Op een briefje

Door: Jente Hoogeveen ♦ Beeld: Hüseyin Alptekin & Michael Morris

Gezien: ‘Heterotopia’ (1992-2013) door Hüseyin Alptekin & Michael Morris
Waar: M HKA, Antwerpen
Wanneer: november 2015 (‘Democratische Luxe’, te zien t/m 31 januari 2016)

Al mijn spullen heb ik van de planken gehaald en uitgestald op de houten vloer in mijn slaapkamer. Een hamer, het lege pillendoosje waar ik de schroeven in bewaar die volgens de gebruiksaanwijzing wel bij onze IKEA-meubels horen maar volgens papa en mama toch echt nergens inpassen, een briefopener, een slot zonder sleutel, het bordspel waar papa met zijn sigaret per ongeluk gaten in heeft gebrand, een zaklamp, een voetbalklok, een typemachine, een zwart-wit foto van een bokser in een gouden lijst, een stempel, vier stempelkussens, briefgeld uit een buitenland waar ik de naam van ben vergeten en de nummerbordplaat van opa’s oude auto. Van mama mag ik vijf dingen meenemen, de rest moet weg. Dat past niet in ons nieuwe huis, mijn kamer daar zal veel kleiner zijn.
‘Nina, ben je klaar?’ roept mama naar boven.
Ik schud van nee, ook al weet ik dat ze dat niet kan horen.
De spullen heb ik precies in een rechthoek gelegd, zo is het net alsof er een tapijt in mijn kamer ligt. Misschien moet ik dat mama zeggen, dat ik een tapijt voor haar heb gemaakt. Dat wil ze graag, een tapijt. Het liefst krijgt ze die van papa, maar dat gaat nooit gebeuren, want ‘die man heeft geen oog voor detail.’ Ze wil een Perz, dat is een heel speciaal tapijt met veel kleur en ingewikkelde patronen. Ook is hij heel duur, ik denk dat ze hem daarom wil, mama houdt van dure dingen. En ze denkt dat je liefde kunt kopen. Twee weken geleden had ze een boodschappenlijstje voor papa op de keukentafel gelegd. ‘Hagelslag’, stond er. ‘Vaatdoeken, ontbijtthee, brood niet van dat goedkope, augurken, wc blokjes 2x’ en onderaan het lijstje: ‘een beetje liefde’. Papa had het natuurlijk niet zien liggen, het briefje was veel te klein en een beetje beige, net als de tafel. Dus was ik maar naar de supermarkt gegaan, want mama wordt chagrijnig als niemand de boodschappen doet en met ‘niemand’ bedoelt ze papa.
De mevrouw achter de kassa droeg een blauw dasje en een badge waar ‘Vlinder’ op stond, dat vond ik een vreemde naam voor een mens.
Ik zei: ‘Verkopen jullie ook liefde?’
‘Wat bedoel je?’ zei Vlinder.
‘Ik bedoel of jullie ook liefde verkopen, mevrouw?’ De eerste keer vergat ik met twee woorden te spreken.
‘We verkopen chocolade,’ zei Vlinder.
Grote mensen zijn gek: de een denkt dat je liefde kunt kopen, de ander denkt dat je het kunt eten. Volgens papa kun je liefde niet zien, alleen geven. Ik begrijp niet hoe je iets kunt geven dat je niet kunt zien, ik zou toch echt balen als ik zo’n onzichtbaar cadeau kreeg. Dat vindt mama ook, daarom wil ze een tapijt.
Ik hoor haar de trap op lopen, de snelle stappen die altijd haast hebben. Ze steekt haar hoofd om de deur, haar donkerbruine haren plakken aan haar wangen. Aan haar ogen zie ik dat ze het tapijt niet zo mooi vindt als ik, haar wenkbrauwen maken scheve driehoekjes.
‘Kies toch wat,’ zegt ze. ‘Het is maar oude troep en nog kapot ook.’ Ze draagt een spijkerbroek met gaten en een trui die ooit gebroken wit was, maar nu lila omdat ik mijn nieuwe sokken bij de witte was had gestopt. Ook al onze onderbroeken zijn nu lila.
‘Oud is relatief,’ zeg ik.
Mama kijkt mij verbaasd aan.
‘Van wie heb je dat?’
‘Van papa.’
Weer die scheve driehoekjes.
‘Weet je wel wat dat betekent, ‘relatief’?’
Ik haal mijn schouders op.
‘Ik denk dat het iets goeds is,’ zeg ik dan.
Mama draait zich om.
‘Over vijf minuten vertrekken we, alles wat niet in de verhuisdoos zit gooi ik weg.’ Met grote haast neemt ze de treden weer naar beneden. Ik kijk naar mijn bed dat in losse onderdelen op de vloer ligt, we zullen vast weer schroeven over hebben. Op de muur missen stukjes behang, bij het afhalen van mijn posters trok ik per ongeluk het papier mee. Net sneeuwvlokken, maar deze hebben geen last van de wind, ze blijven altijd op dezelfde plek hangen.
Vanuit mijn raam zie ik de grijze bus die mama van haar oom heeft geleend, papa probeert in zijn eentje de wasmachine erin te tillen. Dat wil niet echt lukken, als ik klaar ben zal ik hem gaan helpen. Ik open de verhuisdoos en stop de typemachine erin, dan het pillendoosje, het bordspel, opa’s nummerbord en het briefgeld, wie weet ga ik nog eens op reis naar een buitenland. De doos is best zwaar, dat komt natuurlijk door die typemachine, maar hij moet zeker mee, want ik hou van typen ook al komen er geen woorden op papier. Van papa mag ik ook wel eens op de computer tikken, eigenlijk vind ik dat maar saai, de toetsen maken bijna geen geluid. Dat zeg ik natuurlijk niet, want papa houdt erg veel van zijn computer en ik vind het gezellig om samen met hem aan zijn bureau te zitten. Hij leest dan dossiers, veel papier in dikke mappen.
‘Wat schrijf je?’
Hij kijkt naar het scherm. ‘kkfg, yjkw… ptwsqauwtsjpwa.. krghhhpluts’.
‘Letters,’ zeg ik.
‘Zomaar letters?’
‘Ja,’ zeg ik. ‘Gewoon tikken.’
Papa lacht.
‘Tikken om het tikken, l’art pour l’art.’
Dat klinkt mooi, papa schrijft het voor mij op een briefje. Alle mooie woorden schrijft hij voor mij op zodat ik ze kan oefenen. ‘Relatief’, ‘mesjogge’, ‘wrang’. De briefjes bewaar ik in mijn sieradenkist, want sieraden heb ik toch niet. Het kistje staat naast de typemachine in de verhuisdoos.
Ik til de verhuisdoos naar beneden, bedenk mij halverwege de trap en loop terug naar boven. Ik haal het geld eruit en stop de briefopener erin, stiekem ook een stempelkussen en de zaklamp, dat gaat mama toch niet merken. Dan loop ik de trap weer af. Papa sjouwt dozen door de gang, zweetdruppels staan op zijn voorhoofd, op de achterkant van zijn T-shirt is een donkere plek ontstaan. Rond zijn oren groeien grijze haren. Papa zegt niets als ik vraag of ik kan helpen, tegen mama zegt hij al dagen niets meer.
Nog niet alle spullen zijn ingepakt, in de huiskamer staan de bank, de radio en de boekenkast nog, maar blijkbaar kunnen we toch al vertrekken. Op het laminaat liggen stofvlokken en restjes tuin die papa en mama telkens naar binnen lopen. De foto’s zijn van de muur gehaald, de lampen van het plafond. Ik kijk naar de boeken, gesorteerd eerst op kleur, dan op titel, ze zijn bijna allemaal van papa.
‘Mama leest alleen maar blaadjes,’ zegt hij wel eens. Met blaadjes bedoelt hij glimmende tijdschriften met veel plaatjes en weinig woorden. Ik denk: misschien heeft hij nog geen zin gehad om de boeken in te pakken, het is tenslotte zondag. Ik pak een boek uit de kast, een zwarte kaft met groene en oranje letters. ‘Turks Fruit’, lees ik op de voorkant. Zometeen zal ik aan papa vragen waar het over gaat, hij praat graag over boeken. Het liefst heel lang en met veel gebaren. Dat je ook op de achterkant kunt lezen waar het boek over gaat, heeft papa volgens mij niet door. Hij leest altijd alle pagina’s om daar achter te komen. Soms zelf twee keer.
Ik leg het boek op de doos en loop naar buiten, mama zet een thermoskan en twee mokken voor in de bus.
‘Gelukt?’ zegt ze als ze mij ziet staan.
Ik zeg niets. Toch neemt ze de doos van mij over, gelukkig kijkt ze er niet in.
‘Wat is dit?’
Ik pak het boek van haar aan.
‘Een autobiografisch getinte roman met tragi-komische episoden vol erotiek, dood en ellende,’ lees ik voor vanaf de achterkant.
‘Jezus,’ zegt mama, ze grist het boek uit mijn handen. Dan tegen papa: ‘Ze is nog maar tien.’
Papa knikt alleen en staart naar het klimrek aan de overkant van de straat, hij denkt vast aan alle briefjes die hij nu moet schrijven. Een meisje duikelt koppeltje op het hoogste rek, haar blonde staart zwiept heen en weer.
‘Gaan de andere boeken niet mee?’ vraag ik aan papa.
‘Nee.’ Hij hurkt  zodat zijn hoofd dicht bij de mijne komt. Hij voelt warm en ruikt naar oude trui. ‘Die blijven bij mij,’ zegt hij. ‘Ik moet toch iets te doen hebben als jullie er niet meer zijn.’
Ik pluk aan de haren rond zijn oor, als hij een goede bui heeft mag ik de grijze haren wegtrekken.
‘Ja,’ zeg ik. ‘Natuurlijk.’
Papa geeft mij een kus, mama roept vanuit de bus dat ik op moet schieten. Ik ga naast haar zitten, normaal mag ik niet voorin.
‘Niet je gordel vergeten.’
‘Is het ver?’ vraag ik.
Mama knikt, ze start de motor, laat hem twee keer afslaan en vloekt zonder sorry te zeggen. Dan beginnen we voorzichtig te rijden. De bus bromt, ik ga uit het raampje hangen. De zon schijnt in de plassen op straat, ik moet mijn ogen fijnknijpen om papa goed te kunnen zien. Hij staat op de stoep, hij zwaait niet, dus doe ik dat ook maar niet. Zijn armen hangen slap langs zijn lichaam alsof hij vergeten is dat ze daar zitten. Ik snap niet waarom mijn andere spullen weg moeten, als papa thuis blijft kan hij toch op ze passen? Als ik hem weer zie zal ik hem dat zeggen, dat hij die relatief oude troep niet weg moet gooien.


Jente Hoogeveen (1992) is schrijver, illustrator, productkunstenaar en ook nog student. Eerder aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag, tegenwoordig studeert ze Liberal Arts & Sciences aan de Universiteit van Utrecht. Ze schreef onder andere verhalen voor De Gids, Opium en DeBuren en stond afgelopen zomer in de finale van Write Now! De meeste verhalen en beelden ontstaan onderweg, in de trein of dwalend door de stad. Op zoek naar dat wat afwijkt, kleine details met grote verhalen. Kijk voor meer beelden en verhalen op haar website.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s