Duifzicht

Tekst: Jente Hoogeveen ♦ Beeld: Constant

Gezien:      ‘Groep Sectoren’ (1959) door Constant
Waar:         Gemeentemuseum, Den Haag
Wanneer:  juli 2016 (‘New Babylon’ te zien t/m 25 september)

Het was op een zaterdag dat ik besloot een duif te worden. Het was juli en de barbecue stond aan vanwege een verlate vaderdagviering. De familie had zich verzameld op het pleintje voor ons huis. Sinds Annemieke en Mo hadden besloten na de tweeling ook een hond en nog een kind te nemen, paste het gezelschap niet langer in onze achtertuin. Niki en Fin begroeven hun waterijsjes in het zand. Chris plukte aan zijn nieuwe vriendin die op haar beurt aan Tobias plukte, de hond, van Annemieke en Mo dus. Terwijl Teun de briketten op de barbecue legde die Pien had gekocht en Wies in een vissersstoel zat met bekerhouder, waar haar koffiemok met witte wijn net niet in paste, zag ik de acacia staan. De boom was mij eerder niet opgevallen, maar nu ik hem zo zag in de zomeravondzon aan de rand van het plein naast cafetaria de Blauwe Vis en Super Toko Cash & Carry, wist ik dat dit mijn boom zou worden.

In de krant had ik eens een interview gelezen met een kunstenares die een jaar leefde als een paard. Ze stond ermee op verschillende biënnales en verdiende goed geld aan alle publiciteit. Het lastigste, vertelde ze in dat interview, was het eten: van al het hooi en de paardenbrokken raakte haar darmen zo verstopt dat zij haar project voortijdig moest staken. Ik zag niet direct de lucratieve kant van mijn duif-zijn en had ook geen artistieke ambities, maar dacht dat ik prima van broodkruimels en frietresten zou kunnen leven. Dus klom ik in de acacia en kwam er niet meer uit.

De familie had er in het begin wat moeite mee, vooral Wies. Ze zei dat ze het ongezellig vond om zonder mij te ontbijten. Ik deed alsof ik haar niet verstond, want ik was een duif. Wies besloot daarop haar vissersstoel en ontbijt mee naar buiten te nemen en stationeerde zich iedere morgen onder de acacia. Na het ontbijt klopte ze haar placemat voor mij uit. Daarna las ze hardop de krant en vertelde mij de nieuwtjes die ze had opgevangen bij de kapper en de buurtsuper.

Mo en Annemieke kwamen langs met de tweeling en de hond aan een tuigje, omdat ze het niet voor elkaar kregen om hun gezin vrijwillig bij elkaar te houden. Pien en Teun hadden een tandem gekocht en droegen jassen in matchende kleuren. Chris kwam langs met zijn nieuwe vriendin. Ze was nog nieuwer dan die van de barbecue.

‘Pa,’ zei Chris. ‘Ik wilde even zeggen dat ik het oké vind dat je in een midlifecrisis zit en dat ik het ook oké vind als je mama inruilt voor een jongere vrouw of mijn studiegeld gebruikt om een sportwagen aan te schaffen. Een waterscooter, voor mijn part. Als je maar uit die verdomde boom komt.’
Ik keek naar Chris, zijn hemd zat vol asgrijze vlekken omdat hij te lui was om zijn sigaret fatsoenlijk af te tikken. Uiteraard zei ik niets en ik wachtte tot Wies de resten van het avondeten over het plein uit zou strooien.

Ook over het uitzicht viel niets te klagen. Het plein van mijn acacia grensde aan een druk kruispunt. Ik bekeek de files op dinsdag wanneer de Blauwe Vis kibbeling verkocht voor een euro en de meisjes op vrijdagavond die op het bankje voor Super Toko Cash & Carry wachtten tot de diensten van de jongens voorbij waren. Wanneer ik hoger klom, keek ik uit over onze wijk en zag het stadscentrum liggen. De stad die al vijfenvijftig jaar achter de letters van mijn postcode stond, maar waar ik zelden meer kwam sinds mijn ontslag. De kleuren van de kantoor- en winkelpanden waren verbleekt door zon en vuil, als een geometrisch landschap strekte ze zich uit tot aan de zee. Ik zag de tramsporen die in vloeiende lijnen over het grijze asfalt liepen en tegelijkertijd kriskras door elkaar waren aangelegd. Ik keek toe hoe de rijdende blikken de toeristen over de rails naar de grijze Noordzee vervoerden om ze daar als hoopjes kaviaar uit te spugen op het mulle zand. Ik bedacht mij hoe alles uiteindelijk daar uitkomt, in zee: het water van de grachten, het vuil van de stad, de wind en het braaksel dat wij op zaterdagnacht in de wc-pot laten kletteren en de diarree die volgt op zondagmorgen en dat je alleen al daarom maar beter in een acacia kunt zitten.

Op andere vlakken was mijn transformatie ingewikkelder. Probleem één was het vliegen. Ik kon hoppen, hangen, klimmen en springen, maar mijn vliegcapaciteit liet te wensen over. Aan de andere kant, pinguïns vliegen ook niet en dat zijn evengoed vogels. Het andere probleem was mijn ontlasting. Als er een ding was dat ik over duiven wist dan was het hun talent om altijd op het juiste moment en op de juiste plaats te mikken. Een vrouw op de fiets die geen deksel op haar meeneemkoffie heeft gedaan, de nieuwe schoenen van een jongeman op weg naar zijn eerste werkdag, de vooruit van een auto waarvan de tank met ruitenvloeistof net op is. Ik besloot eenvoudig te beginnen: iets opvallends en groots.

Onder de acacia stond de rode Opel Kadett B Coupe ‘F’ uit ’68 van de buurman geparkeerd. Ik kende geen enkele auto bij volledige naam behalve deze, omdat de buurman het mij al meerdere keren had verteld. Zesentwintig keer om precies te zijn, ik turfde het op een briefje dat aan de koelkast hing.

Ik klom een paar takken omhoog en keek tussen mijn benen door naar de rode wagen. De juist hoogte. Er werd getoeterd en gescholden op straat, maar op mijn plein was het rustig. Ik zakte door mijn knieën en wist dat ik op moest schieten: in deze houding hielden mijn bovenbenen het niet lang uit. Van de spieren, die ik zorgvuldig had gekweekt door het dertig jaar lang van half zeven tot drie rondfietsen met de post, was na negen maanden stilzitten nauwelijks nog iets over. Mijn onderrug zeurde, met mijn linkerhand hield ik me vast aan een overhangende tak en met mijn rechterhand liet ik snel mijn broek zakken. Een dikke kwak viel midden op de vooruit van de rode Opel Kadett B Coupe ‘F’ uit ’68. Het alarm van de auto ging af en de buurman rende naar buiten.
‘Wel godverdomme.’
Ik deed alsof ik niets had gehoord en staarde naar een bessenstruik aan rand van de straat waar ik de dag daarvoor behoorlijk tipsy van was geraakt.
‘Joop, wat is dit?’
Ik hopte een paar takken omlaag, om te zien of Wies iets had gehoord. Het was stil in de voorkamer.
‘Kom godverdomme naar beneden.’
Ik hopte verder naar een tak waar het bladerdek dichter was.
‘Joop?’
‘Roekoe,’ roep ik vanachter de bladeren.
‘Klootzak!’
De buurman liep terug over zijn grindpad en sloeg de voordeur achter zich dicht. Ik klom hoger naar de kruin van de acacia om te zien wat er vandaag gebeurde in de stad. Verscholen achter de Harem Lounge en Basic Fit kon ik nog net het voormalig postgirogebouw zien staan, inmiddels een flexwerkplek voor jonge duurzame ondernemingen. De flexwerkers hadden zich verzameld op de parkeerplaats die eveneens als moestuin diende. Links daarvan stond tram 1 stil midden op het Rijswijkseplein, twee zwaailichten reden aan.

Even daarna parkeerde ook een politieauto onder mijn acacia. De agent liep een aantal rondjes om de boom en sprak met de buurman die weer in zijn voortuin stond. Enkele gasten van de Blauwe Vis en Super Toko Cash & Carry kwamen naar buiten met hun friet en kokosmilkshakes.
‘Meneer,’ riep de agent. ‘Meneer, kunt u omlaag komen?’
Ik klom een paar takken omlaag.
‘Ik bedoel helemaal naar beneden.
Ik riep ‘roekoe’.
‘Meneer, spreekt u Nederlands?’
Onze voordeur ging open en Wies kwam naar buiten. Haar grijze haren zaten in een strakke vlecht naar achter gebonden. Ze droeg een groene zomerjurk en de blauwe Crocs die ik haar het jaar daarvoor cadeau had gedaan. Sindsdien hadden ze onaangeroerd in hun doos in de bezemkast gestaan, maar nu had ze de plastic klompen blijkbaar toch aan. Van begin af aan had ik geweten dat ze haar zouden staan. Zo te zien kwam ze net van het toilet, de pen en het kruiswoordpuzzelboekje hield ze nog in haar hand. Wies ging naast de agent staan en keek naar boven. Ik koerde haar toe.
‘Is dit uw man.’
‘Dit is een duif, ziet u dat niet?’
Ik glimlachte. Alleen van binnen, want duiven glimlachen niet.
Chris kwam aangereden op zijn fiets, dit keer had hij niets nieuws bij zich. Ook hij stopte onderaan de boom bij de agent.
‘Wat is er aan de hand?’
De agent wees naar de rode Opel Kadett B Coupe ‘F’ uit ’68.
‘Oh, shit.’
‘Ja, precies.’
Chris zette zijn fiets tegen het tuinhek.
‘Mevrouw,’ De agent keek naar Wies. ‘Kunt u aan uw man vragen of hij naar beneden komt? Anders moeten wij de brandweer bellen en dat gaat flink wat kosten, voor het redden van huisdieren uit bomen zijn ze natuurlijk niet opgeleid.’
‘Aan haar heb je niets,’ zei Chris. ‘Ze voedert hem zelfs.’
‘Duiven moet je niet voederen,’ zei de buurman. ‘Daar worden ze lui van en dan gaan ze vrouwtjes verkrachten.’
‘Dat doen eenden,’ zei Chris. ‘Duiven niet.’
Wies knikte instemmend.

En opeens begreep ik  waarom vogels kunnen vliegen. Je kunt niet zomaar andermans eigendom onderschijten zonder van de consequenties weg te vluchten. (Pinguïns daargelaten, die schijten in het water.) Ik keek van de rode Opel Kadett B Coupe ‘F’ uit ’68 naar de agent en Wies, naar de klanten van de Blauwe Vis met hun friet en klodders mayo en het vuile shirt van Chris.Daarop besloot ik te vliegen. Ik koos een lange tak en zette mij schrap tegen de stam. Ik rende totdat de punt van de tak mijn gewicht niet meer kon dragen, dit gebeurde sneller dan ik dacht, en sloeg mijn vleugels uit. Ik maakte lange slagen en vloog. Over het grasveld, over de stoep en over het asfalt. De wind blies mijn shirt bol en mijn haren naar de zon. Helaas kwam ik niet verder dan de etalageruit van de Blauwe Vis. Ik belandde tussen het glas op de witte stenen van de cafetaria en zag nog net dat het weer dinsdag was. De kibbeling kostte slechts een euro.

Groep sectoren (geheel)


Jente Hoogeveen (1992) is schrijver, illustrator, productkunstenaar en ook nog student. Eerder aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag, tegenwoordig studeert ze Liberal Arts & Sciences aan de Universiteit van Utrecht. Ze schreef onder andere verhalen voor De Gids, Opium en DeBuren en stond afgelopen zomer in de finale van Write Now! De meeste verhalen en beelden ontstaan onderweg, in de trein of dwalend door de stad. Op zoek naar dat wat afwijkt, kleine details met grote verhalen. Kijk voor meer beelden en verhalen op haar website.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s