Een geslaagde ode aan fictie, hipsters en ironie

Door: Djoeke Ardon

Meis staat op een afstand, en kijkt als een fotograaf naar zichzelf en de anderen in de Amsterdamse wereld van jonge, kunstzinnige hipsters. Bermuda, de debuutroman van Basje Boer, is in die zin een tijdsdocument: een ingeleefde etnografie van jong en hip(ster) zijn in Amsterdam. Van de oncomfortabele druk iemand te moeten zijn die zichzelf onderscheidt door het juiste drankje, de goede outfit, het passende citaat uit een film, de correcte mening. Van ironie en vooral: van buitenkant.

Het hoofdpersonage Meis heeft ‘een buitenkant die niet lijkt op wat erin zit’, en weet daardoor feilloos – hoewel constant met de typische ironische overdrijving van de groep waar ze bij hoort – haar vinger op het gebrek aan authenticiteit van anderen te leggen. Een feestje, voor haar georganiseerd door haar beste vriendin, haar bestie, met vrienden die niet haar vrienden zijn, wordt oncomfortabel en grappig herkenbaar door de flarden van citaten die we opvangen: ‘als fotograaf stelt ze niets voor, maar als mens is ze een enorm goede kunstenaar’, en ‘retro-retro, dat je met je sixtiespakje niet verwijst naar de sixties, maar eind nineties, toen retro nog gewoon retro was.’ Meis zweeft erboven, behalve als ze op het bewuste feestje een glas op de grond gooit en breekt met het ‘leuk meedoen’ dat van haar verwacht wordt.

Het doet het verhaal goed: de ironie, die als stijlvorm toch een beetje plat blijft, raakt doorbroken als Meis niet meer in interactie met anderen staat, maar angstig onder een deken op de bank ligt en later op filmische wijze met haar angsten breekt door ze een voor een ‘uit te voeren’. In haar opschrijfboekje staan de angsten die we allemaal voelen, maar voor Meis beheersen ze haar leven: online zijn, verdacht worden van iets wat je niet hebt gedaan, dronken worden, het donker. In een hotel, anoniem, streept ze langzaam al haar angsten door. Interessant blijft de aanwezigheid van de buitenwereld. Zelfs op dit moment van ultieme, intieme confrontatie met zichzelf is iedere handeling een citaat, een imitatie: ‘ze laat het water over haar polsen stromen. Dat doen ze weleens toch, in de film.’ Haar gedachten en handelingen worden gereflecteerd door mooi gekozen, korte scenes uit films die in cursief door het verhaal verweven zijn. Hierdoor komen we nooit echt in een binnenwereld, in een zelf, en is Meis een collage van de (beeld)culturen en de anderen die haar beïnvloeden. De ontmoetingen met anderen, steeds weer die hippe Amsterdammers waaraan ze niet kan ontvluchten, resulteren in verschillende versies van Meis, uitgedrukt door de kleren die mensen haar aantrekken, de drankjes die ze drinkt, de feestjes die ze bezoekt. Niet voor niets wordt Meis’ angst om doorzichtig te zijn tot het einde toe niet doorgestreept.

Authenticiteit en identiteit zijn fictie, zoveel wordt wel duidelijk. Een fictie die beangstigend oncomfortabel kan zijn, maar ook, tegelijk, de redding. Het boek is een ode aan fictie, aan de plaats waar alles mogelijk is. Hermansiaans wordt het, als het idool (alter ego?) van Meis opduikt. Een zelfverzekerde kunstenares die via fotografie films reproduceert – ironie! – en Meis gedurende het boek als een stem in haar hoofd aanmoedigt bij het overwinnen van haar angsten, blijkt gewoon op een woonboot in de gracht te wonen. Meis is direct inzetbaar voor haar, wordt een kunstproject, een maakbare narratief, en de kunstenares vraagt haar om bij interviews voor haar in te vallen. Een yogi-theezakje zegt: ‘grace is being someone else’. Spelend met de mogelijkheden van fictie, zet het verhaal je aan het denken over de vrijheid en onvrijheid van identiteit in de postmoderne wereld.

Het boek is vlot geschreven in de taal van jonge Amsterdammers die Meis, al staat ze er naar eigen zeggen buiten, perfect beheerst. Soms stoort de woordkeus, met woorden als ‘duh’ en ‘naatje’ en Engelse woorden als cool en fancy, waarvoor het excuus van de ironie niet altijd toereikend is. De beelden en metaforen zijn goed gekozen en eigentijds, al zijn ze af en toe wat slordig zoals bij ‘de lantaarnpalen gaan op commando aan.’

Meis’ zoektocht naar zichzelf leidt van het Amsterdamse Bos en Lommer tot een woonboot in de gracht. Een flinke zoektocht, maar voor de lezer blijft het wereldje waarbinnen alles plaatsvindt toch  beperkt. Zowel in taal als in setting blijft het boek keurig binnen de ring A10. Hoewel het verhaal thema’s aansnijdt die groter zijn dan Amsterdam, is Bermuda geen boek dat uitnodigt om het buiten zijn context te zien. Voor niet-Amsterdammers is het verhaal daarom bij vlagen te sterk naar binnen gekeerd. De Afbeelding Bermudaschrijfster had meer op zoek mogen gaan, meer ambitie mogen hebben om naar buiten te kijken, het verhaal groter en – ik durf het bijna niet te zeggen in dit zwembad van ironie –  universeler te maken. Dat zou de thematiek recht doen en bovendien is naar de navel van Amsterdam wel genoeg gestaard.

Basje Boer – Bermuda
Uitgeverij Nijgh & van Ditmar
ISBN 9789038800943 – € 18,50


Djoeke Ardon (1992) is schrijver, lezer en onderzoeker in wording, niet per se in die volgorde. Op dit moment studeert ze sociologie waarbij ze onderzoek doet naar migratie en de arbeidsmarkt. In 2012 publiceerde zij een bundel met korte verhalen (Iemand die terugzwaait) bij uitgeverij Lemniscaat.

Een gedachte over “Een geslaagde ode aan fictie, hipsters en ironie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s