Spelen met de kloten van de lezer

Door: Elske Jacobs

Ik ontmoet Jerry Hormone in het prachtige appartement dat hij deelt met schrijfster Elfie Tromp en een Chinese naakthond die de enige tand die ze heeft bij binnenkomst in mijn been zet. Twee weken geleden verscheen Hormone’s bundel Het is maar bloed: de punkrocker en kinderboekenschrijver staat te popelen om uit te doeken te doen hoe zijn literaire debuut tot stand kwam en wat het voor hem betekent.

Je boek is net uit! Heb je het druk met alle publiciteit?
‘Ja! Het is natuurlijk nooit zo druk als dat je zou willen, maar ik ben helemaal niet ontevreden. Af en toe zit er een pareltje tussen. Zo kwam ik laatst een boekverkoopster uit Bleiswijk tegen in mijn stamkroeg, en zij zei: “dat boek heb ik niet ingekocht want ik vind het zo’n verschrikkelijk lelijk omslag!” Moet iedereen zelf weten, maar aangezien mijn hoofd tachtig procent van de voorkant beslaat… Is toch een beetje alsof je zegt: “je ziet er niet uit.” Dus ik zet dat op Facebook en Twitter, en nu staat het in het AD van vandaag: “boek niet welkom in Bleiswijkse boekhandel!”’

Negatieve aandacht is ook aandacht?
‘Ja, dat is fantastische aandacht. Een beetje reuring, hartstikke leuk!’

Je moet wat eelt op je ziel kweken.
‘Mijn muziek wordt natuurlijk ook gerecenseerd, en Jeroen Vullings heeft wel eens een slechte recensie geschreven over Borre – de kinderboekenserie die ik schrijf. In Borre de aap gaat Borre op schoolreisje naar de dierentuin en hij wil graag de aap zien. Dus hij verlaat de groep, nachtmerrie van iedere ouder, en belandt in de apenkooi. En gorilla’s en chimpansees verscheuren graag kindjes. Borre brengt een half miljoen tere kinderzieltjes in gevaar, luidde dus het oordeel. Dát vind ik dan leuk! Maar ik wil verder niet shockeren.’

Je signeerde anders wel je boeken met je eigen bloed. Hoe viel die stunt?
‘We hebben een hoop verkocht, de boekverkoper was zeer tevreden! Het viel me ook mee hoe makkelijk het was. Je gooit wat zout bij het bloed, waardoor de cellen kapotgaan en het niet gaat stollen, en dan droogt het heel mooi op! Maar natuurlijk was het een aanstellerijtje, lekker een beetje gek doen. Met zo’n titel en omslag vond ik dat wel lachen. Het paste binnen het concept, anders had ik het niet gedaan. Daarbij is dit binnen de literatuur misschien shockerend, maar ik kom natuurlijk uit de punkscène. Daar kun je pas shockeren als je op het podium gaat zitten schijten en je eigen drollen opvreet, GG Allin deed dat. De omslag van het boek is ook gebaseerd op platenhoezen: die staan vol met bloed, daar kijkt niemand van op. Zelf vind ik hem heel stijlvol, mooie foto ook.’

Het wordt bijna een gesammtkunstwerk.
‘Ja precies! Ook de binnenkant van het omslag heeft de kleur van gestold bloed – ik ben er erg mee bezig om het allemaal passend en sluitend te krijgen. Die signeersessie was meer een leuk extraatje voor het feest, maar zelfs Giel Beelen had het erover op de radio. Extra media-aandacht was niet perse waar ik op uit was, maar natuurlijk wel mooi meegenomen. Een goed boek waar niks over te vertellen valt krijg je tegenwoordig niet meer verkocht, en het plaatst mij natuurlijk ook een beetje in een “traditie van rebelse schrijvers”!’

Het is een bundel vol ellendige personages die elkaar een hoop ellende aandoen. Wat is de aantrekkingskracht van dat thema?
‘Ellende is een vereenvoudigde versie van het thema, het gaat over het menselijk tekort. Een standaardthema uit de “grote literatuur”: mensen zijn vooral met zichzelf bezig, we kunnen elkaar eigenlijk nooit echt kennen en daar ontstaan veel problemen. Een boek over gelukkige mensen voor wie alles goed gaat, daar is natuurlijk geen reet aan. Geluk is dramatisch gezien nul interessant. In je eigen leven moet je proberen zo veel mogelijk ellende en drama buiten de deur te houden, maar in je werk is het nodig.’

Moet je je met dit eerste ‘volwassenenboek’ opnieuw bewijzen?
‘Dat gevoel heb ik wel inderdaad. Dat je honderdzestien kinderboeken hebt geschreven wil nog niet zeggen dat de mensen op hun blote knietjes voor mijn deur liggen: “Oh grote Jerry Hormone, wat fijn dat jij een boek hebt geschreven!” Maar ik ben erg zelfverzekerd over dit boek – geen vijf sterren maar toch wel vier. Het is het beste wat ik kon doen op dit moment, en ik denk dat ik in mijn opzet geslaagd ben. Maar als het zometeen in de Volkskrant helemaal aan barrels geslagen wordt kan ik niet zeggen of dat mijn mening verandert.’

Voelde je je kwetsbaar?
‘Natuurlijk is het boek niet autobiografisch, maar ongeveer de helft is op eigen ervaringen gebaseerd. Sommige dingen zijn al heel lang geleden, en ik dacht dat ik daar overheen was. Maar tijdens het schrijven zei Elfie wel eens: “ik ga even buiten werken, want je bent niet te fokking genieten.”’

Heb je ook ellendige personages gebaseerd op andere (oude) bekenden?
‘Ja hoor, maar niet om ze te grazen te nemen, geen van de verhalen is letterlijk zo gebeurd. Het zijn absoluut geen wraakexercities, ik wil alleen een goed verhaal vertellen. Bovendien kun je denken: waarom is die ex zo’n kutwijf? Maar je kunt je ook afvragen waarom die hoofdpersoon alleen maar loopt te zuipen en te roken.’

Je spaart jezelf niet in de bundel.
‘Ik wil graag het onderscheid maken tussen de hoofdpersoon en mezelf. Maar inderdaad: de hoofdpersoon is vaak een onmachtige klootzak. Het doet me zelfs wel plezier om enige wreedheid op hem los te laten. Het verhaal over de rijlessen is bijvoorbeeld ook waargebeurd, tot het moment waarop de rijinstructeur me op mijn bek slaat. Dat verzon ik erbij om extra drama te creëren, daar was de werkelijkheid net niet genoeg.’

Niet alle verhalen hebben zo’n climax.
‘Dat hoeft ook niet. Nu bevat een enkel verhaal al meer plot dan het hele oeuvre van Herman Brusselmans bij elkaar, maar in wezen is het leven ook een grote aaneenschakeling van anticlimaxen. Er is maar één verhaal dat goed eindigt, ‘Pareldijs’, maar bij het volgende verhaal kom je erachter dat die gast is overleden aan kanker. Van die Roald Dahl-achtige twist endings: ik vind het wel leuk om met de kloten van de lezer te spelen.’

Zo bijt een pasgeboren baby zich vast in de schedel van de verloskundige. Een klein uitstapje naar de science fiction?
‘En dat dat kind dan “BRAINS” brult! Eerst was de titel van dit verhaal ‘Opzet voor een b-film’. Omdat de rest echt hyperrealistisch is, is het leuk om af een toe plots iets absurdistisch toe te voegen. Het verhaal over het Foster Parentskind Klik Klak is daar een goed voorbeeld van, dat kun je lezen als een soort satire op het exotiseren van Afrika. Waar in mijn verhalen het verschil zit tussen satire en absurdisme is mij ook niet helemaal duidelijk. Maar dat is het meest onprettige verhaal dat erin staat.’

Hoe Rotterdams is Het is maar bloed?
‘De verhalen zijn weinig opgesmukt, en gaan natuurlijk vaak over figuren uit Rotterdam. Ik wil zo realistisch zijn, hyperrealistisch, dat het naar het absurde neigt. Dan moet je wel schrijven over dingen die je kent. Maar ik ben ook erg schatplichtig aan De Nieuwe Stijl, een literair tijdschrift uit de jaren 60. Hans Sleutelaar, Cornelis Bastiaan Vaandrager en Armando – hun poëtica gaat over realisme. Poëzie die dingen uit de realiteit pakt en zo direct en zo economisch mogelijk presenteert. Vooral door het wegsnijden van de dingen die je niet nodig hebt, tot je een soort readymade overhoudt. Armando liep voor zijn cyclus ‘De mongolen’ een dag mee met de woonbegeleiding van mensen met het syndroom van down. Gedicht 1:

Dit is Gijs Jan
Die is zo aardig
Ach, ze zijn zo aanhankelijk
Ze worden niet oud

Ooooh! Waarschijnlijk zegt een verpleegster dit, maar Armando plaatst het op zichzelf.

Dit is Kees
Die kan niet lopen
Hij heeft een nieuw karretje nodig
Hij is uit z’n karretje gegroeid

Dat is zo goed! Het wordt zo droog neergezet, maar je wordt er toch een beetje naar van.’

Je verhalen in het boek moet je ook zo zien?
‘Daar wil ik wel naartoe ja. Ik wil wel zo veel mogelijk de actie en dialoog laten zien in een zo direct mogelijk taalgebruik. Alles wat gevoeld wordt laat ik impliciet, als je een beetje kan lezen heb je heus wel door hoe fokking ellendig het allemaal is. Er wordt weinig ‘gedacht’ door de personages. De expliciete stijl sluit dus eigenlijk niet aan op de impliciete inhoud, vorm en inhoud zijn in dit geval expres tegenover elkaar gezet. Denk ik.’

Dat moet wel werken.
‘Ja, maar ik denk dat veel van wat ik beschrijf desondanks erg herkenbaar is. Bijvoorbeeld een kapotte relatie: iedereen boven de 20 heeft wel eens ervaren dat een relatie stukloopt, dus iedereen kan daarin meeleven. Laatst zag ik een stukje over de productie van de tweede Friday the 13th, een slasherfilm. Tom Savini doet de special effects, en die zei: je kunt iemand wel neerschieten of met een mes opensnijden, maar 99% van het publiek kan zich niet voorstellen hoe erg die pijn is. Maar als je iemand in een bad met kokend water gooit: iedereen heeft wel eens zijn klauwen aan een kop thee verbrand. Die huis tuin en keuken ellende, als je die uitvergroot, dan word je daar als persoon veel meer door geraakt. Dat herken je. Niet dat ik dat in gedachte had bij het schrijven van het boek – ik zag dit later – maar dat is wel hoe het werkt, dacht ik toen.’

Geen inspiratie geput uit horror dus?
‘Nee dat niet, die hersenetende baby daargelaten. Lijkt me wel een keer leuk om een goeie horror te schrijven, interessant genre. Het boek is in zoverre shockerend dat alle beestjes bij naam worden genoemd. Iemand zei laatst: het gaat alleen maar over seks en drugs. Maar het grappige is dat in het boek bijna niet wordt geneukt. Niet neuken is ook veel interessanter dan wel neuken. In het echte leven natuurlijk niet, maar dramatisch gezien is het veel leuker wanneer iemand wel wil, maar dat het dan niet lukt. Over dat telkens zuipen en roken: dat repetitieve heb ik er bewust ingestopt om het nihilisme.’

Je wilt je plaatsen in een traditie van schrijvers, zei je eerder?
‘Ik ben wel van de school van Jan Wolkers, Remco Campert en Jan Cremer. De mensen die in het literaire landschap van de jaren zestig en zeventig het stof er een beetje vanaf bliezen. Er is maar één uitgeverij waarbij ik liever zou zitten dan bij Atlas Contact, en dat is de Bezige Bij in de jaren zestig en zeventig. Voor Het is maar bloed heb ik ook bewust het literaire pocketformaat van de Bezige Bij gekozen. En de titel is in Akzidenz Grotest in onderkast: Leendert Stofberger, de vaste vormgever van de Bezige Bij indertijd, gebruikte dit lettertype voor Vaandrager. De omslag is een ode aan Leendert Stofbergen en dat tijdperk.’

Heb je zelf het gevoel ergens het stof vanaf te moeten blazen vandaag de dag?
‘Nee, wat betreft literatuur ben ik nergens tegen. Er zijn genoeg dingen die ik kut vind, maar dat hoeft niet direct te betekenen dat het slecht is. Voorbeeld: Louis Couperus, een van de meest geprezen schrijvers in het Nederlandstalige gebied. Ik vind daar dus echt geen kut aan, maar dat wil nog niet zeggen dat het een slechte schrijver is – ik kan de kwaliteiten best zien. Zelf schrijf ik in korte staccato zinnen, zonder metaforen, want dat is wat ik mooi vind. Anderen genieten van zinnen als spaghettislierten, vol beeldspraak, en dat is helemaal prima. En als mensen superstoffig zijn, vind ik dat ook prima. We leven in een tijd waarin het beter is om ergens vóór te zijn. En als iedereen hetzelfde zou doen als ik, zou ik ook balen.’

Wat is het verschil tussen muziek maken en schrijven?
‘Nou, het zijn andere media, maar het komt wel van dezelfde plek vandaan. Je bent een soort enorme gehaktmolen: de dingen die je ziet en hoort en leest gaan er allemaal in en dat komt er ook weer uit. Schrijven is wel wat saaier trouwens, gewoon werk. Het verzinnen is leuk, maar verder is het gewoon je pen van a naar b naar c duwen. Pak je een gitaar en sla je drie akkoorden aan, dan komt er soms spontaan een leuk melodietje opborrelen, een cadeautje van je onderbewustzijn. Een boek schrijven is echter een heel cerebraal, bewust proces. Ik sta nooit onder de douche en dat ik dan denk: “Aha! Er borrelt een verhaal in me op!”’

Er zijn schrijvers die beweren dat het wel zo werkt.
‘Het werkt voor iedereen natuurlijk ook anders. Ik schrijf zelf niet vanuit een gevoel, dat gevoel komt pas in het verhaal. Eerst komt de actie en dan de emotie. Het idee voor een verhaal wordt vaak getriggerd door iets wat iemand me vertelt. De alcoholist uit ‘(I’m only bleeding)’ bijvoorbeeld, die woont bij mij in de straat! Ik weet niet zeker of hij alcoholist is hoor, maar het is een eenzaam figuur. Naast hem woont Arnoud van der Zijden, die zat vroeger in de band Feverdream en vertelde me eens dat hij die man was tegengekomen in de supermarkt en die had gezegd: “ik hoor jullie thuis wel eens gitaar spelen.” Arnoud wilde zich verontschuldigen, maar die man zei: “nee, dat vind ik juist gezellig.” En dat vond ik zo in en in fokking treurig! Het is toch mooi hoe dat eenzaamheid weergeeft zonder dat hij zegt: “ik ben eenzaam.” Daar heb ik toen dat verhaal over geschreven, dat is het soort zaadje waar een verhaal uit opbloeit.’

Hoe groot is het verschil tussen de muziekwereld en literatuurwereld?
‘Ik vind de literatuurwereld waanzinnig leuk, maar ik hou dan ook van aandacht. Als je band het goed doet kun je dat met elkaar delen. Dat is tof, maar wanneer jouw boek goed loopt kun je zeggen: dat heb IK gedaan, alleen. Als het kut is, is het ook twee keer zo naar. Daarnaast is literatuur mainstream, punkrock is niet mainstream. Als je een plaat uitbrengt ben je blij met een kleine recensie in Oor, maar met een boek sta je ineens in ‘echte’ kranten. Ik heb nog nooit zoveel aandacht gekregen.’

Had je van tevoren ook onbegrip ingecalculeerd?
‘Ja natuurlijk. Gemiddeld kopen 45-jarige vrouwen uit Vinex wijken de meeste boeken, maar ik snap dat die niet staan te springen om een scène over een jongen die fantaseert over blonde meisjes terwijl hij op de moeder van een van zijn vrienden ligt. Van de uitgeverij begreep ik ook dat het boek in zo’n beetje de hele Bijbelgordel niet wordt verkocht vanwege de cover. Ach je kunt niet iedereen plezieren, en ze hoeven het ook niet te lezen.’

Voor wie inmiddels wél nieuwsgierig is naar meer Jerry Hormone: de schrijver verklapt dat er een roman in het verschiet ligt. Krijgen we alvast een tipje van de sluier? ‘Nee.’ Momenteel is hij bezig met het opnemen van een nieuwe plaat, die verschijnt later dit jaar. Daarna stort hij zich weer op het schrijven: een taak tegelijk, om chaos te voorkomen.


Elske Jacobs woont en werkt in Nijmegen, waar ze Algemene Cultuurwetenschappen en Europese Letterkunde heeft gestudeerd. Ze is gek op kunst en boeken, maar ook op strips en animatiefilms, en wil schrijven over alles wat ze mooi vindt. Lees meer artikelen van haar hand.

Een gedachte over “Spelen met de kloten van de lezer

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s