, schat. Papa gaat nu heel hard rijden.’

Mama’s haren mogen net als de baby niet worden gezien. Ikram legt haar hoofd op mama’s schouder en fluistert: ‘Sorry, mama.’
We rijden. Mama ontbloot haar borst weer. Dit keer schrikt het kindje niet. Ik zie het dag worden, achter de zandheuvels kleurt de lucht lichter. Als ik me omdraai, zie ik de sterren nog. Die lijken te zijn losgekomen van de hemel. Ik wil ouder worden, ik kan niet wachten. Kind zijn is niets voor mij. Ik wil als papa zijn maar dan zonder te tellen, zonder te zweten in T-shirts. Ik wil naar de zonsopgang toe.


Maurits de Bruijn studeerde Beeld en Taal aan de Rietveld Academie. In 2012 verscheen zijn debuutroman Broer. Naast schrijver is hij ook journalist en beeldend kunstenaar. Zijn beeldende kunst werd tentoongesteld in het Stedelijk Museum in Amsterdam en de Chalalit Gallery in Tel Aviv. In januari 2016 verschijnt zijn tweede roman, De achterkant van de zon, een indrukwekkende roman over afkomst, identiteit, familie en de mogelijkheid van een nieuw begin. Tijdens GDMW treedt hij op zaterdagavond 7 november op in Kantine Walhalla en in Kopi Soesoe.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s