Brief aan een docente Kunstgeschiedenis

Door: Tim Taveirne ♦ Beeld: Jente Hoogeveen

Groots en meeslepend wil ik leven
hoort ge dat, vader, moeder, wereld, knekelhuis!
H. Marsman

Liefste K.,

We hebben elkaar een hele tijd niet meer gezien. Het spijt me dat ik tegenwoordig minder vaak langskom. Ik vraag me af hoe het met je gaat. Drink je sinds je operatie nog evenveel witte wijn als voorheen? Het lijkt me immers onmogelijk dat je bent gematigd. Niet in het drinken, noch in het spreken of de manier waarop je naar de dingen kijkt.

Met mij gaat het goed. Ik ben verhuisd naar Antwerpen, de liefde achterna, en schrijf erg veel. Of er iets waardevols uit mijn pen komt, betwijfel ik. Ik vind een zekere waarde in wat ik schrijf maar het gaat me moeilijk af. Ik zit vaak urenlang achter mijn computer zonder één deftige zin te hebben geschreven.

Soms vraag ik me af of het überhaupt zin heeft; al die uren aan het toetsenbord, boven het papier en in mijn hoofd. Of ik niet beter iets anders doe. Iets wat meteen resultaat oplevert, me geen slaap kost en wél geld opbrengt. Er wacht niemand op me, behalve mijn moeder die uitkijkt naar dat ene boek dat ik aan haar zal opdragen. Ze is nu al mijn trouwste lezer.

Toen ik zeventien was, toonde je me een documentaire over de Amerikaanse schilder Mark Rothko. Hij maakte negen doeken – de zogenaamde Seagram Murals – in opdracht van restaurant The Four Seasons in New York. Maar ze kwamen nooit in het restaurant terecht. Rothko vond de sfeer er pretentieus en niet verenigbaar met zijn werk, dus verbrak hij het contract. Dat vond ik geweldig. Rothko stond op als toonbeeld van de kunstenaar die geen compromissen sloot en niet wilde inboeten op de waarde van zijn werk. Natuurlijk romantiseerde ik dat beeld. Zoals ik dat nog steeds doe met Marcel Proust, die bijna zijn hele leven in bed doorbracht en zo zijn À la recherche du temps perdu schreef. Het kan niet anders of die jongens hebben iets opgegeven in naam van de kunst.

De Duitse beeldende kunstenaar Thomas Schütte zegt dat je niet het kunstwerk moet scheppen, maar de omstandigheden waarbinnen het kunstwerk zich mogelijk kan voordoen. Voor mij betekent dat: koffie of thee, stilte en eenzaamheid. Dat laatste mag dan wel erg gewichtig klinken, dat is het helemaal niet. Ik verdraag gewoon geen andere mensen wanneer ik werk. Het schrijven verlangt opofferingen. Ik zou eigenlijk minder vaak de deur uit moeten, wat meer moeten lezen.

Leef ik voluit, wat dat ook moge betekenen, dan kom ik niet aan schrijven toe. En wanneer ik schrijf, lijk ik op te houden met leven. De Noorse auteur Karl Ove Knausgård vertelde me dat zijn romancyclus Mijn strijd hem geholpen heeft om de grenzen tussen kunst en leven op te geven. Voor mij blijven beide tot nu toe moeilijk verenigbaar. Ik weet: het ene kan niet zonder het andere maar hoe organiseer je in godsnaam die wedloop?

(Ik moet het schrijven van deze brief hier onderbreken. De kat is ziek, we gaan naar de dierenarts.)

Virginia Woolf schreef in één van haar afscheidsbrieven: ‘… to look life in the face, always, to look life in the face …’ Mijn lief en ik maken daar grapjes over. Wanneer we onder de douche staan bijvoorbeeld, haal ik die zin uit het niets tevoorschijn. Maar er ligt een grote waarheid in besloten. Ik heb die zin altijd begrepen alsof ze een pleidooi hield voor het leven. Bestaat er dan iets anders?

Een vriendin zei me eens dat schrijvers zichzelf beschermen door alles op afstand te houden. En dat het verlangen om alles te benoemen een grote terughoudendheid in zich draagt. ‘Schrijven behoedt je voor het overweldigende, Tim, voor iets wat je niet zou kunnen formuleren.’ Ik heb haar toen uitgelachen. Maar het is wel degelijk zo dat zich een scheidslijn optrekt zodra de blik van de schrijver om de hoek tuurt; een lijn die de grens arceert tussen wat deel uitmaakt van het leven op zich – de auto’s, bomen en vogels – en de voortdurende drang om die fenomenen te vertalen naar literatuur of andere kunstvormen.

Het is moeilijk kiezen. Ik koester de droom om vroeg of laat ergens aan te komen, op een plek niet zo ver hier vandaan, waar de tijd en maatschappelijke beslommeringen niet regeren en het schrijven zich ontluikt als een geliefde die er altijd is en nooit zeurt. Zoals een kat. Of misschien moet ik die droom niet al te veel verheerlijken. Evengoed kan ik gewoon aan de slag. En schrijven, zoals nu.

Al had ik het toen niet door, je was de allereerste die me toonde dat kunst en leven elkaar blindelings ontmoeten in het midden. Ik herinner me hoe je vaak een pleidooi hield voor gretigheid en generositeit. ‘Jongens, jullie moeten kijken en luisteren!’ Wanneer ik nu door onbekende straten loop, bedenk ik me dat ik enkel wat beter moet kijken, en alle grenzen zullen vanzelf verdwijnen.

Drinken we binnenkort een glas wijn? Of eten we asperges?

Alle goeds.
Tim


Tim Taveirne (1994) studeert Drama aan KASK/Conservatorium in Gent. Hij schrijft, speelt en maakt theater maar is ook te zien in enkele Vlaamse en Nederlandse kortfilms. Hij bewondert Julian Barnes en Karl Ove Knausgård. Lees meer artikelen van zijn hand.

Jente Hoogeveen (1992) is schrijver, illustrator, productkunstenaar en ook nog student. Eerder aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag, tegenwoordig studeert ze Liberal Arts & Sciences aan de Universiteit van Utrecht. Ze schreef onder andere verhalen voor De Gids, Opium en DeBuren en stond afgelopen zomer in de finale van Write Now!. Kijk voor meer beelden en verhalen op haar website.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s