Frankrijk

Tekst: Roman Helinski ♦ Beeld: Lieke Mulder

*

Een paar minuten over twee haalden we haar op van het station. Mijn moeder zei: ‘Er komt een heel bijzonder meisje bij ons wonen, een schat van een kind en zo mooi.’ Ik begreep niet waar ze vandaan kwam en dat werd me ook niet verteld. Toen ik ernaar vroeg, zuchtte mijn moeder. Ouders stimuleren vaak het stellen van vragen, maar dan kende je mijn moeder nog niet.
    Met een koffer in haar hand stond het meisje ons op te wachten op het perron. Voor hetzelfde geld zou ze elk moment op een trein kunnen stappen die haar ver bij ons vandaan zou voeren. Ze had blond haar dat meedanste met elke windvlaag. Toen we dichterbij kwamen, zag ik dat het eigenlijk wel meeviel, zo knap was ze niet; haar neus stond scheef. Ze droeg een blauwe jurk en was een jaar of zestien. Ikzelf was veertien en een half. Ze heette Frankrijk, en dat vond ik een vreemde naam, een gek meisje moest dat haast wel zijn. Maar toen ze voor het eerst naar me lachte, begon de muziek van verliefdheid te spelen in mijn hoofd, een deuntje dat nog lang aan zou houden.
    ‘Kind,’ vroeg mijn moeder. ‘Heb je het niet koud?’ Tegen mij zei ze: ‘Wat sta je daar nu weer te lanterfanteren, wees een heer. Neem haar koffer over en geef haar je jas.’
    Frankrijk giebelde even, toen zei ze: ‘Ja, ik heb het koud.’ Het verraste me dat ze dezelfde taal sprak. Ze zag eruit alsof ze van ver kwam, veel mee had gemaakt, alsof ze uit een andere wereld afkomstig was dan mijn veilige wereld vol runderen en uitgestrekte weilanden.

De koffer botste tegen mijn benen toen ik ons erf opliep. Frankrijk en mijn moeder liepen voor me. Mijn moeder vroeg: ‘Japan?’
    ‘Nee, ik weet het echt niet,’ zei Frankrijk. ‘Sorry.’
    ‘Dat geeft niet,’ antwoordde mijn moeder. ‘Dat leer ik je nog wel.’
    ‘Mámá,’ riep ik. ‘Laat haar toch met rust.’ Ondertussen deed ik mijn best de koffer in één hand te dragen, al kostte dit me veel kracht. Ik wilde sterk zijn. Voor Frankrijk.
    ‘China dan,’ zei mijn moeder. ‘Die weet je wel, toch?’
    ‘Beijing,’ zei Frankrijk.
    ‘Goed zo! Goed zo!’

’s Avonds aan de keukentafel werd er weinig gesproken. Buiten was het nog licht, al liep de zomer op zijn einde. We aten aardappels met worst en iets te harde bieten. Frankrijk schepte twee keer op. Misschien was ze zo druk met eten dat ze vergat te praten. Mijn moeder probeerde wat tekst uit haar te krijgen, maar tot nu toe zaten er weinig woorden in haar. Toen mijn moeder dat ook doorhad, keken we maar wat uit het raam.
    Frankrijk was eerder die middag meteen naar de kamer gegaan die we voor haar vrij hadden gemaakt. Mijn moeder had witte rozen op het bed gelegd, en zonnebloemen aan de raamkozijnen gehangen.
    Tot het eten was Frankrijk op haar kamer gebleven. Heel de middag had ik in de keuken gezeten, hopend dat ze zich zou laten zien.
    ‘Ze moet wennen,’ zei mijn moeder. ‘Jij zou ook moeten wennen in een nieuw huis, en ik misschien ook.’
    Het was alsof haar huid speciaal voor mij gloeide, zo mooi vond ik haar nu. Die scheve neus stond kaarsrecht.
    Na het eten wilde Frankrijk naar haar kamer gaan, zonder te informeren of ze bijvoorbeeld met de afwas moest helpen.
    ‘Kind,’ zei mijn moeder. ‘Loop een rondje over de boerderij, leer de dieren kennen, dan leren ze jou kennen.’

‘Dit zijn ze,’ zei ik. Frankrijk liep naast me. Ze keek de hele tijd naar haar schoenen. Gele gympen. Zelf had ik laarzen aan, al was de grond niet vochtig. Het viel vandaag mee met de modder.
    Ik liet haar de runderen zien, de pronkstukken van mijn vader. Japanse runderen, met vlees zo duur als goud. Ik vond het prachtige beesten, omdat ze iets kalms uitstraalden, en iets van geluk.
    Mijn vader zei altijd dat ze boven alles wijsheid uitstraalden. Hij kon uren naar die beesten kijken, daar bespotte mijn moeder hem dan om.
    ‘Jij kijkt uren naar een wereldkaart,’ zei hij. ‘Dan is het normaler om af en toe eens bij de pracht van de natuur stil te staan.’

De pracht van de natuur deed Frankrijk weinig, al trilde haar onderlip een beetje.
    ‘Leuk,’ zei ze en ze keerde zich alweer om.
    ‘Wil je de stallen niet zien?’ vroeg ik.
    ‘Een andere keer, vind je dat goed?’
    Ze wachtte mijn antwoord niet af en verdween naar binnen.
    Ik wilde meteen mijn bed in duiken, om aan haar te denken. Aan de geur van haar haren, aan haar blauwe jurk, aan haar gele gympen en hoe dichtbij ze had gestaan toen ik haar de runderen liet zien. Veel dichterbij dan nodig was. Ik had haar adem langs mijn gezicht voelen strijken.
    Ik liep naar binnen. In de keuken trof ik mijn moeder. ‘Oeganda?’ vroeg ze.
    ‘Mam…’
    ‘Kom op, je weet het best.
    ‘Nee.’
    ‘Toe….’
    ‘Kampala.’
    ‘Correct!’ Ze glom en zei: ‘Nu, hup. Naar bed. Morgen is een belangrijke dag.’

**

Mist hing de volgende morgen vlak boven onze weilanden en boven het erf.
    Vanuit die mist kwam een rode tractor aangereden.
    ‘Daar zal de eerste zijn,’ zei mijn moeder. Met haar ochtendjas nog aan snelde ze het erf op. Ze klemde hem dicht met één hand.
    Een grote man, onmiskenbaar een boer, stapte uit. Ongemakkelijk schudden mijn moeder en hij elkaar de hand. Daarna vroeg ze hem binnen. Hij klopte zijn laarzen met veel tamtam uit tegen de muur en moest bukken bij onze deur.
    ‘Mooi keukentje,’ zei hij.
    De keuken was van hout en de tafels en stoelen waren van riet. Hij had lef, die vent. Keukentje. Het was een keuken, mijn vader had hem grotendeels zelf getimmerd. Op voorspraak van mijn moeder waren de muren mintgroen. Boven de eettafel hing een wereldkaart waarop Rusland en Canada belachelijk groot waren afgebeeld.
    Ik zat erbij toen mijn moeder en de man spraken, maar met mijn hoofd was ik bij Frankrijk, die ik de hele morgen nog niet had gezien.
    ‘Wat vind jij?’ vroeg mijn moeder toen de boer in zijn rode tractor vertrok.
    Ik vond hem stom, omdat hij zo lomp bewoog en hard praatte. Omdat hij de motor van zijn tractor nog even had laten ronken, alsof het een formule 1-wagen was.
    Hij leek in niets op mijn vader.

Nummer twee kwam niet opdagen. Mijn moeder en ik keken om elf uur hoopvol naar buiten en ook om kwart over elf nog een keer en zelfs tegen twaalven, maar van nummer twee geen spoor.
    ‘Heel jammer,’ zei mijn moeder. ‘Hij leek beloftevol.’

De derde man kwam op de fiets, in een keurig pak. Als zo’n degelijke Hollandse minister. Ik dacht eerst dat hij de runderen kwam controleren, dat gebeurde nogal eens, omdat er strenge eisen waren verbonden aan het houden van Japanse runderen. Het was een Aziaat.
    Mijn moeder zei: ‘Ah, u bent hier precies aan het goede adres. Wij houden Japanse runderen.’
    ‘Ik ben Chinees,’ zei de man.
    Verder liep het gesprek goed, maar erg serieus kon ik hem niet nemen.
    Hij heette Changdong en had geen enkele ervaring met werken op een boerderij.
    ‘Maar ik ben leergierig,’ beloofde hij.
    Hij maakte een energiek hupje op zijn plaats. Ik kreeg meteen zin om naar de bossen te rennen die achter onze weilanden lagen en in de bomen te klimmen en daarna mijn hut nog wat mooier te maken.

Mijn moeder liet Changdong de hele boerderij zien en ze legde ondertussen van alles uit. In tegenstelling tot Frankrijk wilde de Chinees wél de stallen bezoeken.
    Hij nam meteen een hooivork toen hij er was en begon het hooi aan de kant te scheppen.
    ‘Wat doe je?’ vroeg mijn moeder lachend.
    ‘Ik werk,’ zei hij ernstig.
    Hij had zijn jasje uitgetrokken en de mouwen van zijn hemd opgestroopt.
    Aan de keukentafel spraken ze een hele poos. Ik verdween naar de bossen en toen ik terugkwam was Changdong er nog steeds.
    Ik hoorde hem roepen: ‘Santiago!’
    En daarna: ‘Skopje!’
    Mijn moeder schaterde het uit, en even was ik gelukkig, want die lach had ik al een poos niet gehoord.
    Toen hij weg was, zei mijn moeder: ‘Dit is hem, we nemen hem.’
    ‘Maar hij weet niets van een boerderij onderhouden…’ bracht ik uit. ‘Hij deinsde terug toen de koeien dichterbij kwamen.’
    ‘Er zit een hart in,’ antwoordde ze. ‘Dat heb ik al wel gezien. Daar begint het allemaal mee. Met een hart.’

***

Na een week nam ik Frankrijk mee het bos in. Ze had niet zoveel zin, maar ze volgde me wel gewoon.
    ‘Als je me maar niet gaat zoenen,’ zei ze.
    ‘Dat zou ik nooit doen!’ riep ik uit.
    Maar ik wilde niets liever.  En zij wilde het ook – haar lip had getrild toen ik haar die eerste keer de runderen had laten zien.
    Wanneer de lippen van een meisje trillen, moet de jongen toeslaan.
    Op de badkamer pakte ik vaak even vlug haar bh uit de wasmand en rook eraan. Frankrijk droeg in het bos geen bh onder haar hempje, dat kon ik zien, haar tepel scheen volgens mij door. Verder had ze een spijkerbroek aan die nauw rond haar billen spande.
    ‘Trek toch eens wat warmers aan,’ had mijn moeder zich wel eens laten ontvallen. Maar Frankrijk hield stug vast aan haar kleding.
    In het bos zei ze: ‘Je moeder is een beetje raar.’
    Ik wist niet of ik boos moest zijn of moest lachen. Of ik boos kon zijn op Frankrijk. Ze volgde me overal waar ik ging in het bos. Ik voelde me machtig, alsof ik alles met haar kon doen.
    Ik keek naar haar lippen, die glinsterden maar niet trilden.
    Mijn hut vond ze heel mooi.
    ‘Hier kunnen we stiekem roken,’ zei ze. ‘En drinken.’
    ‘Ik rook niet.’
    ‘Jammer.’
    Ze zweeg even.
    ‘Wedden dat ik je binnen een week aan het roken krijg?’
    ‘Niet.’
    ‘Nu wil ik terug,’ zei ze. ‘Ik krijg het koud.’

****

‘Ze valt me gewoon tegen,’ zei mijn moeder. ‘Ze sluit zich op in haar kamer, slaapt zowat de hele dag, zegt weinig. Ze waagt zich niet aan de geografie, zelfs niet een beetje.’
    ‘Volgens mij is ze gewoon niet gelukkig,’ bracht ik uit, zonder na te denken eigenlijk. Ik zei het ineens.
    ‘Gelukkig?’ vroeg mijn moeder. ‘Nee, zeker niet.’
    ‘Dan moeten we haar toch gelukkig maken? Iets voor haar kopen.’
    ‘Geluk,’ zei mijn moeder lacherig. ‘Geluk koop je niet, liefje. En je kan er iemand niet aan helpen. Het zit in je of niet, en zo niet, dan heb je pech.’

Een paar dagen na dit gesprek zat Frankrijk op het grasveld naast de stallen, in de nazomerse koelte van de avond. Ze huilde zacht en toen ze me zag, riep ze: ‘Ga weg!’
    Ik bleef, ging naast haar zitten.
    Waar ik de moed vandaan haalde weet ik niet, maar ik sloeg mijn arm om haar heen.
    Ik voelde hoe ze zich even verzette en toen… met een zachte plof legde ze haar hoofd tegen mijn schouder.
    Ze zuchtte diep.
    ‘Ik vind het hier zo mooi,’ zei ze. ‘Ik krijg er tranen van. En zo gezellig ook.’
    We zwegen een tijdje, roerloos bleef ik zitten omdat ik als de dood was dat ze haar hoofd van mijn schouder zou halen. Haar warme hoofd. Ik voelde haar adem op mijn huid branden.
    ‘Hoor je de muziek?’ vroeg ze na een tijdje.
    Op wat speelse vogels en de wind na, was het doodstil op de boerderij.
    ‘Als je heel goed luistert, heel goed,’ fluisterde ze. ‘Dan hoor je het.’
    Ik hoorde alleen de muziek in mijn hoofd, diezelfde muziek als bij onze eerste ontmoeting. Hoorde zij die nu ook?

*****

Ik hoopte dat het een grap was van mijn moeder. Dat hele gedoe met Changdong. Dat hij niet op de boerderij kwam werken. Dat ze op een middag zou zeggen: ‘Grapje! Hij is onze nieuwe belastingadviseur.’ Maar Changdong kreeg van de één op de andere dag de dagelijkse leiding van de boerderij in handen. Zijn pak had hij ingeruild voor een blauwe overall. Zo zag hij er al met al meer uit als een boer, maar dat was uiterlijke schijn. De koeien kwamen ’s morgens niet meer uit de stallen en wilden er ’s avonds niet in.
    Hij nam zijn fiets vlak voor zonsondergang mee het veld op en cirkelde rondjes rond de koeien, om ze richting de stal te krijgen. Ze sloegen hem apathisch gade, niet het minst onder de indruk.
    Mijn moeder keek ernaar vanuit de keuken, met een rood hoofd van het lachen.
    ‘Hij kan er helemaal niets van!’ riep ik geërgerd tegen haar.
    ‘Nee, helemaal niets, geweldig he!’ bracht ze uit.
    Alles wat mijn vader in jaren op had gebouwd, ging op deze manier binnen de kortste keren naar de verdoemenis.
    ‘Het komt wel goed,’ beloofde mijn moeder me. ‘Geloof me maar.’
    Ik geloofde haar, natuurlijk. Zij was mijn moeder en ze wist hoe de wereld in elkaar zat.

Dit is een fragment uit de novelle De wereld volgens mijn moeder die voorlopig op de plank blijft liggen.


Roman Helinski (1983) studeerde moderne letterkunde en journalistiek in Utrecht. Op zijn achttiende verscheen zijn eerste korte verhaal in De Brakke Hond. Daarna volgden publicaties in tijdschriften als Deus ex machina, Tirade, Hollands Maandblad en Hard Gras. In het voorjaar van 2014 verscheen zijn debuutroman Bloemkool uit Tsjernobyl bij Uitgeverij Prometheus. Op dit moment werkt hij aan zijn tweede roman De valse profeet.

Lieke Mulder (1992), voormalig studente Illustration Design te ArtEZ, knuffelt katten in het asiel, aait duiven op straat en vangt kikkers met grashalmen. Het is dan ook niet vreemd dat ze in haar werk – illustraties en verhalen – veelal door dieren wordt geïnspireerd. Waarom dieren? ‘Die zijn zo lekker zichzelf!’

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s