Het boekendorp

Tekst: Dorien Dijkhuis ♦ Header: Jente Hoogeveen ♦  Illustraties: Charlotte Van Hacht

Is er een betere plek voor een schrijfretraite dan een dorp dat letterlijk gered is door de literatuur? Er zijn schrijvers die zweren bij grote steden; steden met een ziel die je boven jezelf uit laten stijgen, New York, Londen, Parijs, steden waar inspiratie zindert als zomerhitte boven asfalt. Maar ik wilde naar Redu, een dorp in de Belgische Ardennen. Dertig jaar geleden verdween het bijna van de kaart; de landbouwopbrengsten vielen tegen, gezinnen trokken naar de steden en in hun kielzog verdwenen de kruidenier, het postkantoor, de school, het leven zelf. Maar dat was dus buiten de literatuur gerekend.
Hoe blaas je een dorp nieuw leven in? Door het te vullen met verhalen. Een slimme schrijver, begaan met het dorp en haar lot, vulde Redu’s schuren, verlaten huizen en oude winkelpanden tot de nok toe met tweedehands boeken en veranderde het dorp in een groot antiquariaat. Mensen komen uit de hele wereld om langs de kilometers boekenplanken te struinen. Op de terrassen serveert men Belgisch bier en Ardense specialiteiten. De gezinnen keerden terug, op het schoolplein voetballen weer kinderen. Het dorp telt zeventien boekhandels; één voor elke twintig inwoners.
‘Redu, Village du Livre’. Een plek waar de kracht van de literatuur zich zo duidelijk had gemanifesteerd, daar zou ook ik door die kracht worden aangeraakt. Ik zou er omringd zijn door verhalen én in afzondering kunnen werken aan een aantal verhalen waar ik al een tijd op broedde, maar waar ik door de hectiek van het dagelijks leven steeds niet aan toegekomen was. Misschien zou ik zelfs in één ruk een hele bundel schrijven. Ik kende verhalen van schrijvers die dat gelukt was in korte tijd.

Charlotte van Hacht 1Madame Brunot ontving me als een lang verloren kleindochter. De lucht was vol lentegeluiden en de weezoete geur van gemaaid gras. Ze wees me het huisje naast de boerderij dat de komende veertien dagen mijn onderkomen zou zijn. Het had houten luiken en er slingerde klimop langs de stenen muren. Naast de voordeur lag een stapel hout. Het waren de laatste stammen die Monsieur Brunot kapte voor hij aan het begin van de winter plotseling in zijn slaap overleed, maar het zou wel voldoende zijn, dacht ze. De dagen werden weer warmer, de zomer hing al in de lucht.
Haar ogen stroomden vol met herinneringen aan voorbije zomers. Ze sloot ze kort en schudde licht haar zilveren haren. Toen ging ze me voor het huisje in: ‘le fournil’, het bakhuis. Hier bakte de dorpsbakker vroeger zijn brood. Ik woonde dus in een enorme en eeuwenoude oven. Mijn hart sloeg over bij zoveel geschiedenis. De verhalen lagen hier voor het oprapen. Het keukentje, de openhaard, de simpele schrijftafel en de kleine slaapkamer op de tweede verdieping. De wereld was perfect.

Althans, zo leek het.
Ik popelde om te beginnen met schrijven. Ik stalde mijn nieuwe schrijfblok en mijn pennen uit op het bureau, zette water op voor thee en ging zitten. Vanaf mijn schrijfplek had ik uitzicht op de boerderij met leistenen dakpannen. Het middaglicht zette de hoeve en de heuvels van de Ardennen in een gouden gloed. Mijn raam was een lijst, het uitzicht een schilderij van een zeventiende-eeuwse landschapsschilder. Terwijl de avond viel keek ik naar de zwaluwen die als papieren vliegtuigjes rond de boerderij doken.
Die avond bleef mijn schrift leeg.
De dagen erop ook. Soms zag ik vanaf de plek waar ik probeerde te schrijven de weduwe rond haar huis schuifelen. Ze ging gebukt onder een groot verdriet. De zwaarte ervan drong dwars door de dikke muren. Het maakte me onrustig. Voortdurend stond ik op om thee te zetten of door de kamer te ijsberen.
Ik sliep slecht. Er waren onbekende geluiden. Krakende vloeren, takken die tegen het slaapkamerraam tikten, nachtdieren in de klimop. Ik droomde vreemde dromen waarin verschillende stemmen door elkaar fluisterden. Wanneer ik wakker werd herinnerde ik me enkel losse woorden.
Er waren ook praktische zaken: de kou bijvoorbeeld. Hadden de dikke muren er ooit voor gezorgd dat de warmte van de oven niet weglekte, nu voorkwamen ze dat de prille lentezon de woning verwarmde. Buiten fladderde de voorzomer, binnen bleef het winter. Omdat er te weinig hout was om ook overdag een vuur te laten branden trok ik alle kleren aan die ik bij me had. Ik vervloekte mezelf dat ik geen dikkere jas had meegenomen.

Charlotte van Hacht 2Af en toe trok ik mijn hardloopschoenen aan. De bergen en de inspanning zouden mijn zinnen verzetten, de wind zou mijn hoofd leeg waaien. Maar ik raakte voortdurend verdwaald op de kleine modderige bergpaadjes. Dikwijls liepen ze dood en moest ik omkeren. Ik probeerde het symbolisch op te vatten. De onbekende hardlooproute was als het schrijfproces zelf: moeizaam, uitputtend, vol hindernissen en doodlopende wegen. Maar door vertrouwen en volharding zou je uiteindelijk – zij het via omwegen – je doel bereiken.
Elke ochtend ging ik vol goede moed aan mijn schrijftafel zitten en soms schreef ik een halve pagina, maar de zinnen die ik schreef misten bezieling. ’s Avonds voerde ik het grootste deel aan de vlammen.

Ik onderdrukte de neiging mijn vriend te bellen en mijn wanhoop te delen. Dat was makkelijker dan het lijkt; in een opwelling van romantische dramatiek had ik op het laatste moment besloten mijn telefoon thuis te laten. Zonder communicatiemogelijkheden zou ik niet worden afgeleid en des te meer schrijven. Als we elkaar iets te melden hadden, konden we brieven schrijven. Een ouderwetse, maar o zo romantische en ten onrechte in onbruik geraakte manier van communiceren.
Charlotte van Hacht 3Mijn brieven waren lange treurzangen. Ik schreef hoe ik in de greep leek van een vreemd soort verlamming, zoals wanneer je te lang op je arm hebt gelegen. Zo afgestompt voelde mijn geest. Misschien was het goed als hij naar Redu kwam. Met hem aan mijn zijde zou de inspiratie vast rijkelijk vloeien.
Er kwam een brief terug, een en al hart onder de riem. Dat het vast en zeker een fase was waar ik doorheen moest, dat alle schrijvers waarschijnlijk zo’n proces meemaken. Om me op te vrolijken voegde hij twee berichten bij. Het ene was een kort krantenbericht over een pinguïn die elk jaar vierduizend kilometer zwom om de Braziliaan te bezoeken die hem jaren geleden van de verdrinkingsdood redde in een plas olie. Als ik daar niet vrolijk van werd…
Het was de enige keer in die twee weken dat ik mezelf toestond te huilen. Nu wilde ik ook een pinguïn. Of in ieder geval iemand die een onmetelijke afstand wilde overbruggen om me te zien.
Het andere bericht was een citaat van Virginia Woolf, gekopieerd uit een biografie: ‘Tweedehands boeken zijn wilde boeken, dakloze boeken. Ze zijn bij elkaar gekomen in grote groepen van velerlei herkomst en hebben een charme die getemde boeken niet hebben. Bovendien, in dit willekeurig gemengde gezelschap kunnen we zomaar stuiten op een vreemde die, met een beetje geluk, één van de beste vrienden wordt die we op deze wereld hebben.’
‘Geniet dat je daar tussen al die verhalen zit en lees maar lekker veel,’ had mijn vriend eronder gekrabbeld. ‘Vertrouw op de kracht van de literatuur.’

Charlotte van Hacht 4Hij had gelijk. Virginia Woolf had gelijk. Ik ging het dorp in.
Is er een heerlijker geur dan die van een tweedehands boekenzaak? In de eerste winkel waar ik kwam vond ik een boek van Woolf dat ik nog niet had gelezen. Ik zag het als een vingerwijzing van het lot en rekende af. Tevreden streek ik ermee neer op een terras en vierde mijn aankoop met een groot glas Leffe blond. De rest van de middag begaf ik me van boekenzaak naar boekenzaak met af en toe een pitstop voor een Belgisch biertje. Bundels vol Amerikaanse korte verhalen verdwenen in mijn rugzak: Carver, Davis, Munro, Cheever. En romans… Wat was er veel dat ik nog niet gelezen had! Klassiekers als The Catcher in the Rye, Madame Bovary, Moby Dick en Don Quichot, het grootste deel van de Russische bibliotheek…
De avond viel. Zwaarbeladen zwalkte ik huiswaarts. Ik stapelde mijn nieuwe aanwinsten naast de bank, de toren reikte tot boven de leuning. Ik sleepte de laatste blokken hout naar de haard en maakte vuur. Vanaf de bank staarde ik naar de enorme boekenstapel, maar ik kon me er niet toe zetten er een open te slaan. Ik dacht aan de dode meneer Brunot, aan de ontstaansgeschiedenis van het dorp en de geschiedenis van het bakhuis, aan de weduwe met haar verdriet en alle andere verhalen die er in het dorp rondzongen.

Die avond dansten de vlammen lang en magisch.
De volgende ochtend reed ik onder een schoongewaaide hemel naar het noorden.


 

Dorien Dijkhuis (1978) is schrijver en journalist. Ze schrijft poëzie, proza en reisverhalen. Voor de rubriek ‘Literaire Bestemmingen’ doet ze wat ze het liefst doet: schrijvend reizen en reizend schrijven. Zie ook www.doriendijkhuis.nl.

Charlotte Van Hacht (1991) schrijft en tekent. Ze studeert beeldverhaal in Sint-Lukas Brussel en is freelance journalist voor De Morgen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s