Profeten voor de slachttijd

Door: Rob Verschuren ♦ Beeld: Charlotte Van Hacht

Dunne bomen buigen onder de noordwestenwind die niets anders is dan koude adem van verdronken haringvissers. Fietsen tussen verzinkte tanden, smalle stroken stadsgroen, altijd op de rand van uitsterven, snoepwikkels gespietst op doornen, de lucht is grijs als parkeerterreinen. Hij loopt langs spiegelende ruiten. Een warme geur van goedkope kleding komt uit openingen in het glas. Een vrouw drukt hem een pamflet in de hand. Jongens met integraalhelmen hangen op scooters. Ze walmen walging en passieve agressie uit als een besmettelijke ziekte. Ze wachten op een arm door de tralies. Hij leest het pamflet en probeert het te begrijpen. Het is een aankondiging van een Kampioenschap Oliebollenhappen met een optreden van Bolle Bart, over twee dagen, hier in ditzelfde winkelcentrum. Als het vandaag donderdag is. Hij laat het gaan in de wind en stapt de Albert Heijn binnen. Hij registreert pangasiusfilet en roerbakblokjes, pitloze druiven, Mexicaanse mixen, vochtvangers en Catsticks. De kip is in de aanbieding vandaag. Veel klanten nemen een kip. Zonder iets te kopen loopt hij naar buiten, langs de bak met kartonnen dozen. Gratis dozen om kastelen te bouwen onder de brug. Voor de ruit van de dierenwinkel blijft hij staan en kijkt naar een grijs dwergkonijn. Wanneer de deur van de winkel opengaat, ruikt hij een nestlucht van stro en voer. Bij de Voordeeldrogist koopt hij een tube tandpasta en een doosje keelpastilles. Het meisje aan de kassa doet ze in een zakje van kerstpapier. Vrouwen duwen winkelwagentjes over het parkeerterrein, vol uien en verdriet. Aardappelmeelvrouwen met strokartonkinderen. De wind blaast in zijn gezicht als hij door het tunneltje terugloopt naar het hotel. De snelweg snijdt hier een schijfje van de stad af.

Hij schuift de vitrage opzij en ziet de straatlampen aan gaan en de meeuwen wegvliegen naar het noorden, waar de stad uitdooft in de grove, natte winterkluiten van een oeverloos braakland. Niets in dit uitzicht doet vermoeden dat er tot drie jaar geleden boomgaarden stonden op de plaats waar nu de wijk is, en alleen in de straatnamen leeft de herinnering voort. Alle straten zijn naar vruchten genoemd. Op Kruisbessendreef 31 braadt een jonge moeder een kip aan. Zodra het vel rondom gebruind is, draait ze het vuur lager. Ze giet een half kopje water bij het braadvocht en legt het deksel schuin op de pan. De telefoon gaat.

‘Stop,’ zegt de man. Hij laat het raampje omlaag glijden en wenkt met zijn wijsvinger. Het meisje stapt weg van de muur. Ze legt haar hand op het dak van de auto en buigt zich voorover.
‘Hoe oud ben je?’
Het meisje kijkt in zijn ogen. ‘Veertien.’
De man opent het portier en schuift naar de andere kant van de achterbank en het meisje stapt in. De chauffeur kijkt in het spiegeltje. Hij laat twee fietsers en een travestiet voorbijgaan. Dan glijdt de nachtblauwe Lexus weg van de stoeprand en sluipt bijna onhoorbaar en bijna onzichtbaar door de smalle, natte straten. Het meisje ritst haar leren jack open, daaronder draagt ze een effen wit T-shirt. Ze heeft nauwelijks borsten.
‘Mooie auto heb je.’
De man lacht kort en keffend. ‘Thuis heb ik nog veel mooiere.’
‘Maar niet voor dit soort werk.’
‘Niet voor dit soort werk, nee. Je bent slim voor een veertienjarige. Ben je echt veertien?’
Ze kijkt uit het zijraampje. ‘Echt.’
De man bestudeert haar. Ze draagt haar donkere haar kort als een jongen, maar wat hij van haar gezicht kan zien, is uitgesproken vrouwelijk. De lijn van haar jukbeen naar haar kinnetje, de mond die iets openstaat, de lange oogharen. De chauffeur werpt een blik in het binnenspiegeltje en kijkt weer voor zich, waar de stad aan- en afvloeit op het ritme van de ruitenwissers. Zo loert een gier van hoog in de lucht naar een vers kadaver, denkt hij, hoewel de enige gier die hij ooit heeft gezien op een dode tak zat in de dierentuin.
De man op de achterbank legt een hand op de zwarte jeans en kneedt de dunne dij van het meisje. Ze blijft uit het raampje kijken naar het trottoir en de trottoirbloemen in laarzen en netkousen en imitatie bontjasjes, kleumend en lonkend naar de trage auto’s die een mist van druppels meetrekken als ze voorbij sissen. De straten worden breder. Ze staan stil voor een slagboom. De chauffeur haalt een pasje door een gleuf, de slagboom gaat open. Ze rijden een parkeergarage in en stoppen voor een glanzend stalen lift. De man knijpt in het been van het meisje. ‘Jij blijft nog even zitten,’ zegt hij. Dan stapt hij uit en loopt naar de lift. De chauffeur wacht tot de liftdeur achter de man dicht is gegleden voor hij de Lexus parkeert. Wanneer de lift terugkomt gaan ze samen omhoog. De chauffeur kijkt naar het bedieningspaneel alsof het een van zijn taken is de knoppen te tellen. Het meisje kijkt in de spiegel die de hele achterwand bedekt. Ze laat haar mond een stukje verder openvallen en trekt haar wenkbrauwen op. Nu lijkt ze nog jonger.
Over een bordeauxrood tapijt lopen ze naar een half openstaande deur. De chauffeur raakt haar arm aan, licht als de gedachte aan een wolk. De ogen van het meisje zoeken zijn ogen, maar hij kijkt weg. De deur valt achter haar dicht. Ze loopt door de hal op een koud wit licht af. Midden in de vrijwel lege ruimte zit de man op een zwartleren bank. Hij heeft zijn jasje uitgetrokken, zijn dunne nek steekt uit de kraag van zijn overhemd als de nek van een kip die te oud is voor de slacht. Hij klopt naast zich op de bank. Ze blijft staan en kijkt om zich heen. Aan de muur tegenover de bank hangt een groot schilderij dat alleen uit kleuren bestaat. De kleuren trekken aan haar alsof het schilderij de poort is naar een andere wereld. Ze huivert in haar stijve leren jack.
‘Een Rothko,’ zegt de man op de bank. ‘Wat zie je erin?’
Ze haalt haar schouders op. ‘Een veld paarse paardenbloemen. En jij?’
De man lacht zijn keffende lachje. ‘Dood, sensualiteit, ironie, humor. Een wilde investering van een paar miljoen. Hoe heet je, meisje?’
‘Lilith,’ zegt ze, ‘en jij?’
‘Trek je jas uit, Lilith. Kom naast me zitten.’
Ze trekt haar jack uit en laat het op de leuning van de bank vallen. Haar stem is emotieloos als ze zegt: ‘Kijk in mijn ogen, zie je mij? Zie je eigenlijk wel iets? Maar ik zie jou.’ Dan pakken haar smalle handen de zoom van haar T-shirt en langzaam trekt ze het over haar hoofd. Haar lichaam is wit en tenger, het lichaam van een veertienjarig meisje met kleine, puntige borstjes.

De jonge moeder in de hoekwoning op Kruisbessendreef 31 blijft lang aan de telefoon. Ze praat met haar oudere zus die in het zuiden van het land woont. Ze hebben het over hun vader. Die zit in het bejaardentehuis. De laatste tijd heeft hij weinig voeling met de gangbare ideeën die de ronde doen op aarde. De zus vraagt zich af of hij niet beter dood kan gaan. Nu zit hij daar de erfenis op te maken terwijl hij duidelijk geen vreugde beleeft aan de gestoomde maaltijden en het uitzicht op de foto’s op het dressoir. De jonge moeder van de Kruisbessendreef vermoedt dat hun vader allerminst dementeert, maar begonnen is een eigen kijk op het leven te ontwikkelen. Met haar zus kan ze hier niet over praten. ‘Ik heb een kip opstaan,’ zegt ze.
In de keuken tilt ze het deksel van de pan. De kip is verdwenen, opgelost in een blubberende gele vloeistof waarin een paar botjes zwemmen, dun en beweeglijk als spaghetti.

Hij zapt op en neer langs de 94 kanalen, alsof alleen de woestheid waarmee de beelden elkaar verdringen de nacht buiten kan houden en de wezens van de nacht. Dan komt hij van het bed en loopt naar het raam. Hij schuift de vitrage opzij en kijkt over de parkeerplaats die als een giftig meer in het blauwwitte licht van de straatlampen ligt. Een man stapt uit een auto, het fluitje van het alarm klinkt als de portieren op slot klikken. De man draagt een kostuum zonder overjas, hij heeft een attachékoffertje in zijn hand en een opgevouwen krant onder zijn arm. Uit de donkere vorm van de afvalcontainers maakt zich een gestalte los. Het is een jongen in een leren jack. De kraag van het jack staat op, hij heeft zijn handen in de zakken van zijn jeans en loopt in de richting die de man gaat. Het is eerder slenteren dan lopen, alsof hij de dreiging uit zijn naderen wil halen. Ze ontmoeten elkaar voor de ingang van het hotel en praten een minuut. De wind blaast het sluike, lichtblonde haar van de man voor zijn gezicht. Met zijn vrije hand strijkt hij het weg. De jongen en de man gaan samen naar binnen. Voordat ze door de draaideur verdwijnen, ziet hij in het licht dat naar buiten valt dat de jongen in het leren jack een meisje is dat haar haar kort draagt als een jongen.


Rob Verschuren is copywriter. Zijn reclamewerk werd meermalen bekroond. Sinds 2009 woont hij in Vietnam, waar hij fictie begon te schrijven. Verhalen van zijn hand verschenen in de literaire tijdschriften Tirade en Extaze en een aantal verzamelbundels. Hij won in 2014 de Boekenweek Schrijfwedstrijd met het verhaal ‘Local bar’. In maart van dit jaar koos Renate Dorrestein zijn verhaal ‘Vrolijk knallen de bomvesten’ als winnaar van de schrijfwedstrijd ‘Zin en waanzin’ van Literair Werk. Lees meer artikelen van zijn hand.

Charlotte Van Hacht (1991) schrijft en tekent. Ze studeert beeldverhaal in Sint-Lukas Brussel en is freelance journalist voor De Morgen.

 

 

 

 

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s