Ik ben jouw verloren oog, jij mijn extra ledemaat

Door: Marliene Stolker

Je loopt op straat een man tegemoet. Hij is groot en heeft een lompe tred. Hoofd gebogen, zijn lange paardenstaart valt over zijn schouder. Hij ziet er onverzorgd uit en kijkt schichtig om zich heen, alsof hij iets te verbergen heeft. Onwillekeurig doe je een paar stappen opzij, zodat je niet te dicht langs hem hoeft te lopen. De man passeert je en je houdt even je adem in, maar er gebeurt niets. Een seconde later ben je het moment alweer vergeten. Maar hij niet. Hij merkt het wanneer de mensen kijken, wanneer ze oordelen, wanneer ze op hun hoede zijn en hun kinderen van hem afschermen.

Stommelen, stampen, slaan, de debuutroman van de Ierse Sara Baume (1984), wordt verteld vanuit het perspectief van een dergelijke man. De zevenenvijftigjarige Ray is een loner; hij heeft geen familie of vrienden, en zijn vader, met wie hij zijn hele leven heeft samengewoond, is een aantal jaar geleden overleden. Het liefst mijdt Ray al het contact met de buitenwereld. Hij wantrouwt mensen zoals hij ook het leven wantrouwt. Volgens Ray houdt het leven ervan om ‘Dat zei ik toch?’ te zeggen, vandaar. Hij vindt herkenning in de hond Eenoog, een agressief en getraumatiseerd beest dat hij uit het asiel haalt om de rattenvloed die zijn huis al jaren teistert tegen te gaan. Eenoog is net zo zonderling en afzichtelijk als Ray, en dat schept een band.

De manier waarop Baume Ray’s bewustzijn van zijn eigen afschrikwekkendheid en ongewenstheid beschrijft heeft iets diep verdrietigs. Tijdens het lezen kom je er achter dat Ray’s leven in de schaduw een reden heeft, maar besef je tegelijkertijd dat het misschien al wel te laat is om het tij te keren. Ray zit gevangen in een wereld die hij zelf gecreëerd heeft, een leven waarin alles routinematig verloopt en elke afwijking van deze routine een aardverschuiving teweeg brengt.

Laverend tussen angst, eenzaamheid, betekenisloosheid en verwantschap probeert Ray zichzelf te handhaven. De komst van Eenoog brengt beetje bij beetje wat meer luchtigheid in zijn leven. Ray deelt zijn gevoelens en dagelijkse beslommeringen met Eenoog en richt zich soms op een bijna vaderlijke toon tot het dier. De levendigheid en constante verwondering van Eenoog lijken Ray op een andere manier naar zijn eigen leven doen kijken. ‘Nu ben je net een extra ledemaat,’ zegt hij tegen Eenoog, ‘Nu ben je mijn derde been, een been dat niet strompelt, en ik ben jouw verloren oog.’

Toch veroorzaakt Ray’s verwantschap met Eenoog een nog diepere kloof met de buitenwereld. Wanneer Eenoog een andere hond aanvalt en Ray om dit incident bezoek krijgt van de politie is er paniek alom. Halsoverkop verlaat het duo het zalmroze huis dat eigenlijk nooit een thuis is geweest voor Ray, maar ‘het huis van mijn vader en mijn eenzame opsluiting.’ Wat volgt is een roadtrip zonder bestemming. Slapend in de auto en levend van gemberkoekjes en spaghettiringetjes uit blik zonderen Ray en Eenoog zich steeds verder af.

Hoewel Baume Ray en het eentonige leven dat hij met Eenoog leidt in prachtige volzinnen en in onverwachte doch passende metaforen beschrijft, kabbelt het boek langzaam voort. Enerzijds is dit passend omdat Ray’s bestaan ook bijna geruisloos is, maar anderzijds gaat het ietwat wollige en gestileerde taalgebruik van Baume ook irriteren. Een zin als ‘zo wordt het leven weggevreten, uitgeput door de belastende uitspanning van het leven zelf’ wordt dan al snel erg zwaarmoedig.

De kracht van het boek ligt juist in de simpelere maar gedetailleerde beschrijvingen van de alledaagse dingen die Ray bezighouden. Hoewel Ray’s observaties soms achteloos of nietszeggend lijken, bemerk je als lezer steeds meer dat deze schijnbaar onbeduidende details als schillen van een ui stukje bij beetje afgepeld worden en steeds meer prijs geven over Ray’s verleden. Er borrelt en schuurt iets in zijn leven, wat met de komst van Eenoog steeds meer naar de oppervlakte lijkt te komen drijven. Baume benadrukt deze dreiging enkel terloops door middel van bijzinnen en goedgekozen voegwoorden.

Zonder dat Ray het lijkt te beseffen wordt Eenoog zijn baken en zelfs een deel van hemzelf. Maar is Eenoog uiteindelijk zijn redding of is de storm die hij veroorzaakt het begin van het einde?


Marliene Stolker (1988) studeerde Cultureel Erfgoed in Amsterdam en Comparative Literary Studies in Utrecht. Ze is een literaire veelvraat en geeft dan ook graag boekenadvies aan vrienden en familie. Schrijvers met een ereplaats in haar boekenkast zijn Franz Kafka, Zadie Smith, J.M. Coetzee, Roald Dahl en Jonathan Franzen.

Een gedachte over “Ik ben jouw verloren oog, jij mijn extra ledemaat

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s