Sneeuwjurken

Door: Jente Hoogeveen ♦ Beeld: Alexandre Estrela

Gezien:            ‘Antipodas’ (2011) door Alexandre Estrela
Waar:                M HKA, Antwerpen
Wanneer:        februari 2016 ( ‘Roda Lume’ te zien t/m 8 mei )

Het meisje achter de bar heeft een linkeroog dat een beetje loenst waardoor ik niet zeker weet tegen wie ze het heeft.
‘Of u de special wilt?’ herhaalt ze nog eens.
‘Wat is de special?‘ zeg ik, omdat niemand in de rij reageert.
‘Pistachio en Rose Caramelino.’
Ik vraag haar wat dat betekent.
‘Espresso met melk, slagroom, pistachenootjes, karamel en rozenblaadjes on top.’ Ze leest het af van het bord waar ik recht op uitkijk. ‘Echt een feestje,’ voegt ze er zelf aan toe.
‘Oké,’ zeg ik. ‘Ik wil wel een feestje.’
Haar collega, een mollige jongen in een schort, vraagt hoe ik heet.
‘Lucas,’ zeg ik en steek mijn hand uit. Dat is niet de bedoeling. Ines kijkt geïrriteerd om zich heen. De jongen schrijft mijn naam op de papieren beker en geeft hem door aan collega nummer drie. Die geeft de beker door aan collega nummer vier.
‘Gaat u daar maar bij staan,’ zegt hij en wijst naar een groepje mensen aan de andere kant van de bar. Het groepje scrolt door  hun telefoons. Er is ook een vijfde collega die de namen van de bekereigenaren omroept.
‘Zoë. Laurens. Bram.’
‘Zoek maar vast een plekje,’ zeg ik tegen Ines.
De zaak is klein en warm, er hangen foto’s van lachende mensen die zakken met koffiebonen sjouwen over zanderige paadjes. Daar ziet het er nog warmer uit dan hier.
‘Lidia!’
Lidia werkt zich door de rij en haalt twee latte machiatto’s op bij de bar. Een andere man loopt scrollend achter haar aan. Ines is bij een tafeltje aan het raam gaan zitten, ook zij scrolt. Haar scheve pony valt voor haar ogen.
‘Dat hoort zo,’ zei ze toen ik haar vanochtend ophaalde.
‘Niet zelf geknipt?’
‘Vijfendertig euro voor betaald. Of nou ja, mama heeft betaald.’
Tot een half jaar geleden kwam Ines iedere maand een weekend bij mij logeren. Ik haalde haar op met de auto, net zoals nu, hoewel het niet eens zo ver fietsen is. Ik sliep op de bank, zij in mijn bed. We aten chips in mijn bed, de bank dus, en keken Echte meisjes in de Jungle of Help, mijn man is klusser. Maar zes maanden geleden belde ze de donderdag voor ons weekend op.
‘Ik kan dit weekend niet komen.’
‘Hoezo niet?’ vroeg ik.
‘Ik heb afgesproken met vrienden.’
‘Je vrienden kunnen ook hier komen.’
Het bleef stil aan de andere kant van de lijn.
‘Je moeder en ik hebben dit zo afgesproken,’ zei ik. ‘In een contract, dat je eens in de maand bij mij bent.’
‘Dat contract geldt al lang niet meer,’ zei Ines. ‘Volgens mama mag je vanaf je twaalfde zelf beslissen bij wie je wilt zijn en ik ben graag bij mijn vrienden.’
Nu bleef  het stil aan mijn kant van de lijn.
‘We kunnen koffie drinken,’ zei Ines na een tijdje.
Ik knikte, ook al wist ik dat ze dat niet kon zien. Nu drinken we dus eens in de maand koffie.

‘Thomas!’
Niemand in de rij reageert.
‘Thomas,’ roept collega nummer vijf nog eens. Hij kijkt naar nummer twee, die wijst naar mij.
‘Lucas,’ zeg ik.
‘Ja,’ zegt nummer vijf. ‘Soja chai latte en een Pistachio en Rose Caramelino.’
Ik pak de bekers van de bar.
‘Soja?’ vraag ik als ik de papieren bekers op tafel zet.
Ines kijkt niet op van haar telefoon.
‘Mama vindt dat we allergisch zijn voor lactose,’ zegt ze terwijl ze een foto bekijkt van een meisje dat een flamingo aait op een zonnig strand. ‘Dat heeft ze gelezen in een tijdschrift, dat veel mensen allergisch zijn voor lactose zonder het te weten. Dat doen we dus niet meer, voor het geval dat.’ Ze brengt het gaatje in de plastic deksel naar haar mond, blaast lucht naar binnen. Dan schuift ze de beker en de telefoon opzij en kijkt naar buiten. Het is maart, zonnig, de mensen op straat zijn in de war. Sommige lopen met sjaals en winterjassen, anderen in hun T-shirt. Ines draagt een laag truitje met een V-hals en een leren jas die net iets te groot is.
‘Hoe is het op school?’
‘Goed.’
‘Leuk?’
‘Meestal niet.’
‘Haal je goede cijfers?’
‘Zullen we het niet over school hebben?’
‘Oké.’
We kijken weer naar de verwarde mensen op straat. Jonge ouders rijden hun kinderen rond in bakfietsen, een oude man likt een ijsje dat te hard smelt van zijn hand af. Wellicht likt hij te langzaam. Twee jongens in gekleurde sportjassen en mutsen komen binnen, ze zwaaien naar Ines. Zij steekt nonchalant haar hand op.
‘Klasgenoten?’ vraag ik.
‘We zouden het toch niet over school hebben?’
‘Ik vraag je iets over die jongens, niet over school.’
‘Niet echt,’ zegt Ines.
‘Niet echt?’
‘Die jongens, het zijn niet echt klasgenoten.’
‘Waar ken je ze dan van?’
‘Uitgaan.’
‘Ga je uit?’
Ines schudt kaneel in haar soja chai latte en roert met een houten stokje door de roze brei.
‘Je bent vijftien,’ zeg ik.
‘Goh,’ zegt Ines.
‘Je mag nog helemaal geen bier drinken.’
‘Wie zegt dat ik bier drink?’
‘Vindt mama dat oké?’
‘Mama vindt tegenwoordig alles oké.’
‘Behalve lactose.’
‘Dat is omdat ik lactose zelf ook niet oké vind.’ Ze gooit het roerstaafje op tafel, de soja chai latte spettert over het tafelblad. Ze staat op en schuift haar stoel aan.
‘Wat ga je doen?’
‘Wc’

Ines heeft genoeg van haar soja chai latte. Terwijl ik binnen mijn feestje opdrink, leunt ze buiten tegen de auto, die ik voor veel te veel geld per uur heb geparkeerd. Een van de jongens loopt naar buiten en laat zich naast Ines tegen mijn auto zakken. Ines lacht, de jongen doet een vogel na of een vliegtuig. Misschien is het een windmolen – de jeugd wordt steeds milieubewuster, las ik in de krant.
‘Hoi,’ zeg ik als ik naar buiten stap, voor de zekerheid geef ik geen hand.
‘Hoi,’ zegt de jongen. Hij heeft zijn sportjas uitgedaan en nonchalant over zijn schouder gelegd. Zijn ogen glijden over mijn lichaam: van mijn ongeschoren hoofd, naar de rode trui die zo vaal is dat hij roze lijkt en de spijkerbroek die ik met een riem strak om mijn middel heb getrokken.
‘Goede schoenen,’ zegt hij tegen mijn sandalen en dan tegen Ines: ‘Ik ga maar weer eens, mijn koffie wordt koud.’ Hij geeft haar een kus op haar wang, Ines kijkt onbewogen voor zich uit.
‘Leuke jongen,’ zeg ik terwijl ik de sleutel in het contact stop.
‘Ach,’ zegt Ines.
We rijden door de smalle straten van de binnenstad, er is veel verkeer. Een fietser rijdt tegen een oude man met een rollator op. De bestuurders van de auto’s voor mij stappen uit. De automobilisten achter ons toeteren, omdat ze niet kunnen zien wat er gebeurt. De jongen op de fiets rijdt door. Ines kijkt op van haar telefoon. Ze maakt een foto, eerst van de oude man, dan van de file.
‘Zielig,’ zegt ze en zoekt in het dashboardkastje naar kauwgom. ‘Rijden we terug langs het strand? Daar gaan we nooit meer heen, mama houdt niet van de meeuwen. Die schijten de auto onder en stelen haar friet.’
‘Sinds wanneer eet je moeder friet?’
‘Sinds Wessel.’
Ik kijk Ines aan. Ines kijkt naar de file alsof Wessel de gewoonste zaak van de wereld is.
‘Tuurlijk,’ zeg ik. ‘We rijden langs het strand.’

Het is druk op de boulevard, voor de haringkraam staat een lange rij. Een man en vrouw van in de veertig krijgen skeelerles van een meisje met een hoge paardenstaart. Van Ines moet ik rustig rijden zodat ze goed naar de zee kan kijken. Het water is leeg, op enkele surfers na. Volgens het bord van de kustwacht is het water zeven graden en staat er westenwind. Ines draait het raampje open.
‘Mag ik zwemmen?’
‘Het is koud,’ zeg ik. ‘Je hebt geen bikini bij je.’
‘Dan ga ik in mijn ondergoed, uiteindelijk maakt dat geen verschil.’
‘Ik heb geen handdoek voor je.’
‘Dan neem ik een trui.’
Ze wijst naar de stapel kledingstukken op de achterbank. Onderweg krijg ik het vaak warm en trek ik een trui of blouse uit. ’s Avonds vergeet ik die dingen dan  mee naar binnen te nemen, inmiddels ligt mijn gehele garderobe op de achterbank.
‘Ik kleed mij na het zwemmen om in de duinen,’ zegt ze. ‘Mijn natte ondergoed neem ik wel mee in een plastic tasje.’
Ze doelt op de andere verzameling die in mijn auto huist: lunchverpakkingen in plastic tasjes waar ik telkens weer tien cent voor betaal. Ik denk aan het programma Help mijn man is een verzamelaar en vraag me af wat Wessel ervan zal vinden, als ik mijn dochter thuis aflever met haar natte ondergoed in een Subwaytasje.
‘Vooruit,’ zeg ik en stuur de auto een parkeervak in.
Door het mulle zand sloffen we naar de branding waar het makkelijker lopen is. Op de golven groeien enorme schuimkoppen, alsof iemand zeep in het water heeft gegooid. Het aangespoelde schuim blijft op het harde zand liggen.
‘Sneeuw,’ zegt Ines.
‘Algen,’ zeg ik. ‘De zee wast zich schoon. Als algenkolonies afsterven, wil de zee ze niet meer hebben, dus spuwt ze de resten op het strand.’
Ines zucht.
‘Jij onttovert alles.’
‘Wat?’
‘Dat zegt mama, dat je de dingen onttovert, omdat je altijd zo goed weet waarom de dingen gebeuren.’ Demonstratief trek Ines haar broek en sokken uit. Dan haar leren jas en het shirtje met de V-hals. Ze maakt een hoopje kleren in het zand. Het is lang geleden dat ik haar zo heb gezien: kippenvel op haar blote huid, het uitstekende bolletje in haar navel alsof er iets van binnen naar buiten wil. Ze draagt een witte onderbroek met hartjes en een zwarte bh, die haar opeens heel volwassen maakt. Het mollige buikje zit er nog altijd. Van Anne-Marie mocht ik haar daarom nooit chips of cola geven. Ook niet in het weekend en ook niet stiekem in het weekend. Ines rent de sneeuw in, de golven klappen tegen haar rug. Het water spat hoog op. Ze begint zich in te zepen met het schuim, haar benen, haar armen, het buikje.
‘Pap, kom ook! Sneeuw in maart is super zeldzaam,’ schreeuwt ze.
Ik kijk naar het meisje in zee, de scheve pony, de zwarte bh en het schuim. Geïrriteerd trek ik het klittenband van mijn sandalen los. Ik trek de roze trui over mijn hoofd en gooi alles op een hoop, net als Ines. Dan ren ik de zee in. Het water is koud en het schuim stinkt. Ik ren naar haar toe, Ines staat van haar knieën tot aan haar nek in het schuim.
‘Wil je ook een sneeuwjurk?’ zegt ze. Zonder mijn antwoord af te wachten, begint ze mij in te smeren. Mijn benen, mijn armen, het buikje.
‘Die Wessel,’ zeg ik. ‘Is hij leuk?’
‘Mama vindt hem leuk,’ zegt Ines zonder op te kijken.
‘En jij?’
‘Meestal niet.’
‘Zoals school?’
‘Ik ga liever naar school dan naar Wessel. Hij stinkt naar sigaretten en natte hond. Niet zoals jij.’
‘Hoe ruik ik?’
‘Naar vader.’
Ines maakt met het schuim een baard op mijn wangen. Het prikt in mijn neus, ik doe mijn best niet te proesten. Heel even kijkt ze mij aan.
Ze zegt: ‘Mis je mama?’
‘Ik mis ons,’ zeg ik. ‘Zoals we waren.’
Ines pakt mijn handen en gebaart dat ik ook een baard bij haar moet maken. Ik schuim haar gezicht in, zij proest de sneeuw op mijn buik. Zo staan we in de zee, in onze sneeuwjurken met onze baarden. De wind waait kippenvel op ons gezicht. We kijken naar de boulevard, naar kinderen die honden achterna rennen en ouders op hun beurt de kinderen. Ines wijst naar het groepje meeuwen dat boven mijn auto cirkelt.
‘Schijtzooi,’ zegt ze.
‘Ja,’ zeg ik. ‘Schijtzooi.’

Antipodas_2 bij Sneeuwjurken


Jente Hoogeveen (1992) is schrijver, illustrator, productkunstenaar en ook nog student. Eerder aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag, tegenwoordig studeert ze Liberal Arts & Sciences aan de Universiteit van Utrecht. Ze schreef onder andere verhalen voor De Gids, Opium en DeBuren en stond afgelopen zomer in de finale van Write Now! De meeste verhalen en beelden ontstaan onderweg, in de trein of dwalend door de stad. Op zoek naar dat wat afwijkt, kleine details met grote verhalen. Kijk voor meer beelden en verhalen op haar website.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s