Liefs uit Macondo

Tekst en beeld: Dorien Dijkhuis ♦ Header: Jente Hoogeveen

Macondo, 23 december

Liefste,

Bij het krieken van de dag gleden we de haven binnen. De maan stond nog bleek en scherpgerand als een nagelriem aan de hemel, maar de lucht kleurde al zalmroze. Uit het dorp steeg gekraai op van de hanen.
Dat ik per boot aankwam en niet per bus, komt zo: er is maar één weg die de hoofdstad met de rest van het land verbindt. Die weg was door stakende mijnwerkers afgesloten. Dit land is een oude man met slechte aderen. Het vergt slechts één blokkade om het hele systeem te laten dichtslibben. Ik bevond me in het hart van het infarct: het busstation. Er kwam geen bus, micro of collectiv0, meer in en de bussen die ronkend wachtten tot ze konden vertrekken, schakelden hun motors uit. Hijgend en steunend kwam het land tot stilstand.
Ik verbleef een lange middag en een avond op het busstation. Regen kletterde op het zinken dak. Er was veel te zien. Hele gezinnen in joggingpakken hingen tegen hun bagage. Uit koelboxen stegen geuren op die aan zonovergoten stranddagen deden denken. Pinda-, popcorn- en bananenverkopers deden goede zaken. Als je de diesellucht en de loketten wegdacht, had je net zo goed getuige kunnen zijn van een zondagse picknick.
Ik vermaakte me een tijdlang door naar de mensen te kijken. Op hele uren riep een damesstem de stand van zaken om. Ieder uur zei ze dat er nog steeds geen bus kon vertrekken. De tijd had geen vat op haar humeur; haar stem klonk telkens even vrolijk. Een tijdje stelde dat me gerust. Totdat het bijna middernacht was en mijn billen voelden als tropisch hardhout. Ik besloot de nacht door te brengen in een plakkerig hotel tegenover de busterminal.

Toen er de volgende dag nog steeds geen beweging in het busstation was gekomen, zat er niets anders op dan de boot te nemen. In de haven die stonk als een ontbindende straathond vond ik een kapitein en een lancha. Ik hing mijn hangmat onder het afdak op het voordek en zo gleden we de stad uit. Langzaam maakte het grijs van de industrie en de sloppenwijken plaats voor groen. Ook de lucht leek helderder naarmate we de stad verder achter ons lieten. Overdag bood het afdak bescherming tegen de zon, ’s nachts hielp niets tegen de muggen.
Aanvankelijk maakte de traagheid van reizen per boot me onrustig. De stad zat nog in mijn systeem: ik wilde veel sneller vooruit. Maar na een dag aan boord waarin ik niets anders kon dan kijken naar het voorbijglijden van de dampende jungle, ebde de onrust weg. Ik zag vrouwen halfnaakt de was doen in de rivier, kinderen sprongen bommetjes van houten steigers en grote riviermarmotten die in de zon lagen te soezen knepen als tevreden katten met hun ogen. Ik voelde weer de tinteling die ik vaker voel wanneer ik alleen op reis ben. De tinteling van het avontuur dat reizen in je eentje met zich meebrengt: het besef dat niemand weet waar je bent. Dat je ‘verdwenen’ bent. En dat jij de enige bent die bepaalt waar je heen gaat, of je vertrekt of blijft, wat je gaat eten of waar je zult slapen. De tinteling die ter hoogte van je hart begint, omhoog kruipt, je borst vult en eruit wil. Die ervoor zorgt dat je je armen wilt spreiden en naar de wolken wilt schreeuwen of huilen van geluk.

We kwamen aan op de ochtend van de derde dag. De nacht trok zich terug in de mangrovebossen en in het dorp kraaiden de hanen. Het was maar tien minuten lopen naar het centrum. Ochtendwind streek aan weerszijden van de zandweg door de bananenbladeren.
In een koloniaal gebouw op het plein waar de amandelbomen in bloei stonden, was een hotel gevestigd. In de hoge hal zat de eigenaar wijdbeens te slapen in een schommelstoel. Boven hem wiekte loom een houten ventilator. De eiken vloer glansde als een spiegel. Toen ik de lobby instapte werd de oude man wakker. Ondanks de hitte die zelfs op dit vroege uur de lucht al zwaar maakte, droeg hij een driedelig beige kostuum. Hij sloeg de vouwen uit zijn broek en overhandigde me de sleutel van een kamer op de bovenste verdieping. Vanonder zijn grijze borstelige wenkbrauwen vroeg hij me hoe lang ik van plan was te blijven. Ik twijfelde.
‘Ik vul hier wel “voor altijd” in,’ grapte hij.
Opnieuw voelde ik die tinteling. Wat als ik hier inderdaad voor eeuwig zou blijven? Mijn leven zou verplaatsen naar hier? De mogelijkheid deed me duizelen. Maar wees gerust, ik betaalde voorlopig voor vier nachten.

Ik mis je. Mis jij mij? Bedenk dat niemand eenzamer is dan hij die nog nooit een brief gekregen heeft.

Liefs2

Macondo, 25 december

Lieverd,

Ik slaap slecht. Het ligt deze keer eens niet aan het bed. Dat is groot en het matras is stevig, precies zoals ik een bed graag heb. De kamer is sowieso schitterend, met een hoog plafond, een grote spiegel, een fijne leren fauteuil en een secretaire om aan te schrijven. De luiken bieden uitzicht op de huizen rond het plein van rode aarde. Als een ijldroom hangt de hitte tussen de amandelbomen. Ondanks de comfortabele kamer lig ik de halve nacht wakker. Dat komt door de buren. Om ook de binnenste hotelkamers zonder ramen te voorzien van frisse lucht, reiken de muren niet tot het plafond, maar laten een uitsparing van twintig centimeter vrij. Mijn kamer staat dus in open verbinding met de kamer van de buren. En laten die nou net geen behoefte hebben aan slaap…
Ik zie ze ’s avonds inchecken bij de balie, telkens andere stelletjes. Eerst dacht ik aan hoeren, maar daarvoor zijn ze te verliefd en te beschroomd. Ik vermoed dat het een gebrek aan privacy is dat de verliefden naar het hotel drijft. De huizen zijn klein en hebben dunne wanden. Verhuizen doe je pas wanneer je bent getrouwd. Tot die tijd leef je met je ouders en de rest van de familie onder één dak. Privacy dus, hoewel die in het hotel ook maar relatief is, maar daar zijn de buren tenminste niet je ouders…
Tegen negenen zwermen ze het hotel binnen en bezetten alle kamers. Tot diep in de nacht luister ik zonder het te willen naar hun amoureuze gefluister, gelispel, gehijg en gekreun. Pas tegen het aanbreken van de dag laten ze me alleen met mijn gedachten.
Als ik al in slaap val, droom ik vreemde dingen. Over plaatsen waar ik me niet herinner ooit geweest te zijn en over jou: je staat op een rots in de wind en je zegt iets, maar ik kan je niet verstaan. Ik denk aan iets wat ik las van Elias Canetti en vraag me af wat het betekent als het waar is: ‘Alle dingen die je vergeten bent, roepen om hulp in je dromen.’

Liefs1

                                                                                   Macondo, 27 december

Liefste,

Ik slaap nog steeds slecht. ’s Nachts lig ik klaarwakker in het donker naar het gekreun en gebonk van de verliefden te luisteren, overdag dwaal ik als een slaapwandelaar door de zinderende straten. Rond de siësta, wanneer alles gevangen is in de greep van de verlammende hitte van het middaguur, slaap ik een paar uur. De dromen blijven komen. Ze zijn zo levensecht dat ik telkens doodmoe wakker word.
Op de markt, waar ze behalve tropische vruchten, rieten manden, hangmatten en felgekleurde kleden, ook levende kippen en gefrituurde varkenssnuiten verkopen, vond ik een winkeltje waar een oud vrouwtje prevelend balsems en kruidenmengsels aan zat te prijzen. Voor elke kwaal een kruid: van een middel tegen liefdesverdriet tot pillen voor geluk in de gokhal. Ze had ook iets tegen dromen, maar daarvoor kon ik beter bij haar thuis langskomen. Ze heet María Dolores en ik hoorde al waar ze woonde toen ik nog niet eens in de buurt was. Haar huis barst van de klokken. Slingerklokken, koekoeksklokken, pendules, wekkers, staande klokken, haar woning staat er vol mee. Allemaal geven ze een andere tijd aan, zodat haar huis een kakofonie is van klokgelui.

María Dolores lijkt van perkament. Aan de lijnen in haar gezicht zie je dat ze veel gelachen, maar ook veel geleden heeft. Ze viert binnenkort naar eigen zeggen haar 154ste verjaardag. Dat heeft ze aan die klokken te danken.
‘Ze zijn om de duivel in verwarring te brengen,’ fluisterde ze toen ik ernaar vroeg. ‘Zo weet hij niet wanneer hij me moet komen halen.’
Ik dacht aan alle dingen die María Dolores heeft meegemaakt, al die geschiedenis waarvan ze getuige is geweest. Ze was erbij toen de zigeuners voor de laatste keer het dorp binnentrokken om hun nieuwste uitvindingen te tonen. En ook toen de verschrikkelijke storm opstak die Macondo bijna geheel van de kaart veegde.
Ze herinnert het zich alsof het gisteren was. De straten ademden een troosteloze verlatenheid en de vogels waren het dorp vergeten. Het onkruid overwoekerde alles en het was nauwelijks mogelijk te slapen vanwege het lawaai van de rode mieren die als levende lava de huizen binnenstroomden en alles opvraten wat er op te vreten viel, inclusief de Buendía-baby, de laatste telg van het beroemdste geslacht dat Macondo ooit heeft voortgebracht. Daarna kwam de wind die alles oppakte en neersmeet. Het rivierwater trok zich terug en legde van alles bloot dat eeuwenlang bedekt was geweest. Het regende nog twee dagen vissen.
Het had haar verbaasd hoe veerkrachtig de mensheid was. Blaas haar omver en ze buigt mee als riet langs de rivieroever. Ook de amandelbomen overleefden de beproeving. Ze hadden gebogen, maar waren niet gebroken.
Om de herkomst van mijn kwaal te achterhalen, staarde ze zo diep in mijn ogen dat ik dacht dat ze in mijn hart zou kunnen kijken.
‘Als ik het niet dacht, mijita,’ zei ze. ‘Niemand ontkomt er hier aan.’

Ik vergezelde María Dolores naar het kerkhof waar ze elke avond het graf van haar man bezoekt. Gearmd liepen we de heuvel op. Ze miste haar echtgenoot vreselijk. Het was de enige kwaal waarvoor ze geen remedie had.
‘De eenzaamheid is een vloek hier, mijita,’ zei ze. ‘Hele families gingen eraan ten onder. Het komt door de tijd. Die verstrijkt hier niet, maar draait rond in cirkels.’
Ze stopte even om op adem te komen. Ze streek met een droge zachte hand langs mijn wang en zei: ‘Ook jij ontkomt er niet aan.’
De graven waren in vrolijke kleuren geschilderd en overal brandden kaarsjes. Vanaf de heuvel had je uitzicht over de bananenplantages. In de verte lag de oceaan. Ik legde bloemen op het familiegraf van de Buendías dat bijna de helft van het kerkhof in beslag nam.
Ik vroeg María Dolores wat me te doen stond.
‘Blijf niet te lang,’ zei ze. ‘Vertrek zolang je nog kunt.’
Aan de voet van de heuvel namen we afscheid. In de verte flakkerden de kaarsjes op de graven van Macondo’s voorouders als sterren. Ik dacht aan de woorden van José Arcadio, de stichter van het dorp: ‘Je bent pas ergens thuis wanneer je er je eerste dode hebt begraven.’
Morgen zal ik naar de haven gaan en een boot zoeken. Als alles meezit, ben ik voordat het jaar om is terug bij jou.


Dorien Dijkhuis (1978) is schrijver en journalist. Ze schrijft poëzie, proza en reisverhalen. Voor de rubriek ‘Literaire Bestemmingen’ doet ze wat ze het liefst doet: schrijvend reizen en reizend schrijven. Zie ook www.doriendijkhuis.nl.

3 gedachtes over “Liefs uit Macondo

  1. Wat heb je een bijzondere prettige en toegankelijke schrijfstijl. Ik vind het erg leuk iets van je te lezen en wil je graag blijven volgen.
    Liefs
    Lidia

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s