Tussen waken en slapen

Door: Sander Meij

De multidisciplinaire kunstenaar Jan Fabre (1958) is een grote naam in de hedendaagse kunstwereld. Hij exposeerde in tal van internationale musea, waaronder het Louvre, de Hermitage en het Stedelijk Museum, en zijn werk werd vele malen bekroond. Ook zijn vooruitstrevende werk als theaterregisseur en toneelschrijver kon op veel internationale waardering rekenen. Volgens zijn Wikipediapagina is Fabre actief in meer dan tien creatieve disciplines. Maar zijn recent verschenen bundel Restanten ten spijt, wordt de discipline ‘poëzie’ niet genoemd op zijn cv.

Waarschijnlijk is dat in overeenstemming met de manier waarop Fabre tegen zijn poëtisch werk aankijkt: volgens het begeleidend schrijven bij Restanten bevat de bundel ‘poëtische teksten waarin Fabre ons uitnodigt het domein van dromen en mythen te betreden.’ Hoewel de bladspiegel anders doet vermoeden, gaat het hier dus niet om gedichten. Dit benadrukt ook Sigrid Bousset, die het nawoord schreef: ‘Deze Restanten kan je niet onderbrengen in een bepaald genre als de poëzie.’

Wél belangrijk voor het begrip van de bundel blijkt de context waarbinnen het werk tot stand kwam. Fabre schreef Restanten tijdens zijn verblijf op twee extreem luxueuze hotelaccommodaties in respectievelijk Spanje en Marokko, zo lezen we in de inleidende mededeling. Opmerkelijk: waarom zou Fabre ervoor gekozen hebben om hiermee zijn bundel te openen, zo geïsoleerd van de rest? Er lijkt verder geen enkel inhoudelijk belang mee gemoeid.

Dan de poëtische teksten zelf. Wat daaraan vooral opvalt, is dat ze vaak uit aforistisch aandoende zinnen bestaan die zijn opgemaakt als gedicht. Neem bijvoorbeeld het openingsgedicht, ofwel de eerste poëtische tekst, simpelweg getiteld ‘1’:

Er zijn mythen

en er zijn dromen

Ondanks alle verschillen

hebben dromen en mythen

één ding gemeen:

ze zijn geschreven

in dezelfde vergeten taal

 

Deze fantasierijke vergeten taal

opnieuw leren

brengt ons

bij de belangrijkste bron van wijsheid:

de verwondering

Een brenger van inzichten

van onszelf naar onszelf

(…)

Je zou deze zinnen ook gewoon als volgt achter elkaar kunnen zetten: Er zijn mythen en er zijn dromen. Ondanks alle verschillen hebben dromen en mythen één ding gemeen: ze zijn geschreven in dezelfde vergeten taal. Deze fantasierijke vergeten taal opnieuw leren, brengt ons bij de belangrijkste bron van wijsheid: de verwondering. Een brenger van inzichten van onszelf naar onszelf.

Afgezien van de ogenschijnlijk nutteloze enjambementen in deze tekst, roept deze vragen op: wat bedoelt Fabre bijvoorbeeld met de ‘vergeten taal’? En hoe kan deze ‘fantasierijk’ zijn? Want de gedachte dat dromen en mythen in dezelfde ‘vergeten’ taal geschreven zouden zijn, is op zich een vrij lastige. Dromen worden allicht vergeten, maar je kunt gerust stellen dat mythen juist een van de pijlers onder onze beschaving vormen: ze worden voortdurend (her)lezen en steeds opnieuw geïnterpreteerd. De verwantschap tussen dromen en mythen berust niet zozeer op een ‘vergeten taal’, maar kan eerder gevonden worden in de verwondering. Vervolgens staat er dat deze vergeten taal een ‘fantasierijke’ is, maar hoe kan iets wat vergeten is, tegelijkertijd fantasierijk zijn? Je zou zeggen dat het feit dat een taal vergeten is, uitsluit dat die fantasierijk is. Of weten we uit de overlevering dat deze taal een fantasierijke moet zijn geweest? Moeten we in dat geval die taal opnieuw leren, om ons te kunnen verwonderen, immers ‘de belangrijkste bron van wijsheid’? Maar is het niet precies andersom: is het niet zo, dat juist úít de verwondering nieuwe talen, inzichten en ideeën voortkomen? Of om met Aristoteles te spreken: de oorsprong van elk denken is gelegen in de verwondering. Hugo Claus verwerkte dit complexe thema bijvoorbeeld in zijn roman De Verwondering en breidde het uit met zijn eigen multi-interpretabele visie op wat de werkelijkheid vormt. Maar waar bij Claus deze thematiek subtiel in het verhaal is ingebed, draagt Fabre ons op om eerst de gemeenschappelijke (‘vergeten’) taal van de droom en de mythe leren, zodat we ons dáárna opnieuw kunnen verwonderen. Misschien bedoelt hij daarmee dat we terug moeten naar een soort tabula rasa-achtige toestand, dat we onze aangeleerde patronen eerst moeten doorbreken. Dat kan natuurlijk, alleen is de formulering in dit gedicht dan wat ongelukkig gekozen. En nogal letterlijk bovendien, vooral in een bundel waarbij expliciet is benoemd dat het hier om poëtische teksten gaat.

Daar komt bij dat ik bij het lezen van deze en andere teksten in Restanten, regelmatig een imaginair opgeheven vingertje zag, alsof de schrijver wilde zeggen: let op, ik ga nu iets diepzinnigs zeggen. Zo lezen we in ‘23’:

De schoonheid van dromen is

niet de droom op zich

maar de vertelling van de droom

Hier had opnieuw net zo goed kunnen staan: De schoonheid van dromen is niet de droom op zich, maar de vertelling van de droom. Maar doordat iedere tekst in deze bundel is opgebouwd uit enjambementen, krijgen ze een soort opgelegde diepzinnigheid. Als je niet uitkijkt, ga je je daar op den duur aan storen:

18

 

De slaap treedt in

omdat we niet eindeloos kunnen waken

slapen en waken

wisselen elkaar af

Dat we nu eenmaal moeten slapen omdat we niet altijd wakker kunnen blijven, is op zich niet zo verwonderlijk en dat derhalve slapen en waken elkaar afwisselen evenmin. Niet echt regels om van wakker te liggen, kortom.

Verder refereert Fabre in zijn teksten volop aan de Griekse mythologie (Olympische goden, Oedipus, de uil van Athene, Morpheus), wat zorgt voor gelaagdheid. Zoiets kan leiden tot oorspronkelijke teksten die voor meerdere interpretaties vatbaar zijn en tegelijkertijd iets universeels hebben, teksten die onze blik op de werkelijkheid kunnen doen kantelen. De manier waarop Hugo Claus de Griekse mythen incorporeerde in zijn eigen werk, door er een geheel eigen draai aan te geven en tegelijkertijd hun veelvoudige waarde intact te laten, dwingt respect af. Iets soortgelijks heeft Jan Fabre mogelijk ook voor ogen gehad. Hij schrijft vaak over de grenssituatie tussen waken en slapen, vraagt zich af wat dromen zijn en vertelt daarbij over de invloed ervan op zijn eigen, scheppende werk. Dat is op zich een interessant uitgangspunt. Het is echter ook het enige onderwerp in Restanten, waardoor het spook van de herhaling zich onvermijdelijk aandient. Misschien is dat bewust, aangezien een slaapcyclus, het woord zegt het al, natuurlijk ook een reeks herhalingen is, die bij iedere herhaling inhoudelijk verschilt. Niettemin doet het hier op den duur wat gemakzuchtig aan. Als je het kwaadwillend zou willen stellen, lezen we in Restanten Fabres gedachtekronkels over zijn eigen ambivalente manier van omgaan met slapen, in combinatie met een nadrukkelijke fascinatie voor zijn eigen werk(drift).

In het nawoord lezen we bovendien het volgende: ‘Wie weet dat Jan Fabre zelf een uiterst moeilijke slaper is die ’s nachts zijn creatieve duivels ontbindt, beseft dat deze teksten in al hun kwetsbaarheid de blik naar binnen richten en zijn meest intieme zelf blootleggen.’

Let wel, het is niet Jan Fabre zelf die dit zegt, maar Sigrid Bousset. Nu ben ik de laatste die de ik-persoon zomaar gelijk zou stellen aan de auteur, maar als het klopt wat Bousset zegt dan moeten we dus in de ‘ik’ – die het inderdaad hoofdzakelijk over zijn eigen creatieve scheppingsproces, slapen en dromen heeft – inderdaad Jan Fabre zelf herkennen:

Toen al, in de baarmoeder,

bleef ik te lang wakker

Ik ben fier op de hoge slaapschuld

die ik door een teveel aan fantasie

ontwikkeld heb in mijn jeugd.

(…)

ik geef de voorkeur aan mijn hoge staat van alertheid

waarmee ik regelmatig het gevecht tegen het slaaptekort

overwin

Wat heb ik aan een zo goed als verlamd lichaam?

Als dienaar van de schoonheid

in mijn staat van waakzaamheid

met mijn niet aflatende scheppingsdrang

(…)

die gedreven kwaadheid die ik bezit

mag niet verzacht worden door te veel slapen.

De verwijzingen naar een ‘niet aflatende scheppingsdrang’ leggen een naar narcisme neigende fascinatie voor het ‘ik’ aan de dag, en maken je het als lezer lastig sympathie op te brengen voor de verteller – laat staan wanneer we deze moeten identificeren als de auteur ‘zijn meest intieme zelf’. Maar misschien is het zo, dat Fabre Restanten vooral heeft samengesteld voor zijn fans, die een dergelijke fascinatie voor zijn kunstenaarschap met hem delen.

Het nawoord wekt de indruk een lange flaptekst te zijn, waarin de bewondering en het ontzag voor de kunstenaar Jan Fabre soms met enig aplomb worden geëtaleerd. Bij monde van Sigrid Bousset: ‘In spontane perfectie wil hij wegglijden naar de achterkant van de tijd, en in het labyrint van de duisternis de poorten van het droomtheater openen.’ Helder. Maar een gevierde toneelschrijver maakt nog geen gevierde dichter/auteur van poëtische teksten.

In weerwil van de titel Restanten, doen Fabre’s teksten nergens als restanten aan. Ze zijn niet fragmentarisch van aard, iedere afzonderlijke tekst heeft een kop en een staart. Ondanks het feit dat deze teksten ‘poëtisch’ genoemd dienen te worden, zet Fabre daartoe weinig andere poëtische middelen in dan herhaling en een bladspiegel die we kennen van het genre poëzie, waarmee de indruk van een opgelegde diepzinnigheid wordt gewekt. Van klankrijm, ritme of andere stijlfiguren is verder nauwelijks sprake, maar misschien is dat met opzet zo, omdat Fabre niet binnen een bepaald genre geplaatst wil worden en dus ook de middelen die dat genre kenmerken wil vermijden.

Na het lezen van alle 41 teksten, beklijft het gevoel dat Jan Fabre vooral zijn eigen ambivalente houding ten opzichte van slapen en dromen wil aftasten, afgezet tegen zijn kunstenaarschap. Hij is hierdoor nogal in beslag genomen en het valt aan te nemen dat dit ook voor sommige van zijn fans geldt. Voor mensen die geïnteresseerd zijn in zijn oeuvre en persoonlijkheid zal Restanten wellicht dan ook een aanrader zijn, maar of Fabre met deze bundel ook een nieuw publiek aanboort, valt te betwijfelen.

Jan Fabre, Restanten
Jan Fabre – Restanten
Uitgeverij De Bezige Bij
ISBN 9789023495215, € 18,90


Sander Meij (1980) is neerlandicus en werkt als redacteur. Als dichter was hij onder meer te zien op Crossing Border, bij DWDD en won hij enkele prijzen. Hij publiceerde in tijdschriften als Hollands Maandblad, Op Ruwe planken en Het Liegend Konijn. In 2015 verscheen zijn poëziedebuut Nieuw eiland bij Nieuw Amsterdam. Lees hier meer artikelen van zijn hand.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s