Duif

Door: Henk-Piet Glas ♦ Beeld: Lieke Mulder

‘Vanmorgen wist ik nog precies wat ik wilde gaan zeggen maar nu ben ik het vergeten.’ Jantien zit voor mij op de grond en streelt het gras. ‘Ik vind je lief en zo, maar ik denk niet dat we bij elkaar passen. Ik heb iemand nodig die meer tegengas geeft. Snap je?’ Ze stopt en kijkt me aan, maar het is niet meer de blik van toen ik haar leerde kennen tijdens koorzang in de kleine theaterzaal. Die sprankelende oogopslag waar ze mij ooit mee overviel heeft plaatsgemaakt voor een laag vernis.

‘Ik denk dat ik kan veranderen,’ zeg ik, maar besef dat ik het daarmee erger maak. Alles wat ik nu nog probeer zal haar besluit versterken alsof het een ballon is die ik onwillig opblaas totdat hij uiteindelijk in mijn gezicht uiteenspat. Jantien streelt weer het gras. Het is een stille strijd geworden die wij voeren. Eentje waarbij de winnaar zich beleefd terugtrekt, zodat de verliezer beschaamd kan wachten tot het donker.
‘Waar denk je aan?’ zegt ze na een poosje.
‘Niets,’ antwoord ik.
‘Maar je moet toch iets denken?’ probeert ze het nog een keer.
‘Nee, er is niets,’ zeg ik.
In de vijver naast ons kolkt het water. Een paar woerden achtervolgen een wijfje en slaan wild snaterend met hun vleugels op het water.

‘Ik ken een goed boek,’ zeg ik tot mijn eigen verbazing. ‘Het gaat over een man en over rituelen. Hij begraaft een witte duif, hier in het Westerpark, misschien wel op deze plek. Iemand helpt hem. Een vrouw geloof ik.’ Jantien kijkt mij aan met een mengeling van verwondering en ongeduld. ‘Waar heb je het over?’
‘Ze hebben die duif gevonden terwijl ze door de stad fietsten. Hij en die vrouw. En zij heeft voorgesteld het beest te begraven omdat ze het zo zielig vindt. Ze wil niet dat iemand het dier oneerbiedig in de gracht schopt waar het gaat rotten en wordt aangevreten door ratten.’ Jantien rolt voorzichtig op haar zij en strekt haar benen. Ik vraag mij af wat er in haar hoofd omgaat. Misschien had ze er iets anders van verwacht.
‘Hij kent die vrouw nog maar net. Is haar ergens tegen het lijf gelopen of misschien was het wel tijdens het fietsen. Nadat ze de duif hebben begraven gaan ze naar zijn huis en hebben seks. Hij kent niet eens haar naam.’

‘Ik moet gaan,’ zegt Jantien, en staat op. ‘Ik heb straks een feestje bij Jacqueline.’ Iets in die opmerking steekt mij, alsof ze een rare vorm van prioriteiten heeft. Alsof ze vanmorgen bij het opstaan niet alleen precies wist wat ze mij wilde zeggen maar zich ook verheugde op wat daarna nog zou komen. ‘Blijf nog even,’ zeg ik en grijp haar enkel. Ik voel hoe ze verstijft en trek met een vlugge beweging aan haar been. Ze valt naast mij neer en snel leg ik stevig mijn hand op haar mond. Haar ogen trekken wagenwijd open. Ze probeert mij weg te duwen maar ik grijp haar handen en kruisig haar met geweld terug in het gras. Ik duw mijn knie in haar lies en trek haar hoofd naar mij toe zodat ik de bloedvaatjes in haar netvlies kan zien staan. ‘Ik ben nog niet klaar met mijn verhaal,’ fluister ik. ‘Niet schreeuwen, beloof je dat?’ Ze knikt. Haar hoofd wiebelt in mijn handen.
‘Die man is eenzaam,’ fluister ik, ‘zijn hele leven lang al. En om zich staande te houden maakt hij rituelen. Het alsmaar herhalen van hetzelfde. Het stelt hem gerust. De mensen die op zijn pad voorbij komen ontroeren hem allang niet meer. Zoals die vrouw bijvoorbeeld. Hij wil haar niet kennen. Niet echt. Hij wil alleen maar even bij haar zijn, en dat is het dan ook wel.’ Ik druk haar hoofd stevig in het gras alsof ik aan het kleien ben. ‘Ik begrijp het alleen niet van die duif. Wat is het nut van dat beest? Waarom brengt de schrijver het ten tonele en laat het meteen daarna weer verdwijnen?’ Ik zie hoe haar ogen zich vullen met tranen en voel hoe haar lies trilt onder mijn drukkende knie. ‘Ik heb er lang over nagedacht,’ zeg ik terwijl ik mijn hand om haar hals klem, ‘en het enige wat ik kan bedenken is dat de schrijver het ook niet wist en er zo snel mogelijk weer vanaf moest. De duif heeft geen nut. Het is maar een tijdelijk voertuig.’ Ik knijp haar hals dicht. De roze pareltjes van haar kettinkje boren zich in haar vlees. Ik ruik haar parfum dat ik vanaf nu zal herkennen in het voorbijgaan van een vreemdeling.
Als het stil is geworden ga ik naast haar liggen en zie hoe mooi ze is. Met haar witte topje waaronder haar borsten zich samenspannen alsof ze zich een weg naar buiten willen banen. Borsten die ik niet heb gevoeld omdat ik het niet durfde toen ze bij haar thuis op mijn schoot ging zitten en mij onderzoekend aankeek. We hebben gevreeën. Ik heb haar sproeten geteld. Ik heb met mijn vingers haar gezicht gevoeld alsof ik blind was. En toen de zon langzaam onderging dronken we karnemelk op het balkon, terwijl de warme lucht rimpelde op de daken van Amsterdam.


Henk-Piet Glas (1972) is productspecialist, theatermaker, en aspirant schrijver. Hij studeerde technische informatica aan de NHL en volgde aansluitend een studie zelfstandig theatermaker aan de Amsterdamse Theater Academie. Met TG Epomophora maakte hij eindvoorstelling Albatros onder regie van Ton Offerman en Peter Heerschop. Aan het CREA UvA schreef hij korte verhalen en scenario’s. Van de zusjes Kelder leerde hij debuteren.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s