Er valt niets te schoffelen

Door: Jente Hoogeveen ♦ Beeld: Guy Mees

Gezien:      ‘Untitled’  (1970) door Guy Mees
Waar:          M HKA, Antwerpen
Wanneer:   februari 2016 (The Gap, te zien t/m 29 mei 2016)

Ina zit aan de keukentafel, het is half tien. Al sinds zeven uur zit ze daar, omdat je nooit weet hoe laat ze komen. Meestal tussen acht en tien. Soms tussen zeven en negen, dan eens tussen negen en elf. Een verandering wordt gemeld zowel per e-mail als per post, inmiddels liggen er zoveel brieven dat ze niet meer weet welke tijd de juiste is. Aan e-mails doet ze niet. Soms komen ze niet, dan vergeten ze in de haast dat zij hier zit. Ze heeft thee gezet en plukt grijze pluisjes van haar badjas. Op een houten plankje liggen twee bruine boterhammen, besmeerd met boter. Ina halveert een eitje en legt op iedere snede een helft. Geen zout, dat is slecht voor de bloeddruk. Net als drop en softijs. Dat weten maar weinig mensen, dat er zoveel zout in softijs zit. Laatst stond daar een artikel over in de krant. Niet dat veel mensen er nu van op de hoogte zijn. De oplages gaan jaarlijks met zo’n vier procent achteruit, ook dat stond in de krant. Een vicieuze cirkel.
Vanuit de keuken kun je via een doorgeefluik, zoals je alleen nog ziet in oude huizen (of nieuwe huizen die doen alsof ze oud zijn) naar de woonkamer kijken. Het luik staat altijd open. Ina kijkt naar de plek waar de bank staat en eerder de tv stond. Nu ze daar niet meer zit, heeft ze de tv weg gedaan, een log ding dat veel ruimte in beslag nam, maar de okerkleurige bank staat er nog. Of eigenlijk, vaal geel. Grijs bijna. De zon heeft alle kleur opgeslokt. In de zitkussens staan twee afdrukken, op de plekken waar zij en Ferrie altijd zaten. Diepe rimpels in het leer die niet meer weg willen trekken. Ferries plek dieper en rimpeliger dan de hare. Hij had zware botten, zei hij, maar eigenlijk was hij gewoon dik. Het kon Ina niets schelen, dat dikke. Ze kroop graag dicht tegen zijn buik aan. Zijn zachte warme huid tegen haar gezicht, alsof ze er in zou kunnen verdwijnen. Zoals de zon de kleur opslokte, zo zou Ferrie haar opslokken.
Op het plein achter haar huis leggen bouwvakkers nieuwe riolering aan, om de paar minuten rinkelen de kopjes in haar kast. Soms valt er eentje uit. Haar favoriete kopjes heeft ze met wc papier omwikkelt zodat ze bij een val niet zullen breken. In de voortuin groeit veel onkruid, er moet nodig geschoffeld worden. Laatst vroeg Ina dat aan een jongen van de plantsoendienst, of hij haar tuin misschien mee wilde schoffelen. Hij was aan het werk op het grasveld voor haar huis. De jongen van de plantsoendienst zei dat hij alleen gemeentegrond mocht schoffelen, geen privéterrein. Ina zei dat haar tuin niet zo privé was, dat er alleen een laag hekje stond. Geen heg of schutting, iedereen kon zo meekijken. De jongen zei dat dat privé genoeg was.

Ina kijkt naar haar brood en pakt een koekje uit de trommel. Ze doopt het in de thee, net zolang totdat hij bijna afbreekt en ze de zachte koek naar binnen kan slurpen. Soms breekt de koek te vroeg, of is zij net te laat, dan drijven stukken naar de bodem. Kruimelthee. Het liefst zou ze de krant lezen. Hij ligt al in de brievenbus, de krantenjongen hoorde ze vanochtend vanuit bed. De brievenbus staat buiten aan het begin van haar voortuin, een groen kastje met een klep. Ze heeft haar schoenen nog niet aan en op blote voeten gaat ze niet naar buiten, zo is ze nu al twee keer gevallen. Daar lig je dan, met je blote voeten in je badjas op de koude tegels en zo makkelijk word je niet meer gevonden. De mensen in de straat zijn forenzen, ze gaan vroeg de deur uit en komen laat thuis. Ze kijken naar de telefoons in hun hand in plaats van naar de buren. Wat dat betreft is een schutting niet eens nodig. Vorige maand lag ze daar tot half drie, met haar grijze haar in een grijze badjas op het grijze pad. Totdat een kleine jongen tegen zijn moeder zei: ‘Kijk mama, daar ligt een hele dikke tegel.’
De bel gaat, het is vijf over tien. Ina schuifelt naar de deur. Op de stoep staat een jongen met blond stekelhaar en een grote bril. Twee magere armen steken uit de korte mouwen van zijn blouse. Niet precies haar type, ze houdt van stevige armen en een goed stel billen.
‘Mevrouw De Haas?’
Ina knikt.
‘Ik ben Willem.’
‘Ben je nieuw?’
‘Ja,’ zegt hij. ‘En ik heb er heel veel zin in.’
Hij lacht, twee grote voortanden achter dunne lippen. Hij lijkt een beetje op een haas, dat past goed bij mij, denkt Ina. Haas en Haas, nu nog een zoon, dan zijn we net een schildersbedrijf.
‘Hoe oud ben je?’
‘Vierentwintig.’
‘Even oud als mijn kleinzoon,’ zegt Ina. ‘Kom maar binnen. Mijn kleinzoon heet Skipyo, gekke naam vind je niet?’
Willem haalt zijn schouders op.
‘Komt Skipyo vaak langs?’
‘Nee, niet vaak. Hij woont aan de andere kant van het land. In de grote stad, waar ze brievenbussen hebben aan de deur in plaats van in de voortuin.’
‘Dat is handig,’ zegt Willem. ‘Een brievenbus aan de deur.’
Ina gaat op de stoel zitten die aan de trapleuning klemt. Ze zoemt zichzelf naar boven, Willem volgt haar met grote trage passen, twee treden tegelijk. Ze kijkt bovenop zijn kruin, tussen de stekels zitten kale plekken.
‘Wist je dat dunne mensen eerder kaal worden? Je zou beter iets meer eten.’
‘Is dat wetenschappelijk bewezen?’
Ze zijn nu bijna boven, Willem wacht tot Ina’s stoel tot stilstand is gekomen en helpt haar omhoog.
‘Dat heb ik gemerkt,’ zegt Ina. ‘Ferrie was heel dik en had veel haar, overal. Heb je ooit een dunne man met veel borsthaar gezien?’
‘Ik denk van niet.’
‘Precies.’ Ze trekt de slaapkamerdeur open en gaat op de stoel naast het bed zitten. Haar roze geruite deken ligt slordig op het bed. Willem gaat voor haar staan en kijkt de kamer rond, hij plukt aan de randjes van zijn nagels. Het kloofje op zijn linker duim begint te bloeden. Zijn broekspijpen zijn te lang, een streep modder kleeft aan de zomen.
‘Toe dan,’ zegt Ina.
Willem zakt door zijn knieën, hij haalt de ceintuur van haar badjas los en trekt het badstof van haar schouders.
‘Ben ik je eerste klant?’
‘Cliënt,’ zegt Willem. Geduldig pulkt hij alle knopen van haar pyjama open, hoewel die er eigenlijk zitten voor de sier, de losse stof gaat gemakkelijk over haar hoofd. Zijn hoofd zit nu vlak bij haar borsten, ze voelt zijn onrustige adem in haar hals en kan de mee-eters op zijn voorhoofd tellen. Drieëntwintig. Hij stroopt de pyjamabroek van haar benen en de hoge onderbroek die niets meer corrigeert. Dan de bh, zijn handen trillen tegen de huid van haar rug.
‘Koud,’ zegt Ina.
‘Sorry,’ zegt Willem, hij houdt zijn handen onder de warme kraan en probeert het dan opnieuw. ‘Die verdomde haakjes,’ mompelt hij.
‘Doe maar in de was,’ zegt ze als hij eindelijk met de bh in zijn handen staat. Willem pakt haar vast onder haar oksels en tilt haar omhoog. Koude handen in haar warme zweet.

De douchecabine is bedekt met oranje tegels die al net zo vaal zijn als de bank, hoewel hier nooit zon komt. Ina zit op de plastic stoel, zo een die op het terras van de snackbar van het buitenzwembad staat. Of eigenlijk, zo een die op het terras van de snackbar van het buitenzwembad stond. Twee zomers geleden nam Ferrie hem voor haar mee.
‘We gaan toch geen geld uitgeven aan een douchestoel?’ Ze zaten in de keuken, Ina aan tafel, Ferrie op de zwembadstoel. De plastic poten trokken krom onder het plotselinge gewicht dat ze moesten dragen.
‘Heb je hem gejat?’
‘Geleend,’ zei Ferrie. ‘Het is niet gezegd dat wij hem nooit meer terugbrengen.’ Hij leunde verder naar achter, Ina wachtte tot de achterpoten zouden breken, maar ze braken niet. Het is een stevige stoel.
Willem laat de douchestraal over zijn handen spuiten.
‘Als ik dood ben moet die stoel terug naar het buitenzwembad. Kun je dat ergens opschrijven?’
Willem kijkt op, zijn bril is beslagen.
‘Als in een testament?’
‘Ja, zoiets. Het hoeft niet zo’n dure naam te hebben, als het maar gebeurt.’
Willem knikt.
‘Zo goed?’ Hij pakt haar hand en houdt hem onder de straal. Lauwwarm water spuit op haar huid.
‘Ja,’ zegt ze, hoewel ze houdt van goed heet. ‘Mijn haren moeten gewassen, zeg als je begint met schuimen dan houd ik mijn ogen dicht, oké?’
Willem schudt de fles met douchegel en laat koude kwakjes op haar huid vallen. De gel smeert hij uit over haar rug en schouders, zijn dunne vingers glijden over haar benen en buik. Ze denkt: hoe meer handen je aanraken des te onverschilliger je wordt. Op den duur voelen alle handen hetzelfde. Willem bedekt haar helemaal in schuim, alsof ze een wit broekpak draagt waar ze zuinig op moet zijn, omdat je er iedere vlek op zult zien. Vlak langs haar borsten glijden zijn handen terug naar haar schouders.
‘Niet bang zijn,’ zegt ze. ‘Mijn borsten hebben extra aandacht nodig. Goed optillen en flink schrobben, anders komt er schimmel onder. Dat had Ellie laatst, van de Rummiclub, de geur was niet te harden.’
Willem kijkt schaapachtig naar haar borsten.
‘Neem een washand.’ Ze wijst naar de kast naast de wasbak. ‘En flink schrobben.’
Willem tilt de lappen vlees op en boent haar huid. In zijn handen voelen haar borsten log en overbodig, net als de tv. De washand scheurt een beetje en schuift van haar borsten terug naar haar buik, dan tussen haar liezen. Zweetdruppels lopen langs zijn oren. Ina denkt aan de schoffelaar.
‘Werk jij eigenlijk voor de gemeente?’
‘Indirect,’ hijgt Willem. ‘De gemeente bepaalt welke instelling welke zorg mag verlenen.’
‘Goed,’ zegt Ina. ‘Dat zal ik zeggen.’
‘Tegen wie?’
‘De schoffelaar, dat hij dus wel aan mijn privéterrein mag zitten.’
Willem trekt zijn handen weg.
‘Ga door,’ zegt Ina. ‘Je doet het goed. Goed schrobben.’
Willem pakt de doucheslang en spuit het broekpak van haar lijf, de harde straal op haar stijve rug en schouders.
‘Shampoo?’ vraagt hij.
‘Oké,’ zegt Ina. Ze knijpt haar ogen dicht. Zijn korstige vingers kneden haar hoofdhuid, het sop druipt over haar wangen. Alsof bovenop haar hoofd een ijsberg aan het smelten is.
‘Broeikaseffect,’ zegt Ina, maar Willem hoort haar niet. Het water klettert hard op de tegelvloer.

In de woonkamer noteert Willem vinkjes in een map, alles gecontroleerd en goedgekeurd. Hij zit op de vale bank, Ferries plek die nu dus even Willems plek is. Zelf zit ze in een rode trui en blauwe pantalon op een keukenstoel. Ze kijkt naar zijn ingevallen buik, daar zou ze nooit in passen. Willem leunt naar achter en laat zich verder in de bank zakken. Hij zucht, het leer kraakt.
‘Goed,’ zegt hij. ‘Dan gaan we maar weer.’
Dat doen mensen die moeilijk afscheid kunnen nemen, dan gaan we maar weer. Alsof ze de ander mee zullen nemen.
‘Niet vergeten hè,’ zegt Ina. ‘Dat van die zwembadstoel.’
Willem knikt en vinkt nog iets aan in de map.
‘Goed,’ zegt Willem nog eens. ‘Dan gaan we maar weer.’ Hij stopt de pen in zijn zak. Op een rode fiets zonder bagagedrager fietst hij de straat uit. Ina staat voor het raam en kijkt hem na. Ze denkt: die kan nooit eens iemand meenemen. Willem slaat de hoek om, de kleine jongen en de moeder lopen langs. Naast het grasveld zit de schoffelaar op een bankje. Hij rookt een sigaret. Er valt niets te schoffelen vandaag.


Jente Hoogeveen (1992) is schrijver, illustrator, productkunstenaar en ook nog student. Eerder aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag, tegenwoordig studeert ze Liberal Arts & Sciences aan de Universiteit van Utrecht. Ze schreef onder andere verhalen voor De Gids, Opium en DeBuren en stond afgelopen zomer in de finale van Write Now! De meeste verhalen en beelden ontstaan onderweg, in de trein of dwalend door de stad. Op zoek naar dat wat afwijkt, kleine details met grote verhalen. Kijk voor meer beelden en verhalen op haar website.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s