Voorpublicatie Ben

Op 4 februari verschijnt Ben, de nieuwe roman van Erik Nieuwenhuis. Een man overlijdt, zijn brein blijft leven. Op een server. Nieuwenhuis liet zich voor deze roman inspireren door het Human Brain Project. Wij mogen alvast een fragment laten lezen:

COLETTE

Voor het eerst sinds haar vertrek naar Utrecht is Naomi weer een hele week thuis om te leren voor haar eerste grote tentamen. Ze lunchen uitgebreid, alsof het zondag is. Met een plakje biologische ham in haar hand vertelt Naomi haar moeder vrolijk over de colleges dierfysiologie.
‘Eerst voelt het vreemd,’ zegt ze, ‘om zo’n dood beestje in je handen te houden. Een muis die je op een ander moment gewoon over je hand laat lopen. Die je over zijn oortjes aait, zacht en pluizig. Maar dan word je nieuwsgierig naar het binnenwerk. Naar de machine onder dat wollige pelsje. Wat eronder zit, kun je ook op het digibord zien, maar dat is toch anders. En trouwens, je moet het straks ook op levende dieren kunnen. Maar het blijft gek, om met zo’n koud stuk metaal te snijden in een diertje waar even geleden nog een hartje in klopte.’
‘Wat weet jij over de autopsie van papa?’ onderbreekt Colette haar.
‘Als dierenarts?’ vraagt Naomi.
‘Nee, als mens. Als zijn dochter. Als Naomi.’
‘Net zoveel als jij, denk ik. Dat papa niet voor niks in een gesloten kist is opgebaard. Dat de patholoog er een potje van heeft gemaakt. Dat we het eigenlijk niet hadden moeten laten gebeuren.’
Colette knikt. ‘Ben jij uitgegeten?’ vraagt ze. Naomi wrijft over haar buik en zucht. ‘Ja, ik kan er weer een week tegenaan.’
Samen ruimen ze de tafel af. Op haar hurken naast de afwasmachine kijkt Colette omhoog naar haar dochter. Naomi kijkt haar onderzoekend aan.
‘Is er wat?’
‘Rook jij nog?’
‘Alleen bij speciale gelegenheden.’
‘Ik bedoel: heb jij sigaretten?’
‘Doe niet zo raar.’
‘Nee, echt, ik vind dat we even moeten roken.’

Naomi verdwijnt naar het halletje en komt terug met een pakje Luckies. ‘Binnen roken?’ vraagt Naomi.  Colette knikt. ‘Niemand die er wat van zegt.’ Ze lachen.

‘Ik ben vrijdag bij die Meijer geweest,’ zegt Colette.
‘Meijer?’
‘Die neurodinges. Die man uit het ziekenhuis, die avond dat papa…’
‘Ik heb ‘m. Wat moest je daar nou?’
‘Ze hebben iets ontdekt aan papa’s hersenen.’
Naomi schrikt. Colette legt even een geruststellende hand op haar dochters arm.
‘Niks ergs, hoor. Niks waar wij ons zorgen over hoeven te maken. Maar ik vond toch dat ik het je moest vertellen.’
‘Vertel dan!’
‘Ze hebben zijn hersenen daar gehouden. Voor onderzoek.’
‘Dat mag helemaal niet!’
‘Dat weet ik niet. Dat interesseert me eigenlijk ook niet meer zo erg. Waar het om gaat is dat… wil je misschien niet even zitten?’
‘Mam! Ik studeer diergeneeskunde. Ik snij met droge ogen in nog warme hamsterlijken. Ik kan echt wel wat hebben, hoor!’
‘Nou goed. Zoals Meijer het noemde zijn papa’s hersenen alleen nog digitaal beschikbaar. Ik heb het gegoogeld en volgens mij betekent dat dat ze zijn brein in plakjes hebben gesneden.’
‘Gadver!’
‘En die plakje voor plakje opgeslagen in een computer. Voor nader onderzoek.’
‘Handig.’
‘Dat weet ik verder niet. Maar… ga toch maar even zitten, meissie.’

Naomi drukt haar sigaret uit, steekt er meteen nog een op en gaat met een schoteltje uit de vaatwasser aan de keukentafel zitten.
‘Als dat verhaal klopt, zijn Bens hersenen allemaal in flinterdunne plakjes op glazen platen opgeslagen. Een naar idee. Maar misschien toch ook wel weer goed. Hij was ook bloeddonor. Huisdier-in-nood, Novib, al die lidmaatschappen… ergens past het wel bij hem, postuum nog iets doen voor zijn medemensen, toch?’
Colette is even stil.
‘Ik ben zo blij met jou,’ zegt ze na een poosje.
‘Ik ook met jou, hoor,’ zegt Naomi.

Nadat ze Naomi heeft weggebracht, slaat de twijfel weer toe. Een paar dagen slaapt ze onrustig. In haar dromen is Ben permanent aanwezig. Ze wandelen door het kale laaggebergte bij Tautavel. Zwemmen heen en weer tussen hun verleden in de stad aan de rivier en het dorp aan de overkant. In de angstigste, naar nachtmerries neigende dromen zit ze samen met Ben opgesloten in de vleeswagen van Meulman. En in de nacht van donderdag op vrijdag heeft ze seks met hem in de oude doka van de fotovakschool. In het gelige schijnsel van de dokalamp hangt zijn gezicht zwetend boven het hare. Hij is nog jong. De Ben van de eerste ontmoetingen in de kroeg, die haar zo radeloos had aangekeken dat ze er buikpijn van kreeg en die ze onder haar vleugels had genomen, omdat ze voelde dat hij tekortkwam waar zij van overliep. Niet per se de leukste jongen met wie ze ooit had geslapen, maar wel de meest dankbare. Iemand die nog niet veel van de liefde wist, maar zich bereid toonde er hard voor te leren. Een groeibriljantje. Maar in deze laatste droom, die strikt genomen in de categorie erotisch valt, is daar allemaal nog niets van te zien. Ze neuken, maar ze voelt er geen enkele opwinding bij, alsof de daad een verplicht onderdeel is van een ehbo-cursus. Het feit dat hij ‘help’ roept als hij klaarkomt, blijft haar de hele middag verontrusten.

Om drie uur brengt de pakjesman een grote, zware doos. Ze vraagt of hij koffie wil, maar dat is – te oordelen naar de blik in zijn ogen – een rare vraag. Ze zet het pakket op de salontafel en verwijdert met haar nagel het bruine plakband. Ze weet al wat erin zit. Via een van haar oude docenten is ze op het spoor gekomen van een man die ouderwetse spiegelreflexcamera’s opknapt en verhandelt. De doos bevat de met zorg verpakte body en onderdelen van een fototoestel uit de vorige eeuw. Een camera die ze nooit had kunnen betalen, ook niet toen hij twintig jaar nadat hij op de markt kwam overal tweedehands werd aangeboden. Ze haalt hem uit het bubbeltjesplastic en weegt hem in haar handen. Het voelt goed. Sommige dingen hebben een gewicht dat samenvalt met datgene waarvoor ze bedoeld zijn: een klopboor, een zak aardappelen, een kind van twee. Andere dingen hebben dat niet: een pakje sigaretten, een zak kroepoek, een MacBook, een kind van negen, tien kilo handbagage, een grindtegel of een paar bergschoenen. De spiegelreflexcamera ligt in haar hand als een kei, zo een die je oppakt vanwege het pure plezier van het optillen en vasthouden. Ze draait de bijgeleverde standaardlens erop en kijkt door de zoeker. De scherpte van het beeld verbaast haar, maar de lichtsterkte valt tegen. Alsof de avond vandaag een paar uur eerder valt. Ze richt de lens op de tuindeuren. Het is zo stil in de kamer, dat ze de lichtmeter hoort tikken. Ze stelt scherp op de dorre takken van de hortensia. Een voorbijvliegende merel trekt een donkere streep door het beeld. Even heeft ze het gevoel dat ze naar een 8mm filmpje zit te kijken, een vakantievideo waarin Ben en Naomi allebei zo het beeld in kunnen wandelen. Ze drukt af en beweegt het hendeltje onder haar rechterduim naar voren. Haar duim herinnert zich de beweging nog van heel lang geleden. Daardoor voelt ze nu ook dat er geen film in de camera zit. Ze zucht bij de gedachte aan de omslachtige handelingen die horen bij analoge fotografie. Filmpjes indraaien, filmpjes doordraaien, filmpjes uithalen, filmpjes wegbrengen. Maar het voelt eerlijker. Eerlijker tegenover Ben. De Mark II waar ze jarenlang mee vergroeid is geweest, is een vreemde voor haar geworden. Het automatisme waar ze hem al die tijd mee heeft bediend, is verdwenen. Hij is te zwaar geworden. Ze kan er niet meer mee fotograferen zonder aan Ben te denken, aan de blik in zijn ogen toen hij haar het dure cadeau destijds overhandigde. Misschien wel het enige moment waarin hun liefde ooit volledig in balans is geweest. Ze legt de camera terug in de doos en pakt de dikke handleiding die de verkoper erbij heeft gedaan. ‘How to use…’ leest ze. Ze zal het allemaal opnieuw moeten leren.
De rest van de middag besteedt ze aan het doornemen van de handleiding van de aei. De verschillen tussen digitale en analoge fotografie zijn te overzien. Het komt er in beide gevallen op neer het licht via de lenzen naar een drager te dirigeren. Dat de ene drager een in chemicaliën gedoopt stuk celluloid is en de andere een kaart vol siliconenchips, maakt verder weinig uit. Het gaat niet om de daad van het fotograferen zelf, het gaat erom wat je er na afloop mee doet. Het bewerken van de foto’s wordt een stuk ingewikkelder. Maar als ze daar het woord ‘ambachtelijker’ voor invult, voelt het al beter. Zeker als ze bedenkt dat ze met dat ambachtelijke een groot deel van haar dagen zal kunnen vullen. Haar man is dood, haar dochter uitgevlogen. Tijd speelt geen rol. Het is goed om even pas op de plaats te maken. Colette Baars, slow photography, denkt ze. Goed!

Als ze besluit om de camera vandaag nog op de dode hortensia uit te proberen, is het buiten eigenlijk al te donker. Ze steekt een paar kaarsen aan en opent een fles wijn. Nadat ze een poosje zo gezeten heeft, beseft ze dat ze in een schilderij van Edward Hopper terechtgekomen is. Eenzame weduwe verdrinkt verdriet bij bedrieglijk romantisch kaarslicht. Daar moet ze een foto van hebben! Ze zet haar statief op in een hoek tegenover de bank, schroeft haar nieuwe camera erop en stelt de zelfontspanner in. Er zit nog steeds geen filmrolletje in. Die zijn op dit uur natuurlijk nergens meer te krijgen, zeker niet in het dorp. Ze gaat de trap op naar haar nieuwe kantoor, waar ze bij het opruimen van Bens spullen een paar blauwe Hema-doosjes heeft zien liggen. De houdbaarheidsdatum is al jaren verstreken. Ze legt ze terug en pakt in plaats daarvan twee gele foto-enveloppen die haar nog niet waren opgevallen. In de eerste envelop zitten vierentwintig foto’s van Naomi. Geschoten op achtereenvolgende voorjaarsochtenden, zo te zien een jaar of wat geleden. Op de foto’s slaat ze, zonder haar hand uit te steken, rechts af op het eind van het woonerf. Een jongedame op weg naar de rest van haar leven. Op elke foto is ze een stukje verder verwijderd van de fotograaf. Op de laatste foto is alleen het achterwiel van haar fiets nog te zien. In de tweede envelop zitten zesendertig foto’s. Twintig van de kastanjeboom in hun eigen tuin, de enige keer dat die geprobeerd heeft in bloei te komen, en zestien van een majestueuze paardenkastanje aan de rand van een vijver in het stadspark van het stadje aan de rivier. Een conceptueel kunstwerk, denkt ze; onscherp gefotografeerd en slordig afgewerkt, maar hoe dan ook mooier en krachtiger dan al haar eigen fotowerk bij elkaar. Hij heeft gefotografeerd wat was en wat eens zou zijn. Dat hun eigen kastanjeboom de eerstvolgende winter niet zou overleven, kon hij toen nog niet weten. Net zomin als hij had kunnen bedenken dat zijn eigen leven zou eindigen in het koude laadruim van een vleeswagen. Mijn schuld, denkt ze. Met schaamte denkt ze terug aan de fotosessie met de zoon van de koekenbakker. Dode varkens, hoe heeft ze het kunnen bedenken? Hoe hebben die mensen dat ooit goed kunnen vinden? Waarom heeft Ben haar niet tot de orde geroepen? Zonder dat volstrekt idiote plan waren ze nog een gezin geweest. Ze laat zich huilend op de grond zakken en gaat met haar rug tegen de archiefkast zitten. Als ze weer enigszins tot zichzelf komt, belt ze Naomi. Die neemt niet op. Ze daalt de trap af naar de gang en trekt haar jas aan. Buiten lopen kinderen met Sint-Maartenlantaarns. Opnieuw schieten de tranen haar in de ogen. Ze heeft eigenlijk al te veel gedronken, maar stapt toch in de auto. Op de parkeerplaats bij het kerkhof staat alleen een bloemenstalletje met gesloten luiken. Het gietijzeren hek is gesloten. Ze overweegt nog even om eroverheen te klimmen, maar het idee dat ze haar hart moet uitstorten op een donkere dodenakker komt haar toch wel erg luguber voor. Ze stapt weer in de auto en rijdt vastbesloten naar het ziekenhuis. Als de heren geleerden het zo belangrijk vonden om de hersenen van haar man op een harde schijf op te slaan, dan moeten de heren geleerden maar begrijpen dat ze haar spijt liever uitspreekt tegen een computer waar de laatste resten van zijn brein in liggen opgeslagen, dan tegen het holle omhulsel van zijn intens gemiste persoonlijkheid.
‘Is dr. Meijer nog aanwezig?’ vraagt ze, zo achteloos mogelijk. De portier kijkt op zijn scherm, typt wat in en pakt dan de telefoon. Als er klaarblijkelijk niemand opneemt, verbreekt hij de verbinding. ‘Vreemd,’ zegt hij, ‘volgens mijn gegevens moet hij hier wel ergens zijn.’ Hij toetst weer wat in. ‘Duurt altijd even,’ glimlacht hij. Als datgene waar hij naar zocht op z’n scherm verschijnt, bromt hij tevreden.
‘De moderne techniek, mevrouw!’ zegt hij. ‘Dr. Meijer is in K31-O. Einde van de gang, de trap af en dan helemaal terug tot voorbij de blauwe deur. Zal ik hem nog even bellen?’
‘Laat maar. Ik vind het zo wel.’
Ze gaat binnen zonder kloppen. In de lege kelderruimte zit Meijer in een witte overall met bijpassen papieren mutsje, met een laptop op schoot, op een plastic opklapstoel oog in oog met een grote grijze kast die waarschijnlijk een computer is. Een heel grote computer.

MEIJER

Hij ziet meteen dat ze gedronken heeft. Dat maakt haar ongewenste aanwezigheid in deze ruimte nog twee tikjes ongewenster.
‘Mevrouw Oosterweeghel,’ zegt hij.
‘Dr. Meijer.’
‘Ik denk dat dit niet zo’n goed moment is.’
Ze kijkt hem verwonderd aan. In haar eigen tekstboek zegt Meijer op dit moment iets heel anders. Maar ze past zich snel aan de veranderde omstandigheden aan.
‘Ach, dokter,’ zegt ze, ‘toen mijn man zich opsloot in die vrieswagen van Meulman, dat was ook niet zo’n goed moment. En toen de patholoog besloot zijn schedel leeg te halen, zeg eens eerlijk, was dat een goed moment? Ik heb er de afgelopen maanden veel over nagedacht, dokter, en ik kan niet anders dan concluderen dat het hele leven een aaneenschakeling is van verkeerde momenten. Hoe was uw dag verder, hoeveel goede momenten heeft u gehad?’
Meijer zucht.
‘Laat ik het anders zeggen,’ begint hij, ‘ik denk dat het goed is dat u hier bent. U heeft recht op meer informatie. Maar ziet u, ik ben niet degene die u die informatie kan verstrekken. Het verhaal is mij ook niet helemaal helder. Dat is juist waarom ik hier ben.’
‘Ik begrijp het. Maar zou u me dan misschien kunnen vertellen bij wie ik dan moet wezen?’
‘Dat is het vervelende, mevrouw Oosterweeghel…’
‘Skip de beleefdheden, Meijer. Ik heet Colette. Nog steeds.’
‘Dat is het vervelende, Colette. Ik ben uiteindelijk wel degene die verantwoordelijk is voor deze onfortuinlijke gang van zaken.’
‘Juist!’ zegt Colette, maar het is duidelijk dat ze niet precies begrijpt waar Meijer het over heeft.
‘Ik heb het idee dat je niet precies begrijpt waar ik het over heb,’ zegt Meijer.
‘Probeert u het maar.’
‘Een dag of wat geleden was ik hier ook. In het gezelschap van mijn collega Vonk, de man die de hersenen van je man op de fatale avond heeft gescand. Een collega met wie ik de geheugenruimte van deze computer blijkbaar deel. Hij is degene die me erop wees dat de gegevens in deze kast, hoe zal ik het zeggen, in zijn woorden, de woorden van collega Vonk, “een eigen feestje aan het vieren zijn”.’
Ze grijpt naar haar hoofd. Een gebaar uit een soapserie.
‘Ik begrijp dat dat je emotioneert. Het kan heel confronterend zijn om te weten wat er met het lichaam van onze dierbaren…’
‘Onze dierbaren,’ bauwt Colette hem na. ‘Onze dierbaren! Hoezo “onze dierbaren?” Hoe dierbaar was Ben u, op een schaal van een tot tien? Heeft u uw dochter op de dag van haar laatste examen van school gehaald om haar vader te begraven? Dát is confronterend!’
‘Ik heb geen dochter. Ik heb een zoontje. Hij heeft vanavond het zonnelied opgezegd, op een podium, voor tweehonderd toeschouwers.’
Colette kalmeert.
‘Wat betekent dat precies: een eigen feestje vieren?’
‘Ik zal eerlijk tegen je zijn. Het lijkt erop dat deze grijze kasten hier op de een of andere manier de herinneringen van je man bewaren. Ik zeg het met de nodige voorzichtigheid, want ik wil geen valse hoop wekken, maar er zijn verschijnselen die erop wijzen dat een deel van het geheugen van je man in deze machine ligt opgeslagen.’
‘Dat kan helemaal niet!’
‘Dat zegt iedereen, dat zei ik zelf eerst ook. Maar kijk.’ Hij opent de laptop en verbindt het kabeltje dat eraan hangt met de computer. In de verkenner klikt hij op ‘netwerk’ en volgt de aanwijzingen die Jonathan hem heeft gemaild. Op het scherm verschijnt, net als de eerste keer, een hoofdletter C met een knipperende cursor erachter.

C:\>zeg eens wat
C:\>แ ล ะ น า โ อ ม ิ โ ค เ ล ็ต ต ์ แ ล ะ บ า ง ค ร ั้ง โ ท ร ห ร ือ ไ ม ่

‘Nee, duidelijk,’ zegt Colette.
‘Ik heb het uitgezocht,’ zegt Meijer. ‘Het is Thais. En dat kunnen we met Google Translate naar het Nederlands vertalen.’
Hij opent een browser en plakt de tekst in het venster.
Google vertaalt: ‘En Naomi Colette en soms de oproep of niet.’
‘Geen idee wat het betekent,’ zegt Meijer. ‘Maar het lijkt me duidelijk dat het geen toeval is dat jouw naam hierin opduikt.’
‘En die van mijn dochter,’ zegt Colette.
‘Pardon?’
‘Naomi. Zo heet mijn dochter.’
‘Juist. Goed. Heel goed. Ik bedoel maar te zeggen: dat zijn data die wij niet in deze machine hebben gestopt. Dat is, ik zeg het zo voorzichtig mogelijk, informatie die bij het sterven in het hoofd van je echtgenoot lag opgeslagen.’


Erik Nieuwenhuis (1964) is journalist en schrijver. Hij schreef de romans Man van de wereld en Een gat in de lucht, die werd genomineerd voor de Academica Literatuurprijs. Ben is zijn derde roman.

Een gedachte over “Voorpublicatie Ben

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s