‘Ik vergeet heel gauw dat ik leef’

Door: Tim Taveirne ♦ Beeld: Sacha de Boer

Ik ontmoet Lara Taveirne dag op dag drie weken nadat ze de Debuutprijs ontving voor De kinderen van Calais. Net op dat moment verscheen haar tweede roman, Hotel zonder sterren, over twee ex–geliefden die na tien jaar de tijd willen inhalen in het allermooiste hotel van Europa. We spreken af in een bio thee– en eethuis. Wanneer Lara binnenkomt, steekt ze meteen van wal. Nog voor ik mijn bandopnemer heb kunnen starten, is er al heel wat gezegd.

Gelauwerde schrijvers verkopen doorgaans beter; toch was Lara bang bij het verschijnen van haar tweede boek. ‘Ik was erop voorbereid dat het ondergesneeuwd zou raken. Wanneer ik in mijn vaste boekenwinkel kom, toont de eigenares de dozen met onuitgepakte boeken. Ze kijkt daar dan eens in en laat ze staan. Ik dacht dat ik daarin zou verdwijnen, in die veelheid.’

Nu krijgt ze de ene interviewaanvraag na de andere. ‘Vlak na de uitreiking van de Debuutprijs kreeg ik op één treinrit vijf telefoontjes. Ik word er soms een beetje opstandig van. Waar waren de journalisten toen mijn eerste boek net verscheen? Ik vind het een beetje laf dat ze niet zelf beslissingen durven nemen. Ze hebben een prijs nodig. Maar goed. Het boek bestaat en dat is leuk.’

Je hoeft Lara niet te vragen naar de verschillen tussen haar debuut en tweede roman. Ze formuleert het zelf al vrij vroeg in het gesprek: ‘Mijn eerste boek heb ik geschreven als schrijfster. Ik wou mooie zinnen stileren. Mijn tweede boek heb ik geschreven vanuit de stem van het hoofdpersonage, Larissa. Ik raakte het verhaal aan haar kwijt.’

Naar Lara Taveirne luisteren is als een boek lezen. En dat mag ik een uur lang.

Er is veel gebeurd. Je kreeg de Debuutprijs voor De kinderen van Calais en je tweede boek, Hotel zonder sterren, is net verschenen. Is de rust ondertussen teruggekeerd?

 ‘Ik dacht dat de overhandiging van die prijs zou voelen als een bevestiging van mijn talent als schrijfster. Zoiets als: “Goed gedaan, Lara! Je hebt zo afgezien met dat boek.” Maar toen ik tijdens die uitreiking een microfoon onder mijn neus kreeg, zag ik alle tegenslagen voorbij komen, al het leed dat me ooit te beurt was gevallen. Ik had het gevoel dat ik beloond werd voor mijn omgang met mijn verdriet. Dat vond ik eigenlijk heel oneerlijk van mijn eigen hoofd. Waarom kon ik niet gewoon die prijs in ontvangst nemen omwille van een goed geschreven boek? Nu leek het ter compensatie van een heel zwaar leven.’ (lacht)
‘Ik heb heel lang niet begrepen waarom mensen huilen als ze ergens iets winnen. Tot dan.’

Ben je alweer aan het schrijven?

‘Ja maar ik zit in het beginstadium. Ik moet mezelf beschermen voor negatieve kritiek. Als Hotel zonder sterren nu nog mijn kind was en iemand schreef er iets negatiefs over, dan zou ik er kapot van zijn. Maar wanneer ik een nieuw project heb dat mijn aandacht opeist, kan ik het voorgaande makkelijker los laten. Nu schrijf ik iets over een oude man en een jongere vrouw, die allebei hun geliefden zijn verloren. Ze vinden elkaar in hun verdriet. Er ontstaat een heel innige, aseksuele band. Je ziet, het is allemaal nog erg vaag.’

Vanaf een tweede boek kunnen lezers en recensenten beginnen met vergelijken. Virginia Woolf beleefde telkens net voor het verschijnen van een boek een inzinking. Hoe moeilijk was het om het nu los te laten?

‘Op een bepaald moment is het helemaal leeg. Dan merk je dat zelfs de andere dingen niet meer lukken. De periode tussen het indienen van het boek bij de uitgeverij en de uiteindelijke verschijningsdatum, is een ellendige tijd van paniekaanvallen en slapeloosheid. Pure verschrikking. Ik word dan bijna paranoia voor de buitenwereld, alsof iedereen op de loer ligt om me genadeloos af te maken zodra het boek er is. Je wilt niet dat je boek wordt overgenomen door iemands opinie. Dat is zoals het hoederecht verliezen over je kinderen, of alsof je man er met een andere vrouw vandoor gaat en zij voor de kinderen mag zorgen. Dat gevoel: het is van mij en jullie blijven er af.’

Zodra er een boek op de planken ligt, kan je jezelf officieel een schrijver noemen. Maar dat bleek anders voor jou. Hoe komt dat?

‘Ik blijf het moeilijk vinden. Het schrijverschap is een soort statuut dat je kunt verliezen. Ik heb een diploma Germaanse taal– en letterkunde. Op zich betekent dat niets. Ik was een rampzalig slechte studente. Maar wanneer ik tachtig ben, kan ik mezelf nog steeds een germaniste noemen. Terwijl dat met schrijven niet zo is. Stel dat Hotel zonder sterren vergeten geraakt en ik twintig jaar niets meer schrijf, dan kan ik niet langer zeggen: ik ben schrijver.
Ach ja, wanneer word je schrijver? Ik dacht bij het verschijnen van een eerste boek, of bij een prijs. Het helpt al evenmin dat mensen je adoreren. Wanneer ik aan een tafeltje zit te signeren, is dat geen stimulans voor mijn ego maar een keiharde trap erin. Mensen komen nu eenmaal niet voor jou. Ze komen met hun eigen problemen, die ze misschien herkend hebben in je boek.’

 De jury van de Debuutprijs schreef in het verslag: ‘De auteur probeert zware en kille onderwerpen met de nodige lichtheid te bespelen: frivole noten klinken boven de zware baslijn van de dood uit.’ Ook in Hotel zonder sterren plaats je de tragiek van een grote ontnuchtering in de schaduw van een speelse, soms grappige stijl. Je keert de dingen om, zoekt naar relativering. Is dat hetgeen wat je op zoekt tijdens het schrijven? 

‘Mensen leiden niet enkel en alleen een tragisch leven. Ik geef les op een academie. Wanneer één van mijn studenten een zwaar gedicht op een erg beladen manier voorleest, moet ik bijna kotsen. Dus allereerst is het iets technisch. Het levert niets op om de noodlottigheid van een personage of gebeurtenis, op een erg donkere manier te beschrijven.
Maar het komt ook voort uit mijn fascinatie voor het spel van het kind. Ik geloof niet dat we ooit volwassen worden. Er is altijd die lichtheid. Middenin een grote huilbui kan ik plots beginnen te lachen. Toen mijn jongste broer overleed, zat ik samen met mijn zus drie dagen in het ouderlijk huis. We hebben onophoudelijk gehuild, dag in dag uit. Toen ik samen met haar in de auto zat om mijn kinderen van school te halen, passeerden we een begrafenisondernemer. Dat had eigenlijk een drama moeten zijn. Maar het werkte helemaal omgekeerd. We hebben ons kapot gelachen. Na drie dagen van verdriet, lieten we alles los. Onze geest werkt gewoon zo. We zijn niet sterk genoeg om ons aan één emotie vast te houden.’

Is schrijver worden ooit een doel op zich geweest? Je begon aan een opleiding Drama om vervolgens af te studeren met een diploma Germaanse taal– en letterkunde en een scriptie over liefdesverdriet.

‘Ik wou als kind heel graag schrijver worden, maar ik wist niet of dat kon. Schrijvers waren voor mij namen op een boek, geen mensen. Ik heb dat dus altijd uitgesloten. Toen ben ik gaan acteren, iets waarin ik mezelf kon verliezen. Tijdens die opleiding moesten we af en toe ook teksten schrijven. Dat bleek me veel meer rust te geven. Terwijl het acteren me eerder onrust bezorgde. Ik moest soms wekenlang overgeven, ik kon niet slapen en was fysiek totaal uitgeput. In het schrijven kon ik mezelf even hard verliezen maar het was minder afmattend. Acteren zou ik gewoonweg geen leven lang volhouden. Ik ben Germaans gaan studeren om gepusht te worden in het lezen. Maar ik ging nooit een boek schrijven en opsturen naar een uitgeverij. Gelukkig hebben ze me het gewoon gevraagd.’

In Hotel zonder sterren bedenkt het hoofdpersonage Larissa zich plots dat ze misschien is gaan acteren omdat het haar door anderen ingegeven werd, terwijl dat nooit een bewuste keuze is geweest. Misschien is dat het grootste verschil tussen acteren en schrijven? Dat je schrijven helemaal alleen doet, in je blootje, en niemand zegt: ‘Zie hem daar eens zo goed schrijven!’ 

‘Acteren is zeker even naakt en kwetsbaar als schrijven. Maar als acteur maak je meestal deel uit van een grotere samenhorigheid. Zoiets als: “wij zijn met zijn allen naakt.” Er is een proces, waarin je samen groeit en uiteindelijk tot één geheel, één lichaam komt.
Schrijven daarentegen is heel eenzaam. Schrijven is jezelf kleiner maken. Wat ik het meeste mis, is iemand die aan de overkant van mijn schrijftafel zit. Iemand die me een reden geeft om propere kleren aan te doen, mijn haren te kammen. Ik ben totaal niet sociaal, dus het grote sociale contact mis ik niet.
Ik heb bijvoorbeeld heel veel mensen waarmee ik brieven schrijf. En mijn verbeelding laat me toe om nepvrienden– en collega’s aan te maken. Dat is me evenveel waard.’

Je beschrijft de liefde als een klein, kriebelig dekentje, asymmetrisch maar vol van superlatieven. Je gelooft niet in die ene, zaligmakende man?

 Hotel zonder sterren toont twee vormen van liefde, verspreid over twee generaties. Wat Isabella– Maria en Larissa bindt, is hun zoektocht naar de definitie van een eeuwigdurende en vurige liefde. Ze doen dat allebei op hun eigen manier. Isabella–Maria door met veel verschillende mannen naar bed te gaan, Larissa door één liefde te sublimeren. Maar voor beiden is het onvindbaar. Het bestaat gewoon niet.
Ik geloof niet dat die liefde het langdurige geluk brengt, hoewel ik verknocht ben aan het gevoel dat ik leef. Ik vergeet heel gauw dat ik leef. Bijzondere ontmoetingen of relaties roepen dat telkens weer opnieuw op. “Lara, je bent hier!” Ik vind het een mooi idee maar die eeuwigdurende, vurige liefde is niet het grote geluk. Het grote geluk is een eenvoudige, rustige relatie, binnen een verstandhouding en een economisch verbond.’

De meeste mensen geven inderdaad de voorkeur aan een verstandsrelatie– of huwelijk. Maar dreigt het gevaar dan niet dat we te vaak kiezen voor middelmatigheid? Moeten we niet soms op zoek gaan naar excessen?

 ‘Toen ik les gaf op de middelbare school, dacht ik heel vaak: “Jongens, spijbel gewoon, doe spannende dingen, maak je huiswerk niet, zoek een mooie man of vrouw!” Maar veel mensen hebben daar geen behoefte aan. Die zullen vast heel erg gelukkig zijn. Ik denk voortdurend dat ik die mensen iets moet bijbrengen. Terwijl ik beslist veel van hen kan leren. Gewoon met zijn tweetjes is ook heel leuk.’

Larissa en Andreas vonden hun vorm van liefde door nooit helemaal bij elkaar te komen. Onderwijl is er ook de stormachtige relatie tussen Larissa en haar moeder Isabella–Maria. Hoe belangrijk was die moeder–dochter–relatie voor de geest van het boek?

‘Ik wou tonen hoe dicht twee generaties bij elkaar liggen en door elkaar lopen. De moeder beleeft haar puberteit op hetzelfde moment als haar dochter. Tijd is niet chronologisch.
Op de tijdslijn van ons leven staan er geen streepjes, zoals we de Franse Revolutie aanduiden. We kunnen die grenzen niet zo makkelijk afbakenen. Daarnaast vond ik het mooi om twee vrouwen te beschrijven die allebei zoeken naar heftigheid en liefde.’ 

Is voor Larissa de diensttrap wat voor jou de schrijfkamer is? Een plek waar je afgeschermd lijkt voor alle dingen die maar doorgaan, zoals uren, geluiden en problemen?

‘Voor Larissa is de diensttrap haar tijdscapsule. Voor mij is dat mijn schrijfkamer. Ik schrijf elke dag. Van negen uur ’s morgens tot halfdrie ’s middags. Volgens strikte kantooruren, oersaai. Het eist me helemaal op. Wanneer mijn kinderen een hele dag thuis zijn, begin ik vroeger. Anders word ik onverdraagzaam. Tussen droom en werkelijkheid schrijven is het leukste. Je bent heel zintuiglijk, alles kan. Tegelijk ben je ook heel helder. Daarbovenop is ’s morgens vroeg de wereld nog niet begonnen.’

Waar treffen we Lara binnen tien jaar aan?

‘Ik heb er geen idee van. Dat kan heel veel zijn. De droom om op een dag in een winkel te staan, is nooit weggegaan. Het leek me altijd leuk om zo iemand te worden. Mijn dagboeken staan er vol van. Dan kan je opgaan in een soort groepsgevoel, een gemeenschap. Dat verlangen is er nog steeds. Om mensen te ontmoeten die je begrijpen en daar volledig in te verdwijnen. Maar het lukt me niet. Tegelijkertijd zou ik het oersaai vinden om vijf dagen na elkaar zwaantjes met crème fraîche te vullen.
Ik denk dat ik mezelf heb gevonden in het schrijven. Misschien heb ik ooit eens een pauze nodig en wil ik weg van het schrijverschap. Maar vroeg of laat zal het me toch opnieuw opeisen.’


Tim Taveirne (1994) studeert Drama aan KASK/Conservatorium in Gent. Hij schrijft, speelt en maakt theater maar is ook te zien in enkele Vlaamse en Nederlandse kortfilms. Hij bewondert Julian Barnes en Karl Ove Knausgård. Lees meer artikelen van zijn hand.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s