PP Wim Brands

In memoriam Wim Brands (1959-2016)

Door: Maarten Buser

Waar te beginnen?

Wim Brands mailde me eens, in 2014, naar aanleiding van de recensie die ik over zijn bundel ’s Middags zwem ik in de Noordzee schreef. Hij zei dat ik hem begrepen had. Ook noemde hij een van zijn voorbeelden: de Amerikaanse dichter Charles Reznikoff. Waar was ik, afgelopen maandag, op Brands’ sterfdag? Thuis, ik bladerde in Paul Austers verzamelde non-fictie en kwam uit op een essay over Reznikoffs poëzie, waarin Auster ook herinneringen ophaalt aan hun ontmoetingen. Auster schrijft dat hij hem een exemplaar van zijn eigen poëziedebuut Unearth gaf, en merkt daarna op:

‘Een paar weken later kreeg ik een brief van Reznikoff over mijn bundel. De brief   stond vol lof, en de talrijke citaten uit de gedichten overtuigden me ervan dat hij serieus was – dat hij er echt voor was gaan zitten. […] Een paar jaar na de dood van Reznikoff kreeg ik een brief […] van een vriend die in het American Poetry Archive […] werkt – waar Reznikoffs verzamelde manuscripten onlangs waren verkocht. Toen hij het materiaal doornam, vertelde mijn vriend me, was hij gestuit op Reznikoffs exemplaar van Unearth. Verbazingwekkend genoeg stond het boek vol kleine aantekeningen in de marges en klemtoontekens die Rezinkoff in de gedichten had aangebracht.’

Toen ik dit voor het eerst las, moest ik denken aan die ene ontmoeting die ik met Brands had. Vorig jaar. Hij haalde mijn recensie nog even aan, en zei zich op mijn debuut zei te verheugen. Geen standaardbeleefdheid, maar oprechte interesse. Het stelde me gerust: de debutant die de zegen van de gevestigde dichter krijgt. Zo moet ook Auster zich hebben gevoeld. Afgelopen maandagavond las ik alleen de fragmenten van Reznikoffs poëzie die Auster in zijn essay op had genomen. Ik dacht aan Wim Brands en wist nog van niets.

Een halfuurtje, drie kwartier daarna: een facebookbericht. Wim Brands overleden. Eerste gedachte: verdomme. Ik zeg dit soort dingen niet snel, maar Brands was een held van me. Dat kwam vooral door zijn poëzie; in mijn ogen was hij een dichter, die óók presenteerde. Maar voor Boeken verdient hij uiteraard ook lof. Brands was een geïnteresseerde, belezen interviewer. Die aandachtigheid kenmerkte hem ook als dichter. Neem het openingsgedicht van Neem me mee, zei de hond (de eerste hedendaagse gedichtenbundel die ik kocht), dat de toon zet voor de bundel:

Zo veel wereld, voor mij
een tanker, een oude
meeuw.
Ik kijk, het huis in mijn
rug, en diep uit een
broekzak mijn bos,
ik vertel verhalen
over alle sleutels.

Het gedicht is Brands’ poëtica in het kort: het observeren, het vertellen dat daaruit volgt. Het enige atypische is die andere betekenis van ‘bos’ die hier doorschemert; een ambiguïteit die zeldzaam is voor zijn poëzie, waarin zelden de taal voorop staat. Soms is er een mooie vergelijking (‘Als het heeft gesneeuwd schudt de stad haar ziel uit, / zoals een hond zichzelf verlost / van water na een duik in de late lente’), maar meestal is het taalgebruik zo kaal mogelijk, en staat de situatie voorop. In Brands’ gedichten is de wereld zoals die is, en die is vaak enigszins surrealistisch, inclusief pratende honden en engelen. In zijn debuut Inslag (1985) laat hij veel van die karakteristieken al zien. Hij toont zich vooral een verstilde natuurdichter, al is de mens nooit ver weg, zoals het titelgedicht goed laat zien:

De bomen zijn oud
en verleiden niet meer.

In de tijd van zwart-wit
ronkte hier een vliegtuig

rakelings over de takken
die zuchtend lokten.

Niemand zag de val

diep in het gat van de klap-
rozen rood

de bomen zijn kromgetrokken

ze buigen naar de piloot.

De blik, toon en beknoptheid uit het latere werk van Brands is hier al zichtbaar. Daarin is niet langer de natuur, maar de stad het decor. Op het omslag van Neem me mee, zei de hond (2010) staat weliswaar een stadsplan van New York, maar meestal lijkt het Brands niet om een specifieke stad te gaan; eerder om een abstract idee van ‘de stad’. Dat idee wordt wel zo concreet mogelijk aangekleed: de metro, een transformatorhuisje, een telefooncel, een piano op de straathoek. Bob Dylan woont er, net als Elvis. De dood huist er, getuige een opgenomen vertaling van een Charles Simic-gedicht:

Hij is onder ons, niet herkend: een kaper, een kantoorbediende
postbode, bodybuilder, danser, hondenuitlater

[…]

O dakloze oude man in het portiek, je gezicht half verscholen,
ik zou zelfs de zwarte kat die oversteekt niet
willen uitzonderen; de lamp die in de ondergrondse boven
ons bungelt als de metro stopt.

Toen ik de bundel voor het eerst las, schreef ik gedichten waarin ik veel wilde zeggen, al wist ik niet goed wat. De gedichten van Wim Brands waren een openbaring: die zeiden veel met zo weinig mogelijk. In een interview vertelde Brands over hoe hij zijn gedichten wilde schrijven: ‘Dat je twee palen in de grond slaat, en zie: een gebouw. Vooral Amerikanen zijn daar goed in.’ Daarna las ik zoveel mogelijk van de Amerikaanse dichters die hij noemde en vertaalde. Ook zij wezen me het goede pad: een anekdotische vorm waarin ik kon werken en groeien; scènes maken, situaties uitvinden – ‘inventing situations’, zoals in het Talking Heads-liedje ‘Found a Job’. Soms heb je iemand nodig die je laat zien hoe het ook kan.

Een paar jaar later begon ik met optreden op poëzieavonden , en ontmoette veel van de Nederlandse dichters die ik bewonderde. Alleen Brands had ik nog nooit ontmoet, maar het zou er van gaan komen op Dichters in de Prinsentuin. Brands moest echter wegens persoonlijke omstandigheden afzeggen. Hij stond, net als ik, wel in de festivalbloemlezing. Tussen ons stond Tsead Bruinja, maar dat was de schuld van het alfabet. Dichter bij een ontmoeting zou ik op dat moment niet komen.

En toen kwam daar, een paar jaar na het lezen van Neem me mee, zei de hond (dat ik in de tussentijd geregeld herlas) een nieuwe gedichtenbundel van Wim Brands: ’s Middags zwem ik in de Noordzee. De bundel was lyrischer, persoonlijker. De gedichten waren minder mysterieus, maar kwamen daardoor veel dichterbij. De surreële elementen waren er zo goed als uit; de gewone wereld was al vreemd genoeg. Het stadsleven raakte op de achtergrond, en het gezinsleven op de voorgrond. Daarnaast wijdde Brands verschillende gedichten én een brief aan zijn vader. Het prachtige openingsgedicht:

In de eerste nacht nadat ik had
gehoord dat je ziek was
schrok ik wakker.

Het waaide buiten. Het waait, zei
jij, die nog geen oog dicht had
gedaan, en je glimlachte.

Ik begreep het pas later.

Wat er ook is, het zal de natuur
een zorg zijn.

Het waait, het waaide – buiten klonk
de troost van de onverschilligheid.

Nu ik teruglees, terugblader, wordt mij snel duidelijk dat die intieme kant er altijd al is geweest. Denk bijvoorbeeld aan de vader en dochter die samen ‘door een röntgenfoto // van zijn zieke longen naar een / zonsverduistering keken.’ Ook de ontroerende vadergedichten in ’s Middags zwem ik in de Noordzee staan niet op zichzelf; in de eerdere bundels staan er eveneens mooie gedichten over het thema, zoals ‘De jas’:

[…]

Ik kijk
in de ruiten en zie
voor het eerst mijn vader in deze stad lopen.
Waar ga je heen? ‘Nergens heen.’
‘Dan gaan we dezelfde kant op.’

Onze ontmoeting vond vorig jaar plaats, tijdens een festival in Bredevoort. Brands zou er zijn. Neem me mee, zei de hond en ’s Middags zwem ik in de Noordzee gingen mee in de tas. Die ochtend keek ik nog naar Boeken, en ’s middags bleek dat hij in het echt precies zo was als op tv: een lieve, rustige, aandachtige man met een grote interesse in literatuur, in andere mensen, in de wereld om hem heen. Hij herkende me toen ik me voorstelde, stelde me voor aan zijn vrouw en begon over de recensie die ik over zijn laatste bundel schreef. Hij signeerde vervolgens de bundels die ik mee had gebracht en schreef in beide een persoonlijke opdracht. Soms kijk ik even naar die handtekeningen.

De gedichten van Wim Brands zijn geciteerd naar De schoenen van de buurman (1999, Podium), Neem me mee, zei de hond (2010, Nieuw Amsterdam) en ’s Middags zwem ik in de Noordzee (2014, Nieuw Amsterdam). De opmerking uit het interview komt uit ‘Wim Brands – “Ook als ik hemelwaarts probeer te gaan sta ik met beide benen op de grond”’, dat op de website Tzum verscheen. Het fragment van Paul Auster is geciteerd naar Levenswerk. Verzamelde non-fictie (2015, De Bezige Bij). De vertaling van het fragment is van Johannes Jonkers.


Maarten Buser (1991) studeerde Nederlands en letterkunde in Nijmegen. Hij werkt als freelance journalist en poëzie- en popmuziekrecensent. In januari dit jaar verscheen zijn eerste gedichtenbundel Club Brancuzzi bij uitgeverij Koppernik. Hij won de Nijmeegse voorronde van schrijfwedstrijd Write Now! en schreef ‘Ex-patrouille’ voor de finale.

2 gedachtes over “In memoriam Wim Brands (1959-2016)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s