‘Mijn brieven zijn een ode aan kots, de liefde en een glas water’

Door: Tim Taveirne ♦ Beeld: Niels Putman

Het Brusselse Dominican hotel oogt rustig wanneer de fotograaf en ik er om negen uur ’s morgens binnenwandelen. We vragen aan de fijn uitgedoste dame achter de balie of meneer Karl Ove Knausgård reeds in de buurt is. Ze kijkt verward, vraagt me of dat een gast van hen is en wijst ons vriendelijk de weg naar de lobby. Achteraf blijkt de dame ons een eerste les in een reeks van vele te hebben meegegeven; niet iedereen is bekommerd om de boeken van de Noorse schrijver. De fotograaf bestelt koffie, ik haal een papiertje met neergekrabbelde vragen uit mijn tas.

Knausgård wandelt zoals hij spreekt: langzaam, verzorgd, galant. Hij begroet ons hartelijk en bekent dat de vele interviews stilaan hun tol beginnen te eisen. ‘Maar het goede eraan is dat ik op erg mooie plekken kom zoals Brussel.’ Diezelfde avond zal Knausgård een lezing geven in BOZAR over zijn romancyclus Mijn strijd. We praten over dat en nog vele andere boeken, waaronder Uit & Thuis, de verzameling brieven die in februari verschijnt. 

Ervaar je een scheiding tussen wat je initieel geschreven hebt en het discours dat de boeken omspant?
‘Het zijn twee verschillende dingen. Wat ik nu doe, is erover praten en dat is helemaal niet productief. Ik creëer niets. Schrijven daarentegen is iets helemaal anders. Dat is hetgeen wat ik wil doen. Maar het discours is een noodzakelijk gevolg van mijn werk.

Vind je nog steeds de tijd om te schrijven?
‘Ik probeer zo weinig mogelijk te reizen, want dat belemmert het schrijven enorm. In Noorwegen zijn er net twee nieuwe boeken verschenen, Autumn en Winter, en in de lente volgen er nog twee; Spring en Summer. Het gaat telkens om een bundeling korte teksten van min of meer één pagina die dingen en objecten behandelen. Ik ben eraan begonnen toen mijn jongste dochter op komst was. Ik wou haar de wereld tonen, hoe hij eruit ziet, wat ze ervan mag verwachten. Je kunt het lezen als een lange brief. Het is een ode aan kots, de liefde, een glas water. Ik liet me inspireren door de Franse schrijver Francis Ponge (1899–1988), die erg was geobsedeerd door dingen en objecten. Ik las zijn werk in de jaren ’80 en vond het zo geweldig dat ik er vroeg of laat iets mee moest.’

In februari verschijnt in België en Nederland Uit & Thuis, een brievenwisseling tussen de Zweedse schrijver Fredrik Ekelund en jouzelf. De brieven getuigen van een liefde voor het dagelijkse leven, voetbal, familie, enzovoort. Je schrijft vanuit een grote zelfreflectie. Hoe belangrijk is de brief voor jou?
‘Heel belangrijk. Het was een erg interessant project want Fredrik en ik kenden elkaar niet zo goed. We hebben samen voetbal gespeeld maar hij was niet zo’n dichte vriend. We namen een groot risico door aan het boek te beginnen omdat we niet wisten of we elkaar zouden vinden. Maar we leerden elkaar beter kennen doorheen het schrijven. Het hele project was voortdurend onderhevig aan grote veranderingen. We gaven feedback en stuurden elkaar andere richtingen uit. Zeker toen Fredriks vader overleed werd alles voor een bepaalde tijd anders. Dat was erg mooi.’

Over Mijn strijd: ik kan me voorstellen dat het schrijven van zo’n romancyclus een erg grote beproeving was. Is het de plicht van de schrijver om grenzen te doorbreken, iets op te geven in naam van de kunst?
‘Ik vermoed van wel. Maar niet noodzakelijkerwijs op die manier. Het ergste wat een schrijver kan overkomen, is dat je louter reproduceert. Je leest iets buitengewoons en wilt dat nadoen. Maar dat is waardeloos, je bent er niets mee. Het lijkt me de grootste plicht om je werk zo goed mogelijk te doen. Zodra je begint te schrijven, treedt er iets in werking en begin je je dingen te realiseren. Dat is op zich vrij onprettig. Maar zodra het plezier afneemt en de verveling toeslaat, wordt het interessant. Daar moet je mee leren omgaan.’

Karl Ove 1 (b_w+korrel).jpg

Hoe herken je een goede schrijver?
‘Dat is een interessante vraag. Ik heb mijn eigen uitgeverij opgericht en krijg nu manuscripten toegestuurd van erg jonge schrijvers. Je kunt in tien à vijftien seconden zeggen of er iets is. Daarna moet je natuurlijk nog meer van hen gaan lezen om te achterhalen wat het net zo goed maakt en hoe het nog beter kan. Maar je ziet het onmiddellijk.
Je bespeurt een bekwaamheid die de persoonlijkheid van de schrijver laat doorschijnen in de tekst. Het is niet uitsluitend taal, er is iemand. Zodra je die aanwezigheid voelt, is het goed. Ik praat erg veel met uitgevers en het gaat altijd om diezelfde ervaring. De eerste indruk is allesbepalend en laat zien of iemand een schrijver is of niet.’

Is het dan mogelijk om uit te maken of iemand op zijn achttiende al een schrijversstem heeft gevonden?
‘Absoluut. Maar het kan vele jaren duren vooraleer die stem in staat is om iets waardevols te schrijven. We hebben onlangs bij de uitgeverij een eerste schrijver onder onze hoede genomen. Hij was vierentwintig toen hij zijn manuscript indiende. Het verhaal ging alle richtingen uit maar hij bleef dezelfde schrijver, zijn ambitie was onveranderlijk. Ik wou met hem werken omdat ik het schrijverschap opspeurde. Ik herinner me hoe ik als jonge schrijver heel lang geen juiste richting vond en daardoor het vertrouwen opgaf. Maar één iemand heeft me gered door aan te dringen om verder te schrijven. Hij is nu mijn uitgever.’

Welke auteurs waren belangrijk voor jou toen je jong was?
‘Ik was erg gesofisticeerd. Ik heb veel Noorse auteurs gelezen en Bukowski, Kerouac, et cetera. Veelal verhalen over de mythologie van de schrijver. De klassiekers kwamen pas veel later. Mijn lezen is door de jaren heen wel enorm veranderd.’

Het is een soort gebod dat wie een goede schrijver wilt worden, veel moet lezen. Is dat wel echt zo?
‘Ik lees nu niet meer zoveel maar heb het grootste werk er toch opzitten. Wanneer ik essays schrijf, pluk ik hier en daar wat dingen uit de boeken die ik heb gelezen. Maar ik heb altijd geprobeerd om te vermijden dat ik alleen bezig was met de methodiek van de schrijver. Ik wou me laten absorberen door de literatuur. Ik geloof dat alles wat zinvol voor je is, vroeg of laat wel aankomt en bij je naar binnen geraakt. Ik las Prousts werk toen ik vierentwintig was waardoor ik twee jaar lang niets kon schrijven. Maar voor mijn debuutroman nam ik alles van hem over. Uiteraard onbewust, maar het zat in me. Ik was erdoor beïnvloed en begeesterd.’

Je droomde ervan om schrijver te worden maar in het allerlaatste deel van je romancyclus Mijn strijd, Vrouw, besluit je dat je geen schrijver meer bent?
‘Inderdaad, dat is het verhaal. Het was mijn ambitie om schrijver te worden en alles moest daarvoor wijken. Het is enerzijds een verhaal over een jongeman met een droom, maar anderzijds toont het ook de verschillen en grenzen tussen literatuur en leven. De opzet van Mijn strijd was om meer in het leven en de wereld te staan en niet in de literatuur. Ik wist op voorhand dat het zou eindigen met de dood van mijn schrijverschap. Het was het best denkbare einde voor het boek: de schrijver houdt op met schrijven en begint te leven. Alhoewel ik eigenlijk had moeten sterven, dat was het allerbeste geweest.’ (lacht)

Karl Ove 8 (b_w+korrel)

Ook in de brieven aan Fredrik Ekelund schrijf je over de grenzen tussen kunst en leven. Ik las dat je je romancyclus oorspronkelijk Argentinië wou noemen omdat je een erg romantisch en idyllisch beeld hebt over dat land terwijl je er eigenlijk nog nooit geweest bent. Het is jouw symbool voor niet–leven. Heb je nog steeds het gevoel dat je er niet actief aan deelneemt? Of is die afstand ondertussen weggevallen?
(lange stilte)
‘Mijn vier kinderen hebben me gered. Zij zijn ontzettend levendig en dat houdt me erin. Maar wat nooit zal verdwijnen, is mijn verlangen om alles te vertalen naar literatuur. Dat is nu eenmaal een obsessie. Schrijven geeft me de mogelijkheid om dingen te verkennen die anders onontgonnen zouden blijven. Ik beschouw Mijn strijd als een entiteit op zich. Ik ben er klaar mee, het is voorbij. Maar wanneer ik nu schrijf, is er nog steeds diezelfde stem.’

Je schreef een boek over de aard van engelen (Engelen vallen langzaam) en maakte deel uit van het team dat de Bijbel van een nieuwe, Noorse vertaling voorzag. Vanwaar deze fascinatie? Is het gerelateerd aan een interesse voor religie, of eerder voor de grote verhalen?
‘Het begon vanuit een fascinatie voor de materialiteit en lichamelijkheid van de wereld. Mijn praktijk als schrijver heeft iets erg existentieels. Er was altijd al die interesse voor dingen, objecten en lichamen. Ik had lange tijd een poster van de Britse cineast Peter Greenaway waarop een engel stond afgebeeld. (Greenaway schreef het boek Flying over water, over de onmogelijke droom van de mens om te kunnen vliegen.) Op een bepaald moment begon ik over engelen te schrijven en andere vliegende, fysieke wezens zoals meeuwen. Zo groeide ook mijn interesse voor de Bijbel. Wanneer je geïnteresseerd bent in filosofie en existentialisme, kan je niet om religie heen. Als jongeman was ik antichristen. Ik groeide op in een omgeving waar iedereen religieus was. Ik voelde een grote weerstand en wou de Bijbel niet serieus nemen. Maar de interesse voor het metafysische was er al altijd.’

Is het dezer dagen niet belangrijk om de schoonheid die achter de religieuze verhalen schuilgaat te beschermen?
‘Daar ben ik het helemaal mee eens. Je moet een duidelijke scheiding aanbrengen tussen religie en wat vandaag zoal gebeurt in de wereld. Ik las een artikel over Islamitische Staat van de Franse journalist Olivier Roy (France’s Oedipal Islamist Complex). Hij beschrijft hoe jonge jihads zich verdiepen in de islamitische religie via een boek zoals Islam For Dummies. De oorspronkelijke herkomst en betekenis van de religie zijn dus niet meer belangrijk. Er is iets helemaal anders gaande.’

Je hebt veel geschreven over Anders Behring Breivik, de dader van de aanslagen in Noorwegen in 2011 waarbij 77 mensen om het leven kwamen. Het lijkt me niet gemakkelijk om je daarover uit te spreken. Je raakt immers een erg gevoelig onderwerp aan.
‘Het is moeilijk maar belangrijk om te doen. Je opent een deur en ziet iets wat voordien nog niet bestond. Het is noodzakelijk om het gesprek te voeren. Tezelfdertijd is het ook ontzettend fascinerend. Je kunt je afvragen waarom iemand zoiets doet, of welk punt je in je leven moet bereiken om tot zulke acties in staat te zijn. Hetzelfde geldt voor de school shootings in de Verenigde Staten en de massa–aanslagen in Parijs; er moeten barrières gesloopt worden vooraleer je zoiets kunt doen.’

Geloof je dat een schrijver iets kan betekenen binnen dergelijke (politieke) debatten?
‘Ja. Je kunt uiteraard geen antwoorden formuleren maar wel dingen onderzoeken. De Noorse journaliste en schrijfster Asne Seierstad heeft een zeer goed boek geschreven over Anders Breivik (One of Us). Ze schrijft over zijn leven en dat van de slachtoffers. Al lezende begrijp je beetje bij beetje waarom zoiets heeft kunnen gebeuren. Geen enkel ander medium zou daartoe in staat zijn geweest.
Het is overigens een grote misvatting om verschillen te willen zien tussen wat Breivik deed en andere terroristische aanslagen. Na de aanslagen op Utøya werd Breivik een ontzettend belangrijk persoon. We onderzochten zijn psychologie, opvoeding en politieke interesses. Terwijl de aanslagen in Parijs worden afgedaan als louter terrorisme. Dat is geheel verkeerd. We moeten die jonge zelfmoordterroristen op eenzelfde manier behandelen. Ook zij hadden een vader en moeder.’

Het is gemakkelijk om iemand ‘slecht’ te noemen omwille van zijn daden.
‘Ja, dat is uiteraard zo. Breivik had een erg moeilijke jeugd. Maar dat is vanzelfsprekend geen excuus. Wel meerdere mensen hadden een turbulente opvoeding. Het was ook niet enkel en alleen een politieke actie. Breivik is een groot narcist. Je probeert als schrijver die complexiteit bloot te leggen, iets waar in de media geen ruimte voor is.’

Hoe is het leven ondertussen in Zweden? Je woont in een klein dorpje, Glemmingebro.
‘Goed. We zijn er afgezonderd van de grote drukte. Maar er zijn wat veranderingen doorgevoerd in Zweden omwille van de immigratieproblematiek. Allereerst lieten ze iedereen binnen, nu zijn er strengere regels en voorwaarden. In enkele weken tijd is er veel gebeurd. Best interessant.’ (lacht)

Nam je de keuze om in Glemmingebro te gaan wonen omwille van Mijn strijd?
‘Onder andere. Het is er erg vredig en niemand is geïnteresseerd in mij. Er gebeurt niets. We hebben er geen sociaal leven. Dat maakt het ook gemakkelijker om te schrijven. Want de verplichtingen van de grootstad, de etentjes en zo, vallen weg.’

Zijn er nog steeds plannen om een film te maken?
‘Ik heb net het scenario geschreven voor de verfilming van mijn eerste roman. Het was verschrikkelijk, ik doe het nooit meer. Ik moet boeken schrijven.’

Wat is jouw advies voor jonge schrijvers en kunstenaars?
‘Je moet doen wat je wilt doen en geduldig zijn. Als je bereid bent om iets tien jaar vol te houden zonder succes en erkenning, dan gebeurt er vroeg of laat wel iets. Dat lijkt me de enige manier om iets waardevol te vinden. Ik heb aan veel schrijfcursussen deelgenomen maar dat is het enige ware wat ik heb onthouden.’

Karl Ove 5 (b_w+korrel)


Tim Taveirne (1994) studeert Drama aan KASK/Conservatorium in Gent. Hij schrijft, speelt en maakt theater maar is ook te zien in enkele Vlaamse en Nederlandse kortfilms. Hij bewondert Julian Barnes en Karl Ove Knausgård. Lees meer artikelen van zijn hand.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s