Lize Spit - Het smelt

Voorpublicatie Het smelt

Op 14 januari verschijnt de langverwachte debuutroman van Lize Spit bij Das Mag Uitgevers. Wij mogen jullie alvast voor laten proeven met een hoofdstuk uit Het smelt:

12 juli 2002

Laurens belde vanochtend met de vraag of ik zin had om mee op de boerderij te gaan zwemmen. ‘We moeten het wel nog aan Pim vragen maar zolang we het beiden alvast een goed idee vinden, valt hij wel te overtuigen.’ Ik draag mijn badpak onder mijn kleren. Het is nog steeds het oude, te kleine exemplaar en daar waar gisteren de bandjes zaten, voelen mijn schouders gekneusd. Mijn regels zijn even plots opgehouden als ze er gekomen zijn.
Laurens en Pim bevinden zich niet in het nieuwe zwembad, maar naast de stallen, op een van de grote met wit zeil overtrokken bergen. Ze staan recht, op de top. Ik knijp mijn ogen tot spleetjes om tegen al het weerkaatste licht in te kunnen kijken. Zo, schimmig, heeft de berg iets van een bruidstaart. Laurens en Pim zijn het suikerpostuurtje erbovenop.

Van Pims ouders mochten we altijd overal op het erf spelen, maar vier plaatsen waren verboden: de linkerkant van de hooizolder – het hooi ligt er te dun, we zouden erdoorheen kunnen zakken –, de garage met de smeerput – het houten deksel is rot en verraderlijk –, de beerputroosters in de oude stal – niet meer betrouwbaar – en de witte bergen. Daarvoor hadden ze nooit een reden gegeven. Hiervan moesten we aannemen dat ze verboden terrein waren, al zag niets op de hele boerderij er zo onschuldig en aanlokkelijk uit.
Op een verjaardagsfeestje had Laurens eens een voet op het plastiek gezet. Pim had hem hardhandig aan de kap van zijn jas naar de begane grond getrokken. De kap was losgesprongen van de drukknopen.
‘Wat ligt er dan onder dat zo gevaarlijk is?’ had Laurens gepiept nadat hij eerst luid gorgelend een minuut had staan stikken.
Pim had geen verklaring gegeven. Hij had zich omgedraaid en was weggelopen. Die verdere namiddag waren Laurens en hij zich blijven gedragen als katten die net gejongd hadden.
Onderweg naar de middelbare school bedachten Laurens en ik hier theorieën over. Onder dat plastiek zouden dode beesten liggen, bezweken aan de dollekoeienziekte. Of erger nog: drugs, geteeld in de stallen of op de velden in het Bovenmeers Gebroekt. De conclusie: Pims ouders waren de oorzaak van de dollekoeienepidemie in de jaren negentig. Ze waren de maffiosi van de landbouwindustrie.
Ik kruip langs de minst steile flank de berg op. De punten van mijn turnpantoffels plaats ik voorzichtig in de gleuven van de rubberen autobanden, om de eventuele zieke koeien eronder niet te raken. Warm regenwater klotst omhoog bij elke stap.
Ik kom boven met natte turnpantoffels. Pim en Laurens hebben plaatsgenomen in een tractorwiel dat plat op de hoge berg ligt, zoals in een zwemband, benen over de rand. Hun haren zijn warrig door de wind die zelfs vandaag, op een bloedhete dag, tussen de halfopen stalmuren woedt.
‘Wat zijn jullie aan het doen?’ vraag ik.
‘Niets,’ zegt Laurens.
‘Nietsdoen is ook iets doen,’ zegt Pim.
Een streng van mijn haar blijft plakken in een van mijn mondhoeken. Het verspreidt een chemische smaak. Ik spoot er deze ochtend lak op, in de hoop er eens wat anders mee te kunnen doen, er volume in te brengen. Maar het maakte mijn haren plakkerig en zwaar, en nu hangt het in stijve pieken langs mijn voorhoofd. Ik was ervan uitgegaan dat ik het er toch meteen zou kunnen uitspoelen met zwembadwater.
‘Jij mag beslissen wat we gaan doen.’
Ik zet me iets verderop neer in een kleinere band. Dichterbij is er geen zitplaats. Het is een tijdje stil.
‘Wat was er al die jaren dan zo gevaarlijk aan dit alles?’ Ik wijs naar de zee van heet geworden plastiek om ons heen.
‘Inderdaad!’ valt Laurens mij bij omdat Pim er niet op ingaat. ‘Waarom mochten we hier dan zolang niet komen, en nu plots wel?’
We kijken Pim aan. Het heeft hoogstwaarschijnlijk iets met Jan te maken. Maar misschien heeft elke recente verandering op deze boerderij in onze ogen met de dood van Jan te maken.
‘Er ligt ingekuild voedsel onder,’ legt Pim uit. ‘In de maanden dat gras snel groeit, maar het veld niet droog genoeg staat om er hooi van te maken, verhakkelen we het en slaan het op als veevoedsel. Dit is de belangrijkste grondstof van dit bedrijf: koeienvoer. Wie de berg beklimt, kan het plastiek doen scheuren. Dan komt er vocht en lucht in. Dan gaat het voedsel rotten, alles kun je dan weggooien.’
Laurens en ik luisteren knikkend. Hoe vaak hebben wij Pim op zomerdagen opgebeld om te vragen of hij zin had mee te gaan zwemmen in de Put? Hoe vaak zei Pims moeder dat haar zonen aan het helpen waren op het veld, dat we een andere keer moesten proberen? Al de tijd die Laurens en ik noodgedwongen met elkaar moesten doorbrengen, in ruil voor twee bergen.
Natuurlijk zijn we in staat te begrijpen welke waarde ze hebben. De vraag blijft waarom we vandaag dan wel het risico zouden nemen dit tevergeefs te maken.
‘En nu mag het plots wel?’ vraag ik.
‘Nee, maar zie jij nog iemand die ons probeert tegen te houden?’ zegt Pim.
Het is een paar tellen stil.
‘Wat komen jullie hier eigenlijk doen?’ vraagt hij dan. Het klinkt onvriendelijker dan hij bedoelde, geloof ik.
‘Zwemmen?’ Laurens kijkt mijn richting uit.
‘Oké,’ zeg ik.
Pim verdeelt zijn blik even lang over ons beiden.
‘Of waarheid, durven, doen? Kan ook,’ zegt Laurens snel.
Pim steekt een duim op. Er beweegt een wolk voor de zon. Het wordt meteen een paar graden koeler.
Laurens werpt een blik naar me – dit is allemaal jouw schuld.
‘Jij bijt het spits af.’ Pim klopt op Laurens’ knie.
‘Waarheid,’ zegt hij, op spookachtige toon.
‘Een vraagje om erin te komen, dan,’ zegt Pim. ‘Wat is het gênantste dat jij, Laurens Torfs, ooit meegemaakt hebt?’
Laurens denkt diep na, maakt er een brommend geluid bij om te laten weten dat hij ermee bezig is. Volgens mij verraadt het vooral dat hij niet nadenkt over hét gênantste dat hij ooit meegemaakt heeft. Nee, dat zou klaar zitten. Hoe langer iemand over iets moet nadenken, hoe minder waarheid je mag verwachten. Hij zal met iets komen dat minder gênant is, maar net nog genoeg beschamend.
Pim zit voor zich uit te staren, naar de lucht boven de stallen. Hij denkt alvast wat hij zou verzinnen op deze vraag. Gestelde vragen komen bij dit spel altijd als een boemerang in je eigen gezicht terug.
‘Ik heb mijn moeder en vader eens betrapt in de winkel na sluitingstijd,’ zegt Laurens.
‘Betrapt op wat?’ vraag ik.
Hij rolt met zijn ogen.
Pim grijnst, niet erg onder de indruk. Het is aan hem. Hij kiest ‘doen’. Hij wil niet onderdoen.
‘Drink uit een van die banden.’ Laurens wijst naar de grote tractorband waar een bodempje groen water in staat.
Pim denkt er geen seconde bij na. Hij zakt op zijn knieën, zet zijn lippen tegen het rubber, neemt een grote slok. Ik zie een klein leger dikkopjes wegzwemmen. Pim slikt het door, houdt het allemaal binnen. Dan draait hij zijn hoofd mijn kant op.
‘Jouw beurt.’
‘Waarheid.’
‘Wat is het ergste dat jij hebt meegemaakt?’ vraagt Pim.
In navolging van Laurens overloop ik niet wat het ergste is, maar iets dat erg genoeg is en kan verteld worden. Moeder en vader die met een aardappelmes in de keuken tegenover elkaar stonden, maar het beiden niet over hun hart kregen om als eerste uit te halen.
‘We hebben mama ooit in de kruiwagen naar huis gedragen na de verenigingenquiz,’ zeg ik.
Laurens zwijgt. Pim proest het uit, waarop ook Laurens dan maar in lachen uitbarst. De rest van het verhaal besluit ik niet meer te vertellen. De tranen van het lachen staan in hun ogen. Ook ik wrijf in mijn ooghoeken.
‘Allemaal goed en wel,’ besluit Pim, ‘maar dit lijkt mij vooral het ergste dat jouw moeder heeft meegemaakt. Vertel iets over jezelf.’
Ik denk na maar ik kan alleen op andermans verdriet komen. Leed waarvan ik getuige was, waarnaar ik bleef kijken, tot het ook van mij werd. Door het delen zou de dichtheid ervan afnemen, zou het voor beiden draagbaarder worden.
‘Het ongeluk van Jan is toch ook het ergste dat jij al hebt meegemaakt, al ben je daar zelf niet dood voor moeten gaan?’ zeg ik.
De stilte die valt, wordt opgevuld door boerderijgeluiden: het klikklakken van de ijzeren voederbakken, het brommen van de koeltankmotor in het melkhuisje, het geloei. Koeien klinken altijd of ze ergens pijn hebben.
‘Dat is iets anders,’ zegt Pim kort. ‘En wie zegt dat de dood van Jan het ergste is dat ik heb meegemaakt?’
‘Jan heeft er zelf in elk geval geen last meer van,’ zegt Laurens.
Ik kijk naar de reactie van Pim, maar er komt niets.
Er drijven witte wolken over, enkel achter hem blijft de horizon zuiver blauw.
‘Oké, nu eerlijk,’ verzin ik. ‘Het ergste dat ik zelf heb meegemaakt: onderweg naar mijn grootouders in een file moest ik eens zo dringend dat ik het in mijn broek deed.’
‘Pis of kak?’ vraagt Laurens.
‘Beide,’ verzin ik.
Deze zit. Ze knikken condolerend.
‘Dat is erg, Eva.’

De hoogte van de berg levert een bijzonder uitzicht op over het landschap achter de boerderij. Als dit een schilderij was, zou er veel geld voor worden betaald. Rechts liggen velden, links kijk ik uit op de bovenkant van de stallen.
Dit uitzicht zou wel eens de échte reden kunnen zijn dat we hier nooit mochten komen, op deze hopen gras. Omdat het ons in staat stelt een overzicht over het hele erf te hebben, over het vuil op de staldaken, te weten dat ook dit maar is wat het is, een vuile melkerij.
Pims vader is op de vaste grond met allerlei taken bezig, teruggetrokken. Even kijkt de man op. Waarom komt hij er niets van zeggen, dat we boven op de berg ingekuild gras zitten, zijn harde werk dreigen stuk te maken? Hij zoekt even oogcontact met me.
‘Aan de hoeveelste honk zit jij eigenlijk?’ vraagt Pim aan Laurens. ‘Eerlijk toegeven.’
‘Wat bedoel je met “honk”?’
‘Bij ons op school noemen ze het honken. Er zijn er zes. Kussen, borsten voelen, vingeren, beffen. Dan heb je nog hok vijf, seks, en een homerun.’
‘Wat is de homerun dan?’
‘Wie dat vraagt, mag zeker zijn dat hij zover nog niet is.’
Laurens en Pim zitten tegenover elkaar. Hun broekspijpen vangen wind, ze hebben hele dikke kuiten.
‘Wie zegt dat ik voor “waarheid” koos?’ zegt Laurens.
Het is even stil.
‘Kom op, zeg het dan,’ zegt Pim.
‘Ik zit aan honk drie,’ beweert hij. ‘Waar zit jij dan?’
‘Honk vijf. Langzamerhand klaar voor een homerun.’ Pim steekt vijf vingers op, maakt er vervolgens een vuist van, slaat deze in zijn andere hand.
Weer trekt er een wolk voor de zon. Een schaduw glijdt over het dak van de stal.
‘Wat is het ergste dat jíj iemand hebt aangedaan?’ vraag ik Pim, nadat hij voor waarheid kiest. ‘Het ongeluk van Jan telt dus niet,’ zeg ik, ‘want daar kon jij niets aan doen.’
Hij moet er niet lang over nadenken. Zijn dankbare blik maakt plaats voor een grijns.
‘Ik heb eens een pingpongbal in het achterste van een koe gestoken.’
‘En…?’ vraagt Laurens.
‘En wat?’
‘Is die er weer uit gefloept?’
Pim fronst zijn wenkbrauwen samenzweerderig. ‘Nee hoor. Die zat diep genoeg.’
‘Waarom zou je zoiets doen?’ vraag ik.
‘Waarom zou ik het niet doen? Niemand is het ooit te weten gekomen.’
Ik kijk terug in de verte. Pims vader is inmiddels uit het zicht verdwenen. Hij, de man die zijn koeien kan herkennen aan de vlekken op hun rug, heeft voor zijn zoon de grootste blinde vlek.
‘Eva, jouw beurt,’ zegt hij.
Ik kies opnieuw voor de waarheid.
‘Wat is het ergste dat jij ooit hebt gedaan?’ kaatst Pim de vraag terug.
Ik denk even na. Ik geef toch maar het eerste dat in me opkomt.
‘Ik heb het paard van Elisa gedood.’
Pim trekt grote ogen. ‘Hoe dan?’
‘Ik heb Twinkel suiker gevoederd. Daar gaan ze blijkbaar direct dood van.’
‘Wie heeft je dat wijsgemaakt? Dieren gaan niet dood van suiker. In de vleesindustrie pompen ze ze vol met veel ergere dingen. Je hebt ’m niet vergiftigd, je hebt ’m hooguit een kilo vetgemest.’ Laurens imiteert de knipoog van zijn vader. ‘Slagerszonen weten zulke dingen zeker, wees gerust.’
Probeert hij me nu gerust te stellen, of vindt hij dit antwoord weer onvoldoende?
De zon komt opnieuw door. Het witte plastiek licht op. De stralen lijken onderweg te beseffen dat ze teruggekaatst zullen worden, dus buigen ze af, naar dat stukje blote huid in mijn nek. Het stinkt naar verbrand rubber. Ik wil rechtstaan, maar mijn krappe badpak drukt me neer. ‘Lauwe, kies jij eens voor wat actie.’
‘Oké dan: doen,’ zegt hij.
‘Ik heb een perfect klusje voor je…’ Pim wacht even met praten, om de spanning erin te houden. ‘Ik duid de koe aan, jij haalt het balletje eruit.’
Laurens schudt zijn hoofd.
‘Kom op, ben je zoon van een beenhouwer, of niet?’ zegt Pim.
Pim komt recht uit de tractorband, de wind ontsnapt uit zijn broekspijpen. Zijn billen lijken nu smaller dan ooit.
Voor we de stallen in gaan trekken Laurens en ik de laarzen aan die aan de grote poort staan. Ik neem het grootste paar. Ze passen zonder dat ik mijn turnpantoffels moet uitdoen. De stal is opgetrokken uit beton en met golfplaten bedekt. Hier waait het niet. Waar we door de stallen wandelen, trekken de koeien hun slijmerige neuzen achteruit. Hun hoofden stoten tegen de ijzeren baren. Dat maakt het helse, klikklakkende geluid dat voortdurend op de hele boerderij weerklinkt.
We klimmen over de omheining, lopen tussen de dieren. We vertrappelen de uitwerpselen, er stijgt een geur van bedorven gras en muffe aarde op. De koeien worden groter naarmate we er dichterbij komen. Laurens, die eerst nog vastberaden achter Pim aan liep, vertraagt. Het rund waar we op afstevenen staat onder een grote borstel te draaien. Ze wappert met haar staart, klopt de vliegen van haar billen. De heupbeenderen steken door de rug heen. Pim gaat achter het dier staan, neemt een houten bezemsteel. De omstaande koeien maken zich uit de voeten, hun uiers klotsen heen en weer. Pim wenkt Laurens.
‘Dit is een pink,’ zegt hij. ‘Iets tussen een moeder en een kind. Met andere woorden: een lekker beest.’
De pink schudt haar kop zenuwachtig heen en weer. Pim leidt haar met de bezem naar de zijkant, daar waar de koeien normaal gezien worden gestald wanneer ze drachtig zijn. Het dier slentert opgejaagd, verplaatst haar gewicht van haar ene naar haar andere achterpoot. Haar slappe uier zwiept heen en weer.
Pim zet een stap naar achteren. Even kijkt Laurens hulpeloos om zich heen. Hij weet niet wat te doen. Dan vermant hij zich en loopt naar voren. Op dertig centimeter blijft hij weer staan. De anus van het dier hangt naar buiten.
‘Je moet in het bovenste gat!’ zegt Pim. ‘Anders zit je in haar baarmoeder.’
Laurens rolt de mouw van zijn rechterschouder op, wrijft zijn handen in elkaar. De koe wordt onrustig, verlegt haar gewicht steeds sneller van poot naar poot, met haar staart kan ze ons net niet raken. Ze weet wat er nu gaat komen. Aan de omheining drommen een paar dieren samen, een van hen loeit aanmoedigend.
‘Zou je niet met links doen? Anders blijft die arm stinken,’ zegt Pim.
Laurens kijkt naar mij. Ik zwijg. Op een krukje staan wat spullen. Pim wijst naar een flesje. ‘Wrijf daar je hand mee in.’
‘Zeker dat hij dit moet doen?’ vraag ik.
‘Hier.’ Pim spuit het slijmerige middeltje op het gat. Hij neemt Laurens zijn rechterarm bij de pols. Laurens laat het toe. Pim duwt de vingertoppen een halve centimeter naar binnen. Het gaat stroef. Laurens’ hand hangt slap tegen het gat van de koe aan. Hij durft niet duwen.
‘Geen vuist maken maar dit doen.’ Pim beweegt zijn arm naast hem door de lucht, voert een crawlslag in slow motion uit. ‘Niet te voorzichtig zijn.’
Langzaam wriemelend, verdwijnt Laurens’ hand in het gat. Dan zijn pols, dan zijn onderarm.
‘Zie je wel?’ zegt Pim. ‘Het balletje zit op schouderdiepte.’
Hij knipoogt naar mij, maakt zijn denkbeeldig baantje af, dit keer met twee armen in crawlslag. Ik weet meteen: er is niets in dat gat te vinden. Aanvankelijk hoopte ik hierop, dat Pim niet tot zoiets barbaars in staat zou zijn. Maar waar hij Laurens nu toe heeft aangezet is al even erg.
Laurens baant zich verder een weg naar binnen, zit bijna tot aan zijn nek in het dier. Hij moet op zijn tenen gaan staan om nog dieper te kunnen gaan.
‘Ik heb het, denk ik! Ik voel iets,’ roept hij. Het dier blaast haar buik op, haar uier schommelt. Ze zou Laurens met gemak met een omgekeerde wind in haar darmkanaal kunnen opslorpen.
Eerst staat Pim wat te grijnzen.
‘Er is geen pingpongbal,’ zeg ik zacht.
Pim geeft mepjes tegen mijn bovenarm. Plots houdt hij daarmee op. Zijn blik is gericht op de laarzen aan mijn voeten. Hij kijkt naar mijn gezicht, dan weer naar de laarzen. Ik zie het aan de manier waarop hij wegwandelt: ik heb Jans laarzen aan.
Ik wil achter hem aan gaan maar Laurens, half in de koe, heeft Pims vertrek nog niet opgemerkt.
‘Er is geen pingpongbal!’ Mijn stem klinkt schel.
Het kost Laurens enkele tellen om de boodschap tot zich te laten doordringen. Hij trekt zijn arm terug. Wat zou hij het ergste vinden: dat er helemaal geen balletje is of dat Pim al lang niet meer meekijkt?
Het dier trekt haar achterste samen, en laat het weer los. Met Laurens’ arm komt er stront mee naar buiten. Het dretst naar beneden, tussen zijn benen. Een deel komt terecht tegen zijn scheen, druipt in de laars. De koe blijft zenuwachtig wiegen. Op het slijm dat uit haar gat druipt, vormt zich een bel.
Ik trek de laarzen uit maar ze willen niet lossen. Mijn eigen pantoffels blijven binnenin vastzitten.
Ook Laurens staat overstuur te klungelen. Hij veegt zijn arm af met het dichtstbijzijnde stro. Ik reik hem de handdoek aan die iets verderop aan een reling hangt. Hij kijkt naar de laarzen in mijn handen, naar mijn sokkenvoeten. Ik bevrijd mijn schoeisel.
‘Ik had geen idee dat deze van Jan waren,’ zeg ik.
Laurens’ woede slaat om in bezorgdheid.
‘Waar is Pim heen?’
Hij loopt de stal uit in de richting die ik aanwijs. In het tegenlicht zie ik hem zijn linkerarm van zich weghouden. Het vel heeft de vreemde, oranje kleur van mensen die zelfbruiner hebben aangebracht zonder eerst de gebruiksaanwijzing door te nemen.

Ik zet Jans laarzen aan de staldeur exact zoals ik ze heb aangetroffen, de ene leunend tegen de ander. In de verte zie ik Laurens naast Pim aan de voet van de berg zitten, ieder op een rechtstaande band.
Wat zou Pim nu aan het vertellen zijn? Zouden ze het over Jan hebben? Zou hij eindelijk zijn hart luchten? Ik beweeg dichterbij.
‘Oké. Een allerlaatste, dan. Doen,’ besluit Pim.
Ik kan niet verstaan wat Laurens hem vervolgens opdraagt. Pim komt recht van de band. Hij klopt zijn broek af, al hangt daar niets van vuil of stof. Het is een gebaar dat ik zelf ook vaak maak, de reflex is overgebleven van al de namiddagen die we samen op onze knieën in het hooi doorbrachten.
Hij klimt een paar meter op de berg. Hij stopt, om even in de verte te staren, in de richting waar ik zijn vader daarstraks ook zag bewegen: af en aan rijdend met de tractor, overal sporen van mest achterlatend.
‘Komaan, waar wacht je op?’ Laurens is naast mij komen staan.
Pim kijkt ons strak aan. Dan bukt hij, plant een vinger in het plastiek, doorboort het.


Lize Spit (1988) woont in Brussel. Ze schrijft scenario’s, proza en poëzie en publiceerde o.a. in Het Liegend Konijn, De Gids en Das Magazin. In 2013 won ze zowel de jury- als de publieksprijs van Write Now!.

4 gedachtes over “Voorpublicatie Het smelt

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s