Herkenning boven erkenning

Door: Ben Huizinga ♦ Beeld: Jozefien Van Beek

Frederik Willem Daem (1988) debuteerde op 3 september 2015 met de verhalenbundel Zelfs de vogels vallen bij De Bezige Bij. Een bijzonder debuut, niet alleen vanwege de inhoud, maar ook vanwege het blanco linnen omslag. Frederik Willem heeft de eerste duizend exemplaren zelf voorzien van de titel en zijn naam. Nagenoeg alle aandacht in de pers concentreert zich op dit curieuze feit, en hoewel hij dat kan waarderen, hoopt hij dat zijn werk er niet door overschaduwd wordt. ‘Het is geen reclamestunt,’ legt hij uit, ‘maar een visuele herinnering aan de hoeveelheid arbeid die zit in het schrijven van een boek.’ Voor Frederik Willem betekende deze eerste bundel opgeven, doorzetten en een goed ritme proberen te vinden. Schrijven is jezelf met jezelf confronteren, en hieruit discipline halen. Lukt dat? En wat nu? Heeft hij na zoveel verhalen nog wel ideeën genoeg?

De wetenschap schrijver te worden
Frederik Willem Daem studeerde Audiovisuele Kunsten in Brussel, met eerst de intentie om regisseur te worden. Later richtte hij zich op scenarioschrijven. Het laatste jaar aan de academie betekende een omslag. Hij leerde de Nederlandse schrijver Willem Jan Otten kennen, en zijn interesse voor schrijven begon te groeien. Tegelijkertijd zwakte de ambitie om scenario’s te schrijven enigszins af: ‘Ik zat toen niet lekker in mijn vel. Ik was zoekende. Ik wist dat dat jaar heel lastig zou worden: het laatste, en daarna staat er niemand op je te wachten.’ Toch gaf juist dat jaar hem de overtuiging om volledig voor zijn schrijverschap te gaan. Voor de colleges van Otten moest hij vaker kleine scènes schrijven, en hoewel hij hierop positieve feedback kreeg, begon er iets te knagen. Het doel waarvoor hij scenario’s schreef, vervaagde. Tot op het punt dat hij een knoop moest doorhakken: ‘In het begin van het jaar dacht ik: oké, ik ga geen scenario schrijven. Omdat ik niets wilde maken dat daarna door anderen nog verfilmd moest worden.’

Hij besloot af te studeren met een roman en vroeg Otten om hem te begeleiden. Dit ging in eerste instantie goed: ‘Ik voelde wel dat ik er een soort van aanleg voor had. Natuurlijk was dat in het begin vooral stoten op mijn eigen limieten. Maar ik trok me op aan het feit dat ik wat ik aan het doen was graag deed en bijleerde wat werkte en wat niet.’ Een van de belangrijkste lessen voor hem was dat schrijven werken is. Zijn productie was laag en hij worstelde met een gebrek aan discipline: ‘Ik schreef heel eigenzinnige dingen en dat stuurde ik naar hem op. Maar veel te traag. Dan zei ik: je krijgt het einde van de maand een nieuw hoofdstuk, en dan kwam dat natuurlijk niet.’ Het commentaar dat hij kreeg, dwong hem opnieuw een keuze te maken: ‘Hij zei: ik vind het goed, het leest echt als een trein en is erg verhalend. Ik denk dat dat je troef is. En je hebt talent, maar je bent er niet serieus mee bezig. Daarom gaat er nooit iets van komen.’ Zijn roman heeft Frederik Willem nooit afgemaakt, maar de eerste stappen van zijn schrijverschap waren gezet.

Het gevaar van de sleur
‘Schrijven is leren en groeien, er constant mee bezig zijn,’ geeft Frederik Willem aan. En dat is lastig als je ernaast werkt. Na zijn afstuderen vond hij een baan in de communicatie. Hoewel hij met deze parttime baan goed rond kon komen, bracht het hem op een omslagpunt: ‘Ik moest reclameachtige dingen doen, campagnes uitdenken. Ik vond het wel leuk om te doen, maar ik wilde dat niet voor de rest van mijn leven. Ik wist dat het te comfortabel was, en dat is angstaanjagend: je wilt niet vastroesten in een comfortabele situatie.’ Maar een alternatief was nog moeilijk: het afronden van de halve roman waarmee hij was afgestudeerd verliep niet voorspoedig. En wat daarna? Opsturen naar een uitgeverij? Voor hem was de literatuur een ongrijpbaar iets dat zich afspeelde in Amsterdam, en hij had geen idee hoe hij zich daarin kon mengen.

Maar het grootste probleem bleek de combinatie van werk en schrijven: ‘Soms had ik die roman weer vast maar als ik twee weken niet schreef, omdat ik het te druk had met deadlines of wat dan ook, dan was ik er volkomen uit.’ De oplossing diende zich aan in de vorm van korte verhalen. Vanwege de lengte en één afgerond idee, één heldere visie op de afloop, kon hij deze gemakkelijker weer oppakken. En anders begon hij aan een nieuw kortverhaal. Het voordeel, zegt hij, aan het schrijven van zes of zeven kortverhalen tegelijkertijd, is dat je nooit hetzelfde korte verhaal schrijft. Maar de tijd vinden om gedisciplineerd te schrijven naast een baan leidt onvermijdelijk tot een tijdsindeling die niet eenvoudig is vol te houden: ‘Ik heb dat een heel jaar geprobeerd, gedisciplineerd werken. Toen ik net begon te schrijven, was dat allemaal na het kantoorwerk. Ik schreef heel veel ’s nachts. In de nacht heerst er rust, kom je in een schemerzone. Je bevindt je tussen twee werelden. Sommige mensen zijn aan het stappen, en jij zit alleen achter dat bureau. Andere mensen slapen, en jij zit in die schemerzone te beschrijven wat er elders aan het gebeuren is. Daar is niemand bij.’ Deze routine putte uit: vaak stond hij later dan moest op zijn werk, wallen onder zijn ogen. Het romantische van de nacht woog niet op tegen de realiteit van de ochtend. Daarnaast begon de sleur ondraaglijk te worden: ‘Mijn vriendin had een stage in New York, en dat was een zeer duidelijke deadline voor mij. Zij ging daar drie maanden naartoe, en ik ben meegegaan. En ik wist: vanaf dan ben ik een schrijver. Vanaf dan bestaat mijn leven enkel nog uit het afwerken van dat debuut.’

Steun in de rug
Voor Frederik Willem kwam de eerste doorbraak toen hij zich bij deBuren aanmeldde voor de schrijversresidentie in Parijs die zij organiseren voor jong talent. Daar leerde hij onder anderen Daniël van der Meer van Das Magazin kennen, Ernst-Jan Pfauth van De Correspondent en Jozefien Van Beek, met wie hij later Oogst oprichtte: ‘Al die mensen waren al veel verder in hun vak dan ik. Wat zeer inspirerend was, omdat ik eindelijk een kijkje achter de schermen kon nemen. Voor mij was literatuur een soort vesting in Amsterdam. Een onneembaar fort.’ Tijdens zijn verblijf in Parijs bleek het fort minder onneembaar dan hij had verwacht. Daniël van der Meer toonde interesse in zijn verhalen, en vroeg hem of hij iets wilde insturen naar zijn tijdschrift. Met Daniël als zijn redacteur werkte hij aan drie verhalen die opeenvolgend in Das Magazin verschenen: ‘Ik had op dat moment nog steeds geen flauw benul hoe de dingen werkten maar Daniël nam het op zich mij wegwijs te maken. Het idee om schrijver te worden was daarvoor nog onzeker, eigenlijk, want ik had nog geen uitgever of netwerk.’ Het netwerk begon zich in Parijs te ontwikkelen, en Daniël stuurde zijn verhalen naar uitgeverijen onder het motto: ‘Lees dit eens, deze jongen moet je echt in de gaten houden.’

De publicaties in Das Magazin en de steun van Daniël hebben hem ongetwijfeld een stuk verder gebracht. Toch is het nog meer de steun van zijn verloofde over wie hij veel en dankbaar praat. De foto die dit artikel begeleidt, is een foto van Frederik Willem en zijn verloofde Jozefien. Aan haar is Zelfs de vogels vallen opgedragen. Over Jozefien gaat het verhaal ‘Voorbij de klif’, wat eigenlijk vrij merkwaardig is. Het vertelt namelijk over een laatste poging tot het redden van een relatie, en dit lijkt niet te lukken. In een pijnlijk nuchtere stijl beschrijft Frederik Willem hoe Parijs een nieuw begin had moeten zijn, hoe de verhuizing de relatie nieuw leven in had moeten blazen. Maar het blijkt tevergeefs. Een klif wordt meestal gevormd door erosieprocessen, en ook in dit verhaal lijkt dit proces zich al voltrokken te hebben voor de verhuizing:

‘Wat gaat er gebeuren met ons?’
‘Niets,’ zeg ik. ‘We gaan slapen. Morgen staan we op.’
‘Het is morgen.’

Het verhaal is niet autobiografisch, maar er wordt gespeeld met feit en fictie – zoals hij in veel van zijn verhalen doet. ‘Zij vond dat niet aangenaam, omdat ze er wel dingen van haarzelf in herkent. Ze dacht dat ik haar in het verhaal als lui afschilderde.’ Maar niets is minder waar: hij vindt in haar een kracht die hem verder duwt, hem dwingt om meer uit zichzelf te halen. Ook al is dit soms moeilijk, bijvoorbeeld door zijn voorliefde voor ’s nachts schrijven: ‘Soms heb ik echt twee weken lang geen zon gezien. Dan heb ik van tien uur ’s avonds tot zeven uur in de ochtend zitten schrijven. Ik heb mijzelf dat vaak kwalijk genomen, dat we redelijk langs elkaar heen leefden. Dan kwam zij thuis van haar werk, aten we samen en kroop ik daarna direct terug in mijn atelier.’

De kruisbestuiving van kunst
Ondanks het feit dat Frederik Willem aan het prille begin van zijn schrijverschap staat, lijkt hij al een duidelijke literaire opvatting te hebben ontwikkeld: ‘Mezelf onderscheiden is iets wat ik van nature doe. Het is niet alsof ik daar bewust naar op zoek ga, dat is een illusie die ik mezelf niet moet maken. Het gaat mij om hoe ik iets onvervalst kan doen, hoe ik mijn eigen weg kan afleggen.’

Deze drang is bijvoorbeeld terug te vinden in de bijzondere cover van zijn debuutbundel. Zoals hij zelf zegt: ‘Ik hoop dat ik nooit een rustpunt bereik, dat ik op elk moment mezelf nog kan uitdagen en de lat altijd net iets hoger kan leggen. Want kan ik dat niet meer, dan zou ik denken dat ik niets meer bij kan dragen, niets nieuws meer kan zeggen. En als ik het voor mezelf ook niet meer uitdagend kan maken, dan zou ik denk ik iets anders gaan doen. Het is zoals met die covers, dan ga ik nadenken: oké, wat is een omslag, wat is boekdrukkunst, en hoe kan ik dat op een manier benaderen die heel eigen is aan mij? Hoe kan dat boek een object worden, waardevoller worden, een waarde krijgen die soms vergeten wordt?’ Waarom? Enerzijds omdat hij zich voortdurend onderwerpt aan kritische vragen: waarom zus en niet zo? Anderzijds: ‘Er moet een soort van discours ontstaan in wat ik doe. Iets dat herkend kan worden eerder dan erkend.’

De vergeten waarde is de arbeid die eraan voorafgaat: ‘Ik wilde een omslag maken waar een duidelijke visuele herinnering in zit, waaruit blijkt hoeveel arbeid zit in het schrijven van een boek. Men vergeet hoeveel werk, hoeveel vlagen van euforie, van wanhoop – momenten dat je het niet meer ziet zitten, je afvraagt waar je eigenlijk mee bezig bent – dat omslag vertegenwoordigt. Tussen 300 en 400 geschreven titels dacht ik: dit is je reinste waanzin wat ik aan het doen ben.’ Het is een benadering die eigen is aan Frederik Willem Daem, en die ook terug te lezen is in zijn verhalenbundel: hij maakt van schijnbaar doodnormale zaken bevreemdende personages of situaties. Dit lijkt te worden veroorzaakt door zijn fascinatie voor alles, maar ook door de manier waarop hij verschillende kunstvormen combineert.

Zijn filmachtergrond is duidelijk terug te lezen in de verhalen, de dialogen en vooral in het tempo waarmee die elkaar opvolgen: het is alsof je iedere keer aan een nieuwe pilotaflevering begint, die steeds weer je aandacht trekt en je het idee geeft dat er nog een heel verhaal achteraan zal komen. Maar dat komt er niet. Elk verhaal, of het nu gaat over een illusionist, een vader en een zoontje die proberen om dichter bij elkaar te komen, of om een achtervolging op tv: het leest alsof je naar een film kijkt. Elk woord draagt bij aan de spanningsopbouw. Zo ook in de openingsregels van het eerste verhaal, Kort bij de zon is het warm:

‘Het was dezelfde Nissan – kleur bliksemblauw, met de kleine spoiler die standaard bij elke Primera-kofferbak kwam – die daar, op het scherm voor ons, vanaf een hoogte van twintig meter, door een helikopter gevolgd werd en Dennis… Die was nog steeds niet thuisgekomen, had al anderhalf uur thuis moeten zijn.’

Tegelijkertijd – en daar ben ik persoonlijk van gecharmeerd – is de kruisbestuiving van kunstvormen doorgevoerd tot op de cover: een linnen canvas, elk beschreven nummer een kunstwerk van buiten en van binnen.

Zijn redacteur bij De Bezige Bij is soms bang dat zijn ideeën opraken, dat hij van sommige korte verhalen beter een roman kan maken. ‘Maar dat interesseert me niet, ik ben daar niet bang voor. Veel van mijn korte verhalen hadden best een roman kunnen worden. Ik zoek ook altijd naar grootse verhalen. Maar als ik die ook kan verpakken in een kortverhaal of in een novelle, waarom zou het dan langer moeten?’

Lees ook de recensie van Zelfs de vogels vallen op Passionate Platform.


Ben Huizinga (1987) heeft van jongs af aan een obsessie voor literatuur en taal. Studeerde mede daarom Nederlandse Taal en Cultuur en Literatuur en Cultuurkritiek. Leest graag en veel. Lees meer artikelen van zijn hand.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s