Zeven x 6

Door: Rob Verschuren ♦ Beeld: Maureen Schoonheyt

Karel Steenveld is overleden. Gisteren was het op het nieuws en de Volkskrant had er vanmorgen niet minder dan een halve pagina voor uitgetrokken. Ik kende hem van naam noch van reputatie, maar ik heb hem een keer ontmoet. Met een gevoel van droefheid dat ik niet kan verklaren, lees ik dat hij toen waarschijnlijk geen woord heeft gelogen, en ik vraag me af hoever hij is gekomen met zijn laatste en meest ambitieuze project. In de krant wordt daar met geen woord over gerept.

Het was een ongewoon warme dag voor midden oktober. Omdat ik in verband met mijn werk in de buurt moest zijn, besloot ik tante Corrie op te zoeken. Het adres dat ik in mijn agenda had genoteerd, bleek een villa uit de jaren dertig van de vorige eeuw, die tussen jongere en mindere huizen stond als een bejaarde Tolstoj tussen zijn boeren. Ervoor lag een grasveld met twee kolossale beuken. Ze stonden nog volop in blad, maar rood en bruin overheersten.

Een jonge vrouw met kort blond haar deed open. Ze droeg jeans en een sweater en had iets atletisch over zich. Misschien waren het haar Adidas sportschoenen. Ik vertelde waarvoor ik kwam en ze liep me voor me uit naar de woonkamer. Ze ging mevrouw d’Audenhove halen, zei ze, ik kon gaan zitten waar ik wilde.

Ik was niet alleen in de kamer. Aan een beukenhouten eettafel zat een krachtig uitziende oude man in zijn eentje te dobbelen. Hij schudde een enkele dobbelsteen in een pokerbeker en wierp hem op een pokerbord. Zo gauw de steen stil lag, pakte hij hem op, liet de beker rammelen en gooide opnieuw, met de kleinst mogelijke handbeweging en in een tempo alsof hij per worp werd betaald. Hij had niet op- of omgekeken toen ik  binnenkwam.

Op de tweezitsbank voor de televisie zat een andere man. Een dunne man met schouderlang haar. Hij keek een ogenblik opzij, zonder interesse of wat dan ook in zijn blik en richtte toen zijn aandacht weer op de televisie, waarvan het geluid uitstond. Hij was niet zo oud. Hij leek op een middelbare rockster. Misschien wás hij een middelbare rockster, zijn gezicht kwam me bekend voor. Ook de bank was van lichtgekleurd beukenhout, al het meubilair, trouwens, en de kussens waren bekleed met een veredeld soort skai dat eruitzag alsof het in hoge mate resistent was tegen incontinentie. Zonlicht viel door de ramen van de erker over het visgraatparket zonder de tegenoverliggende muur te bereiken. Tegen deze muur was een forse vrouw in een rolstoel geplaatst. Ze had stekende oogjes en een zware onderkaak. Van haar zwijgende staren ging iets dreigends uit. Tante Corrie daarentegen was kleiner en frêler dan ik me herinnerde, zoals ze aan de arm van de blonde de kamer binnen kwam schuifelen. Een vergeten goudreinet in een hoekje van de keldervloer. Ik had me op het ergste voorbereid, maar ze herkende me. Ik drukte twee vederlichte kussen op haar leeggelopen wangen. Haar vingers klemden zich om mijn pols toen ze zich op een stoel liet zakken. Ze gebaarde me plaats te nemen tussen haarzelf en de vrouw in de rolstoel, waar ze – dacht ik – met iets van angst in haar ogen naar keek. De eerste volledige zin die ze sprak was: ‘Je bent weer een stuk kaler geworden.’

Tante Corrie kende mijn zwakheden. In het verleden had ze me meer dan eens geplaagd met mijn obsessie over mijn voortschrijdende kaalheid. Nu was er geen plaagzucht in haar woorden, en ik besefte dat ze me pijn wilde doen, zoals het haar pijn moest doen om hier te zijn. Ik vroeg hoe het met haar was. Ze maakte een kappend gebaar met haar rechterhand, vreemd krachtig en resoluut voor zo’n vogelklauwtje en keek weg, naar de ramen van de erker en naar het grasveld en de beuken en verder misschien, naar plaatsen en tijden waar ik haar blik niet kon volgen.

Ooit was Cornelia d’Audenhove schilderes. Geen bekende en ik denk zelfs geen goede, maar ze ging om met de beroemdste kunstenaars van haar tijd. Die hebben haar allemaal geportretteerd, want in haar jonge jaren was ze een opzienbarende schoonheid. Ik herinner me een intiem naakt, waarop ze voor een spiegel staat en lotion of parfum uit een blauw flesje tussen haar borsten sprenkelt. Haar lichaam, van opzij gezien, tekent zich donker af tegen het open raam van een zonovergoten slaapkamer en op haar prominent uitstekende billen glimt een klassiek Rembrandtlicht. Het trekt je ogen onontkoombaar naar het centrum van het schilderij. Dat ik hieraan moest denken terwijl ik naar het besje naast me keek, vond ik nogal obsceen. Ik vroeg of ze het een beetje met de andere bewoners kon vinden. Een wrang glimlachje. Ze wees op de dobbelaar: ‘Die is gek. En die’ – haar wijsvinger priemde in de richting van de televisiekijker – ‘heeft Korsakov.’
‘En die,’ vroeg ik met een knikje naar de vrouw in de rolstoel. Tante Corrie schudde haar hoofd.
‘Komt moeder wel eens op bezoek?’
‘Moeder is al veertig jaar dood.’
‘Annemarie. Komt Annemarie je opzoeken?’
Weer dat handgebaar, dat de buitenwereld afkapte met al zijn waanzin en onverschilligheid en de rest. Ik wist niet wat ik nog meer kon zeggen; waar leren ze je dat soort dingen? Tante Corrie sloot haar ogen. Op het in vilt gedempte rammelen en rollen van de dobbelsteen na was het geweldig stil in de kamer. Stofdeeltjes dansten als elektrisch geladen toverwezentjes in een baan zonlicht. Over de metalen wijzerplaat van de klok boven de deur bewoog de secondewijzer met kleine schokjes, maar welke betekenis heeft de tijd op een plek als deze, waar de dagen eindeloos zijn en de seizoenen voorbijvliegen voor verloren engelen die wachten tot de poorten van de hemel opengaan. Tante Corrie sliep.
Ik stond op en keek een tijdje op haar neer, toen liep ik naar de deur.
‘Jongeman,’ zei de dobbelaar.
Ik bleef staan; het moest twintig jaar geleden zijn dat iemand me zo had aangesproken.
‘Heb je enig idee wat ik hier aan het doen ben?’
De man bleef naar het pokerbord kijken terwijl hij tegen me sprak. Een soort Disney grootvader. Vlezig, rood gezicht met borstelige witte wenkbrauwen en golvend wit haar, een vest van onbestemde herfstkleur over een gestreept overhemd. Alleen zijn monomane concentratie op de dobbelsteen ondergroef het beeld van de knuffelopa. Tot hij opkeek. Zijn ogen waren koud. Bleek en koud. Met zijn vrije hand wees hij op de stoel tegenover hem. Het was een terloops, bijna arrogant gebaar. Ik schoof de stoel achteruit en ging zitten, geamuseerd en nieuwsgierig. Zijn ogen verdwenen weer onder hun overhang van wenkbrauwen. Hij pakte de steen van het bord en schudde de beker.
‘Ik probeer zeven zessen achter elkaar te gooien.’
De enormiteit van deze verklaring drong niet meteen tot me door. ‘Dat lijkt me een hele klus,’ zei ik.
‘De grootste prestatie die ooit door een mensenkind is geleverd,’ beaamde de man. Hij pakte de beker over in zijn andere hand en gooide opnieuw. Hij sprak met de autoriteit van iemand die gewend is college te geven of te preken vanaf de kansel, en hoewel hij na die ene koude blik zijn ogen geen moment meer van het bord nam, trokken zijn woorden me onweerstaanbaar de wereld van zijn waanzin in, die me volkomen logisch voorkwam en helder als kristal.
‘Jij vraagt je nu natuurlijk af waarom. Waarom zeven zessen en niet zes of acht?’
‘Zeven keer zes is tweeënveertig,’ zei ik, het eerste dat in me opkwam.
‘Daar bestaat weinig discussie over en in het tweeënveertigste hoofdstuk van de Koran staat geschreven: “Misschien is het Uur nabij.” Maar het is niet de som die van belang is, het gaat om de reeks. Hoe klein is de kans op zeven zessen in zeven opeenvolgende worpen, denk je? Ik zal het getal niet noemen, want dat zou je niets zeggen. Vijf of zelfs zes zessen, dat is iets anders. Dat is mogelijk al eens gedaan, door iemand met voldoende toewijding en eindeloos veel tijd. Misschien door een van de Olympische goden, maar ik denk het niet, want die hebben ander vermaak om de eonen van hun onsterfelijkheid te vullen. Wellicht door Nietzsche, in de elf jaar van zijn zwijgen, of door een vallenzetter in zijn blokhut, met geen ander gezelschap dan zijn bijna rond gesleten, uit een hertengewei gesneden dobbelsteen, tijdens de zonloze winter van Alaska.’
Vreemde woorden die hij liet klinken als alledaagse waarheden. Hij pakte de beker over in zijn andere hand en gooide een zes. Net als de man tegenover me keek ik nu naar het bord, gebiologeerd door de steen.
‘Mijn eerste grote project in het leven,’ ging hij verder op dezelfde zakelijke toon, ‘was het winnen van een vrouw waar ik verliefd op was. Een meisje eerder, want we waren beiden zo jong dat het me nu moeilijk valt iets terug te roepen van de gevoelens die mij toen bewogen. Soit, je kunt nooit twee keer in dezelfde rivier baden. Al vlug verloor de overwinning zijn glans en ik stortte me met hart en ziel op het werk dat de koers van mijn leven zou bepalen en mij onsterflijke roem heeft bezorgd. Tussendoor baarde mijn vrouw nog een zoon, en voor een jaar, anderhalf misschien, was ook dat hulpbehoevende schepsel belangrijk voor me. Zo gauw het zelfstandig begon te functioneren, vroeg ik me verbijsterd af of we tot dezelfde diersoort behoorden. Een vraag die ik me in mijn leven keer op keer heb gesteld. En met reden, neem dat van mij aan. Wat denk je, als ik zeven dobbelstenen tegelijk zou gooien, maakt dat de kans op zeven zessen groter dan wanneer ik één dobbelsteen zeven keer achter elkaar gooi? Mijn verstand zegt van niet natuurlijk, maar mijn gevoel spreekt dit tegen, alsof de kans op één groot toeval groter is dan op een reeks kleinere toevallen achter elkaar.’
Ik dacht hierover na, maar voor ik een antwoord had gevonden, praatte hij verder.
‘Op ongebruikelijk jonge leeftijd kreeg ik de leiding over een belangrijk onderzoeksproject. De resultaten, waarvoor ik persoonlijk in hoge mate verantwoordelijk was, betekenden een wetenschappelijke doorbraak van de eerste orde.’
Terwijl hij deze woorden sprak gooide hij een derde zes op rij. Ik ging rechter zitten en hield mijn adem in. Hij pakte de steen op met hetzelfde machinale gebaar en gooide opnieuw, met dezelfde onverschillige handbeweging. Hoe vaak had hij dit al meegemaakt? Wist hij uit ervaring dat er geen vierde zes zou volgen, of onderdrukte hij zijn opwinding uit vrees het lot te tarten?
‘Ik was relatief jong toen ik de Nobelprijs kreeg, nog geen vijftig.’ Hij wierp de steen een aantal keren voor hij verder sprak: ‘Een tijd lang bracht dat vervulling. Ik liet de wetenschap zonder spijt in de steek en wijdde me aan de roem. Koninklijke onderscheidingen, Légion d’honneur, eredoctoraten van Boston tot Tokio. De jaloezie van de hele wereld, dat was waar ik in die dagen naar streefde. Spero invidiam, jongeman, dat is een sterke emotie. Ik gebruikte mijn aanzien en positie om zoveel mogelijk jonge vrouwen in bed te krijgen. Nu besef ik dat ik mezelf wilde verjongen om zo vollediger van mijn roem te kunnen genieten, begrijp je dat? Nee, daar ben je te jong voor. Enfin, dat was een paar jaar mijn belangrijkste project. Toen verloor ik de interesse. Niets lichamelijks, gewoon geen interesse. C’est la vie, als je terugkijkt zijn alle dingen gelijk, al leek het op het moment zelf niet zo.’
Hij pakte de beker over in zijn andere hand en gooide een reeks enen en tweeën. Het pokerbord trok nu niet alleen mijn ogen maar mijn hele wezen naar zich toe, als een bodemloos gat. Als de poort naar de onderwereld.
‘En nu ben ik aan het grootste project van allemaal bezig,’ zei hij, nog steeds op dezelfde zakelijke toon, ‘de eerste mens ter wereld worden die zeven zessen achter elkaar gooit.’
Dit haalde me uit mijn trance. ‘Maar wie zal dat ooit weten,’ zei ik, ‘als er niemand is om die gebeurtenis vast te leggen?’
Voilà,’ zei de man, alsof dit de conclusie was van zijn hele krankzinnige betoog en hij pakte de steen op. En misschien, maar dat bedacht ik later pas, misschien bewees dit ene woord dat hij niet zo gek was als hij in de ogen van de wereld leek. Hij schudde de beker en wierp de steen, zijn ogen op het bord gericht, altijd op het bord. Na een paar minuten stond ik op. In de kamer was weinig gebeurd. Tante Corrie sliep met haar kin op haar borst. De baan zonlicht was opgeschoven over het parket en viel nu over haar pantoffels. De vrouw in de rolstoel staarde voor zich uit en Korsakov staarde naar de televisie en het televisiebeeld was het enige dat bewoog in dit tafereel.
De jonge vrouw die me had binnengelaten stond op de stoep een sigaret te roken. ‘Slaapt zeker?’ zei ze.
‘Ja, al een tijdje. Ik heb wat met die dobbelende meneer gepraat.’
‘Meneer Steenveld? Hij was vroeger iets belangrijks.’
‘O, ja?’
‘Ja. Professor, of zo.’
‘Je meent het.’
‘Ja. Natuurkunde, of zo. Mooi, hè?’ Ze wees op de beuken. Ik moest toegeven dat het mooi was, want in tegenstelling tot mensen, waaruit alle kleur wegtrekt wanneer het afsterven begint, hullen bomen zich dan in hun meest opzichtige tooi.

Ik heb tante Corrie nooit meer opgezocht. Ze is daar stilletjes verdampt. Toen ik samen met neef Basiel en twee mannen van de begrafenisonderneming de kist de kerktrappen afdroeg, was het alsof er niets in zat.


Rob Verschuren is copywriter. Zijn reclamewerk werd meermalen bekroond. Sinds 2009 woont hij in Vietnam, waar hij fictie begon te schrijven. Verhalen van zijn hand verschenen in de literaire tijdschriften Tirade en Extaze en een aantal verzamelbundels. Hij won in 2014 de Boekenweek Schrijfwedstrijd met het verhaal ‘Local bar’. In maart van dit jaar koos Renate Dorrestein zijn verhaal ‘Vrolijk knallen de bomvesten’ als winnaar van de schrijfwedstrijd ‘Zin en waanzin’ van Literair Werk.

Maureen Schoonheyt (1991) is student Human Technology, dat erom gaat design gebruiksvriendelijk te ontwerpen. Maar ze vindt het vooral heel leuk om te tekenen, schilderen en te creëren. Haar tekeningen zijn losjes en intuïtief. Op het moment laat ze zich inspireren door Indonesië, waar ze sinds mei dit jaar echt verliefd op is geworden.

3 gedachtes over “Zeven x 6

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s