‘Op ambitie word je makkelijker afgerekend.’

Door: Jonathan van der Horst ♦ Beeld: Keke Keukelaar

Het jaar is nog maar net begonnen, maar het dikste debuut van 2016 ligt nu al in de winkel. Lize Spit (1988) schreef de ambitieuze roman Het smelt van op de kop af 478 pagina’s dik. Daarin sleept ze je langzaam mee in de wereld van het dorpje Bovenmeer, waar de vrienden Pim, Laurens en Eva ontsnapping zoeken aan de verveling van de lange saaie zomermaanden. Een zoektocht die onschuldig begint maar uiteindelijk uitmondt in een bloedbad. Ik sprak Lize in de donkere dagen tussen kerst en oud en nieuw over de zoektocht naar een uitgever, de schoonheid van kleine dorpjes en de donkere kant van de mens.

Wanneer ontstond het idee voor deze roman?
‘Een paar jaar geleden had ik het idee om iets te schrijven rondom deze drie jongeren. Over hoe verhoudingen veranderen wanneer ze in de puberteit komen en hun veilige vriendschap onderhevig wordt aan prille, seksuele driften. Ik vond dat een interessant gegeven. Eerst wilde ik het verhaal vertellen vanuit het perspectief van een vijftigjarige man die terugblikt op zijn jeugd, waarin hij door zijn eigen vrienden vernederd werd. Maar ik merkte na een tijdje dat de stem die ik hanteerde niet overeenkwam met die van een vijftigjarige man. Toen ben ik gaan zoeken naar een personage dat dichter bij mijzelf lag en zo ben ik uiteindelijk bij Eva uitgekomen.’

Wist je toen je begon al dat het zo’n omvangrijk boek zou worden?
‘Nee, eigenlijk niet. Het verhaal heeft dat bepaald. Toen ik de juiste stem gevonden had, kwam er heel veel los, begon het verhaal te vertakken. Ik heb een structuur uitgezet, het begin en het einde heb ik eerst geschreven en aan aantal pagina’s volstond dat al als roman. Maar ik kon nog niet stoppen, want er was nog geen midden. Dus ik ben blijven doorschrijven tot alles verteld was en mijn verhaal rond was. Ik heb nooit van te voren gedacht: kom, laat ik nu eens een heel dik debuut schrijven. Ik besefte gaandeweg pas dat het wel erg stevig zou worden. Trouwens, voor een debuut is dat eigenlijk niet echt een pluspunt. Op ambitie word je namelijk makkelijker afgerekend.’

Je geeft je boek uit bij de nieuwe uitgeverij van Das Magazin. Hoe ben je daar terecht gekomen?
Dat is eigenlijk een heel parcours geweest. Nadat ik in 2013 Write Now! had gewonnen, kreeg ik veel aanbiedingen van uitgeverijen. Omdat ik op dat moment nog niet wist waar ik wilde tekenen, koos ik voor coaching bij het literaire agentschap van Sebes & Van Gelderen (tegenwoordig Sebes & Bisseling, red.). Ik dacht dat zij konden helpen bij de keuze voor een uitgeverij. Maar ik kreeg niets op papier. Ik wilde weten voor wie ik aan het schrijven was, wie mijn redacteur/eerste lezer zou zijn. Die onzekerheid werkte verlammend.
Uiteindelijk ben ik bij Sebes weggegaan en heb ik mijn keuze toegespitst op De Bezige Bij en Das Magazin. Twee heel verschillende uitgeverijen. Ik heb voor beide de eerst 30.000 woorden van het boek geschreven en op basis van de feedback die ze me daarop gaven, heb ik mijn keuze gemaakt. Pas toen ik wist bij welke van de twee ik ging uitgeven, kon ik gaan beginnen met schrijven.
De band met je redacteur is eigenlijk belangrijker dan eender wat. Bij Das Mag voelde ik me thuis. Mijn redacteurs, Marscha Holman en Daniël van der Meer, gaven me het zelfvertrouwen dat ik nodig had.

Das Magazin had 3000 mensen nodig om de opstart van hun uitgeverij te crowdfunden. Was dat ook nog spannend voor jou?
Ook voor mij was dat zeker een risico. Als we die 3.000 niet gehaald zouden hebben, had ik hier nu mooi gestaan met mijn debuut zonder uitgever. Maar nu die 3.000 oprichters er zijn, heb ik al meer boeken verkocht dan een gemiddelde debutant, omdat alle oprichters ook mijn boek krijgen. Mijn boek is dus eigenlijk al een succes voordat het in de winkel ligt.

Vind je het belangrijk dat je boek een succes wordt?
Ik ben bereid hard te werken om dit boek te doen slagen. Ik heb niet veel andere plannen voor de toekomst dan schrijven en daar hopelijk wat geld mee te verdienen. Dat hoeft niet veel geld te zijn, maar ik wil er wel van kunnen leven. Als je er niet over nadenkt, hoe je dat geld gaat verdienen, en je niet genoeg discipline aan de dag legt, denk ik dat het moeilijk is om van je boeken te leven. Schrijven is voor mij in dat opzicht ook maar gewoon een beroep. Ik heb dan ook letterlijk een kantoor op een grijs bedrijventerrein waar ik elke weekdag heen ga om te schrijven.

Je boek speelt zich af in de Kempen, een streek in Vlaanderen. Hoe zou je de sfeer in zo’n dorp het best kunnen omschrijven?
In het dorp waar ik geboren ben, wonen maar zo’n 1.000 mensen. Heel klein dus. Iedereen kent elkaar daar. Ik weet nog dat als er vroeger een ambulance door het dorp reed, wij er achteraan renden om te zien waar hij ging stoppen en wat er bij die mensen gebeurde.
Je hebt ouders die je een opvoeding geven, maar in zekere zin heb je ook een dorp dat je opvoedt. Ik ben van inborst nog steeds erg dorps. Als er nu in Brussel een politiewagen voorbij komt, heb ik soms nog steeds de neiging om te gaan kijken waar hij naartoe gaat.
Nog iets typisch aan een dorpsmentaliteit is de veroordelende blik. Mensen in een dorp zijn niet per se wereldvreemd maar wel vaak bang voor het onbekende. Zelf moet ik soms ook nog oppassen om niet te veroordelend te zijn, meer open naar anderen te kijken en mijn sensatiezucht niet te laten primeren.
In mijn boek ben ik best wel hard voor dat soort kleinschalige samenlevingen. Dat besef ik eigenlijk nu pas. In het boek lijkt het alsof ik er nooit graag heb gewoond. Maar in zo’n dorp is ook veel rijkdom. Mensen laten de deur van hun huis vaak gewoon open als ze weg gaan en men zet een fiets zonder slot aan de kant van de weg. Dat zie je in een stad gewoon niet, dat soort vertrouwen. Ik besef nu pas hoe kostbaar dat is.

Je presenteert je boek in je geboortedorp. Ben je bang dat de mensen daar zich aangevallen zullen voelen door de confronterende manier waarop je over het dorp hebt geschreven?
Ik dacht dat mensen genoeg afstand zouden kunnen nemen van het verhaal. Dat ze zichzelf er niet graag in zouden willen herkennen. Maar nu ik de eerste reacties gekregen heb, merk ik dat mensen zich wel willen herkennen en dat maakt het moeilijk. Ik kreeg bijvoorbeeld de vraag: ‘Waarom lijkt dit personage niet op iemand uit het dorp?’ Maar heel veel personages heb ik ook gewoon zelf verzonnen. Het is nooit mijn bedoeling geweest om een letterlijk afdruk van de gemeenschap te maken, wel om aan de slag te gaan met de meest herkenbare kenmerken, en zo een representatie te maken van eender welk klein Kempisch dorp. Het is niet aan mij om uit te leggen wat de waarde van literatuur is. Op zich heeft geen enkel boek verantwoording nodig.

Ben je daar tijdens het schrijven mee bezig geweest? Met hoe je verhaal op anderen gaat overkomen?
Die vraag werd me ook gesteld: of ik geen schaamte heb gevoeld tijdens het schrijven. Het antwoord is: nee. Dat klinkt nu misschien heel verheven, maar tijdens het schrijven ben ik een schrijfster en dan denk ik alleen maar wat het beste is voor mijn verhaal. Ik ben bereid om mijn grootste geheimen te verklappen, als het maar een goed verhaal oplevert. Pas als ik klaar ben met schrijven en ik een beetje afstand heb, besef ik wat ik allemaal heb opgeschreven, hoeveel ik van mijzelf daarin verkocht heb. Als schrijver ben ik echt genadeloos, maar als persoon ben ik dat helemaal niet. En dat is wat gebeurt, nu het boek klaar is: die twee gezichten zitten elkaar in de weg. Nu denk ik dat als ik minder dicht bij mezelf was gebleven, er misschien minder verwarring was ontstaan. De dertigjarige Eva, mijn hoofdpersonage, is heel verbitterd, heel pessimistisch en heeft geen enkele hoop meer. Terwijl ik dat absoluut wel nog heb. Eva gelooft niet meer in de liefde, ik geloof daar met heel mijn hart in. Mensen hebben vaak moeite met het verschil zien tussen mij als schrijver en mij als persoon. Maar voor mij zijn dat twee heel verschillende werelden.

Op de site van de uitgever staat dat je de roman niet als autobiografisch zou omschrijven, maar wel als persoonlijk. Wat wordt daarmee bedoeld?
Toen het boek klaar was, wilde ik wel dat mensen het zouden lezen, maar ik had geen zin in de vragen over het al dan niet autobiografische aspect van het boek. Ik wilde niet dat de roman als autobiografisch in de markt zou worden gezet om sensatie te wekken. Natuurlijk is het wel een persoonlijk verhaal en er zijn veel overeenkomsten. Eva heeft, hoewel onze levensvisies misschien niet gelijk zijn, wel heel erg mijn innerlijke stem, en het speelt zich af in mijn geboortestreek. Mensen zouden al snel de link leggen.
Nu begrijp ik wel dat, hoe meer je er over begint, hoe meer mensen er naar vragen. Maar ik vind dit zelf een belangrijk onderscheid. Trouwens, bestaat een zuiver autobiografische roman wel? Schrijvers kijken altijd door een vizier, zoeken tragiek, dat maakt hen hoogst onbetrouwbaar.

In je boek komt veel geweld voor. Zowel fysiek, seksueel als psychologisch geweld. Wat interesseert jou zo aan deze donkere kant van de mens?
Ik denk dat iedereen dit interesseert. De lichte kant is namelijk de kant die iedereen altijd ziet. Die kennen we inmiddels wel. Maar aan de donkere kant valt nog wel wat te ontdekken. Vroeger als kind las ik liever de ongekuiste sprookjes van de gebroeders Grimm, die met de afgehakte hoofden. Wraak en jaloezie, ook belangrijke thema’s in dit boek, leiden in sprookjes vaak tot bloedvergieten.
Ik heb in dit boek onderzocht hoever ik, zonder de liefde voor mijn personages te verliezen, in dat donkere kon afdalen. Ik heb een extreem eindpunt genomen en gekeken hoe, als ik het maar traag genoeg zou opbouwen, ik de lezer toch mee over de eindstreep kan krijgen. Ik denk dat de lezer daar met een veel korter verhaal meer moeite mee zou hebben.

Hoe voel je je nu het boek bijna de wereld in gaat?
Dit vind ik eigenlijk de minst leuke periode van het schrijven. Je schrijft en je schrijft en je denkt de hele tijd: als het boek af is, dan is het van mij. Maar als het af is dan is het eigenlijk al niet meer van jou, want dan gaat het naar de corrector, de zetter en de drukker, en dan heeft iedereen er een mening over. Ik kreeg laatst de eerste exemplaren van mijn boek thuis. Bij collega-schrijvers zie ik dan altijd foto’s op Facebook voorbij komen met omschrijvingen als: ‘Het is net alsof ik mijn kind in mijn handen houd.’ Maar ik dacht gewoon: oké, dit zijn twintig boeken. Ik heb de doos gewoon weer dichtgedaan en er verder niet meer naar gekeken.
Waar ik wel bang voor ben zijn de recensies. Als iemand tegen mij zegt dat een zin slecht is, dan kan ik daar ook niet meer anders naar kijken dan dat het een slechte zin is. Ook ben ik bang dat recensenten een kant van het boek gaan belichten en dat ik dan nadien niet anders ga kunnen dan op hun manier naar mijn eigen boek kijken. Dat zou ik jammer vinden. Ik zal het nooit meer kunnen zien zoals het was toen het alleen nog van mij was.

Het smelt (€ 22,95, Das Mag Uitgevers) ligt vanaf vandaag in de winkel. Lees hier alvast een hoofdstuk.

Lize Spit (1988) woont in Brussel. Ze schrijft scenario’s, proza en poëzie en publiceerde o.a. in Het Liegend Konijn, De Gids en Das Magazin. In 2013 won ze zowel de jury- als de publieksprijs van Write Now!.


Jonathan van der Horst studeert momenteel Woordkunst aan het Koninklijk Conservatorium in Antwerpen. Hij schrijft proza, essays en theaterteksten waarin hij het groteske van de wereld aan het waarachtige van de mens probeert te koppelen. In 2015 stond hij in de finale van Write Now!.

2 gedachtes over “‘Op ambitie word je makkelijker afgerekend.’

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s