Oneindig lange benen

Door: Giuseppe Minervini ♦ Beeld: Minke Schönthaler

Het is zo, zowaar ik besta. Ik zit te lezen en ik lees: ‘het is zo’. Mensen die naar me luisteren, weten dat het de waarheid is: ‘het is zo,’ zeggen ze.

Ik heb mijn benen over elkaar gelegd. Het debuut ligt op mijn schoot. Met mijn duimnagel pruts ik tussen mijn tanden. In de hoek zit een vrouw ook te lezen. Ze leest het boek van de uitbater van dit boekencafé. Het is hetzelfde boek als het mijne. Zij weet niet dat ik het boek aan het herlezen ben. Ze bestelt een koffie en kijkt naar mij. Ik haal de duimnagel uit mijn mond. Ze duikt terug in haar boek, ik kijk naar haar benen, oneindig lang en magisch. Ze doen je dromen. Ze kijkt weer naar mij en ik leg mijn hoofd, beschaamd, terug tussen de bekende woorden. Het café staat vol schrijfmachines. De vrouw die het boek leest, onderstreept er iets in. Misschien dat verdriet het duidelijkste voorbeeld is van het weinige dat de wereld voor ons betekent. Misschien leest zij dit boek nergens anders dan op de plaats waar het is geschreven, maar dat kan niet, want dan had ik haar al eerder gezien.

De vrouw met haar oneindig lange benen en ik zijn maar kleine schakels in de literatuur. Hoe zij leest, weet ik niet, maar mijn ervaring ermee kan ik in de volgende formule gieten: schrijvers vechten met zichzelf, lezers vluchten van zichzelf. Dat is een gewone rekensom. Als schrijvers zichzelf vinden in een boek, wordt schrijven gereduceerd tot mentale yoga. Als lezers zichzelf herkennen in de strijd van de schrijver, zijn het narcisten. Dan worden schrijvers spiegelfabrikanten. Dan bestaat de schrijfmachine uit een inwendig mechanisme dat de wereld aantrekt, het relevante opslaat en die gemarkeerde informatie vervolgens weer oproept wanneer er nood naar is. Alsof literatuur de taak heeft een verzonnen probleem op te lossen. Alsof een schrijver een profeet is. Ik neem mezelf voor dat het logisch is dat er stiltes vallen als je een schrijver ontmoet.

Deze tent wordt gerund door de weduwe van de auteur. Het verhaal gaat dat de schrijver af en toe in zijn eigen boekencafé kwam schrijven, op de schrijfmachine in de glazen kluis. Hij wilde dan met rust gelaten worden. Als dat gebeurde, moest er gauw een nieuw boek komen. Ik wacht op dat moment. Er is maar één boek van hem verschenen. Ik weet niet hoeveel manuscripten hij tijdens zijn leven afgerond heeft. Misschien verstopt de weduwe er heel wat. Misschien is zij wel de schrijfster van dit boek op onze schoot en is haar man zaliger slechts het gezicht op het achterplat. Ik weet het niet. Misschien is de persoon aan wie het gezicht op het achterplat van het boek toebehoort niet écht gestorven, maar is dat een leugen om meer boeken te verkopen en van deze plaats een bedevaartsoord te maken.

Ik geloof mijn ogen niet wanneer de schrijver op het achterplat van ons boek uit een boekenkast verschijnt. Blijkbaar leeft hij nog. Het verhaal dat hij dood is, is een leugen. Uit zijn broekzak haalt hij een sleutel en hij opent een van de glazen kluizen. De schrijfmachine is blauw en wit, een Remington Envoy III. De lezende vrouw kijkt niet op van haar boek. Ze mist een mirakel. Hij zet de schrijfmachine op de tafel in het midden van het café. Hij kust zijn weduwe. Zijn vrouw. Hij neemt een asbak uit een kast en drapeert zijn jas over de stoel. De asbak heeft de vorm van een doodskop.

De laatste passage uit de eerste roman van de schrijver was de grootste anticlimax die ik ooit had gelezen. Ik werd er pisnijdig van. Er vloeit bruisend bloed in de kamer dat stolt in herfstbladeren. De herfstbladeren waaien uit elkaar door de adem van de lezer. De herfstbladeren vallen als stenen op de grond wanneer de lezer zijn adem inhoudt. Hij beseft dat het te laat is. Het besef dat iemand altijd beter, wijzer, grootser zal zijn, snijdt in de zenuwen, in de reden waarom onze moeders ons op de wereld hebben gezet. We zouden liever verdrinken in bloed dan toegeven dat we niets betekenen. We zijn geen Salieri die zich in de schaduw van het genie Mozart zich de God van de middelmaat waant, we zijn Salieris in de schaduw van andere Salieris. Dit zullen we nooit toegeven. Die leugen zullen we blijven.

Ik kijk om naar de vrouw met het boek op de oneindig lange benen en sta recht. Ik streel de droge kaften van enkele boeken in een kast langs de wand, zodat het niet lijkt alsof ik recht op de schrijver afga. Zijn schrijfmachine vult de kamer met een requiem. Ik schaam mij een beetje voor mijn anonimiteit.
‘Dag, zou u dit boek willen signeren?’ vraag ik. Hij steekt zijn hand op, ik voel me schuldig, omdat ik de zin waar hij middenin zit verstoor.
‘Excuseer,’ zeg ik. Zijn hand gaat hoger. Met zijn andere hand duwt hij de hendel naar een nieuwe regel en kijkt mij dan aan.
‘Tuurlijk,’ zegt hij. Ik glimlach en toon hem het boek. ‘Maar eh… dit boek is niet van mij.’ Ik kijk naar het omslag en knik. Zijn boek ligt nog op het tafeltje naast de vrouw met haar oneindig lange benen. Ik voel haar ogen trouwens in mijn rug priemen.
‘Oh, nee. Verschrikkelijk gênant. Ik was aan het dagdromen en heb daardoor het verkeerde boek vast. Een ogenblik.’ Ik haast me naar het tafeltje. De schrijver kijkt naar mij en naar het boek dat ik hem ga geven. Hij duwt een sigaret uit in de open schedelpan van de doodskop en blaast de rook in mijn gezicht.
‘Heeft u een pen?’ Zijn vraag verbaast me. Een schrijver, een échte schrijver, heeft toch altijd een pen bij zich om in een notitieboekje te noteren wanneer hij met zijn vrouw over straat wandelt of bij vrienden thuis is of gewoon naar televisie aan het kijken is? Hij is toch ook maar een mens? Ik neem een pen uit de binnenzak van mijn jas.
‘Waarover gaat uw nieuwe roman?’ vraag ik.
“Dat weet ik nog niet. Ik weet nog niet of het een roman is.”
‘Er staat toch ‘roman’ bovenaan het blad?’
‘Ja, maar dat is voorlopig.’
‘Zo, u heeft al een beginzin, zie ik.’
‘Ja, wil je hem horen?’
‘Heel graag.’
‘Ik signeerde het verkeerde boek.’ Ik grinnik. Wat een slechte beginzin.
‘Waar haalt u het toch vandaan?’ Hij haalt zijn schouders op en concentreert zich verder op het blad. Ik wil me omdraaien en teruggaan naar mijn stoel, tot me opvalt dat de asbak er griezelig echt uitziet.
‘Is dat een echte…?’ vraag ik wijzend.
‘Deze jongen hier? Dit is Beckett. Vroeger moest hij typen voor Joyce. Nu mag hij dicteren voor mij. Zie je dat niet?’ Hij strooit de as uit op zijn schrijftafel en etaleert de leegte van de schedel.
‘Ja, ik zie het…’ zeg ik, ‘je kan dat Ierse putje zien.’
‘Maar aan niemand zeggen hè.’ Hij kust zijn wijsvinger.
‘Nee, nee… ik laat u verder schrijven.’
‘Bedankt,’ zegt hij. Ik open de roman die de schrijver signeerde. Mijn pen moet leeg geweest zijn. Er staat niets. De pagina’s ruiken naar oud zweet. Ze voelen korrelig aan, niet als papier, maar als gedroogde mensenhuid. Ik kijk naar de vrouw met de oneindig lange benen, ik knik en glimlach. Heeft de schrijver haar oneindig lange benen al gezien? Van die oneindig lange benen kunnen oneindig veel boeken worden gedrukt.
‘Wilt u iets drinken?’ vraag ik.
‘Wilt u iets drinken?’ antwoordt ze, ‘ik betaal wel.’
‘Laat u mij dan op z’n minst bestellen.’ Ik vraag een koffie en een cappuccino aan de vrouw van de schrijver. Ze heeft een droevig of jaloers gezicht. Ik weet niet welk.
‘Alles oké?’ vraag ik.
‘Welk boek leest u van hem? Of nee..’ ze herformuleert, ‘welke roman liet u signeren?’
Oneindig lange benen,‘ antwoord ik.
‘Zijn favoriet,’ glimlacht ze, ‘u heeft geluk.’
‘Ik snap het niet.’
‘Mijn man is schizofreen, Meneer. Hij is gek.’
‘Hoezo?’
‘Is dat niet duidelijk? Ik breng uw bestelling zo bij u. Hij is van het huis.’
Oneindig lange benen is toch zijn enige boek.’
‘Nee hoor,’ zegt ze zonder op te kijken.
‘Heeft hij er nog meer, dan? Dat wist ik helemaal niet.’
‘U zult het wel merken.’

Ik ga aan het tafeltje van de vrouw met de oneindig lange benen zitten en geef haar het geld terug. Ze leunt naar voren om de muntstukken aan te nemen. Oneindig lange benen verdwijnt bijna in haar schoot. Ze toont mij de welving van haar borsten. Ik staar naar een foto achter haar; een vrouw die zit te lezen. De vrouw opent haar benen. Een paarse vlek op haar dij wordt zichtbaar. Opent ze haar benen als noodkreet? Dan sluit ze haar benen en legt ze over elkaar.
‘Wat vindt u ervan?’ vraag ik, ‘van Oneindig lange benen?’
‘Dat gaat wel.’
‘Schrijft u? U lijkt me een schrijfster,’ zeg ik om haar te complimenteren. Te verleiden. Ik kijk naar de vrouw van de schrijver die de koffie komt brengen. Ook zij toont me de welving van haar borsten. Ze knipoogt naar me.
‘Daar heb ik de moed niet voor.’ Met een lepeltje schept de vrouw met de oneindig lange benen het melkschuim van haar cappuccino. We kijken allebei naar de schrijver aan zijn schrijfmachine. Alle deuren vallen plots dicht, we schrikken op. Ik bedenk dat we beter kunnen blijven zitten. Een ondeugende blik. Haar naam, wat is haar naam? De naam van de lezende vrouw met de oneindig lange benen? Ik kan haar niet vertrouwen.
‘Ik ook niet, als ik eerlijk ben.’

De schrijver komt uit zijn stoel. De schrijfmachine tikt verder. Hij ijsbeert, hij denkt, zo is het, en met zijn wijsvinger streelt hij de boeken zonder er ooit een te openen. Wij kijken naar hem, zwijgen, onze ogen prikken door de kou die uit zijn hoofd vloeit. Er waaien herfstbladeren op het donzig tapijt in het midden van de kamer.

We betalen alle drankjes. De vrouw van de schrijver bedankt ons en de schrijver bedankt mij. Ik koop nog een fles wijn. Ik houd de deur van het café voor haar open, snippertjes papier waaien naar binnen, de vrouw met de oneindig lange benen en korte rok moet zich bukken om haar hoofd niet te stoten. Nu staat ze buiten. Verdwenen. Ik wil haar achterna, maar de wind heeft de deur voor me gesloten. Ik sta met de klink van de deur in mijn handen. Ik duw en trek eraan, maar hij is al op slot. De vrouw van de schrijver zegt dat ik harder moet duwen, de schrijver zegt dat ik harder moet trekken. Ik ga op de grond zitten en lees het boek dat hij signeerde of niet signeerde. Het boek gedrukt op uiteengerukt vel. Vredige woorden, onschuldig als een dubbele kin. De zinnen, tandeloze monden vol nat bloed.

De kamer vult zich met bloed en herfstbladeren. De vrouw van de schrijver komt op mij af en knielt. Zij zegt geen profetisch woord en ik moet niet huilen.


Giuseppe Minervini (1994, Roeselare) studeert filosofie en Nederlandse taal- en letterkunde aan de KULeuven. Hij publiceert verhalen in onder andere literair tijdschrift Extaze, DW B en Gierik & NVT, schrijft en regisseert toneel en behoort tot een van de talenten van het traject Talent op Tilt. In kader van dit traject werkt hij aan zijn debuutroman Krank.

Een gedachte over “Oneindig lange benen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s