De schat

Door: Iduna Paalman ♦ Beeld: Lieke Mulder

De eerste keer dat ik een tongzoen hoorde lag ik onder de grond. Ik was jarig en de speurtocht van mijn feestje eindigde in onze kelder, waar het rook naar metaal en koude stenen, waar de flessen wijn van oom Otto uit Duitsland in hun rekjes lagen te slapen, waar vijfenzestig flessen Spa Blauw stonden voor het geval er waterschaarste uit zou breken en waar het vooral heel donker was. Dat hadden mijn ouders – mijn moeder woonde nog bij ons thuis – goed bedacht: bij een speurtocht hoort een schat, en een schat hoort onder de grond. Alleen lag ik zelf niet in de kelder, maar in de kruipruimte van ons huis, de halve meter tussen vloer en kelder. Ik was de enige die hier al tijgerend terecht was gekomen en nu met samengeknepen ogen naar de schat zocht, de rest van mijn feestje stond gewoon rechtop in de kelder. Het kelderlicht was niet aangedaan omdat ook duisternis bij een schat hoort en omdat nu het brandende waxinelichtje in het met vloeipapier beplakte appelmoespotje van mijn moeder beter uit de verf kwam.
‘De jarige heeft de eer,’ had mijn vader gezegd toen hij trots het luik aan de kant schoof en het trapje naar beneden haalde.
Entrez!’ zei mijn moeder, te vrolijk, terwijl ze me bijscheen met haar potje en in de veronderstelling verkeerde dat ik de kruipruimte de spannendste plek van het huis vond, en er binnen mogen gaan het meest fantastische cadeau. Mijn verjaardag viel op de grens van winter en voorjaar. Het zou nog tot na de zomer duren voordat mama naar het nieuwe huurhuis zou verhuizen, maar nu al zag ik papa elke ochtend de lakens van de bank trekken, hoorde ik hem mompelen dat de harde sofa echt veel beter was voor zijn rug. Er moest iets bijzonders worden georganiseerd voor mijn verjaardag, wisten ze, voordat ik vragen zou gaan stellen.

Alle kinderen staarden naar het plafond van de kelder toen ik het trapje beklom en door het gat verdween. Pia riep me toe dat ze hoopte dat de schat uit veel snoep zou bestaan, Jeroen zei dat het dan vast wel weer van die suikervrije zooi zou zijn, Naomi dat ze het koud had en weg wilde hier. Ik lag gestrekt in de kruipruimte tussen het grind en het zand naar de schat te voelen en dacht: hier zijn ratten gestikt in het gruis en afgehakte vingers van ruwe bouwvakkers verteerd, hier zouden zich eenzame oorlogsmisdadigers schuil kunnen houden om langzaam te sterven.
‘Je moet er verder in,’ zei mijn kleine broertje, die altijd het meest heldhaftig klonk als hij zelf weinig hoefde uit te voeren.
‘Gebruik je vingers,’ zei Liesbeth, het vriendinnetje van mijn oudere broer, die samen met hem mijn ouders had geholpen deze feestelijke speurtocht vorm te geven.
‘Graaf, graaf!’ gilde Toon.
‘Als jullie nou allemaal even je mond houden,’ zei ik.
‘Ja,’ zei mijn moeder die kleuterjuf was en altijd op zoek was naar momenten van stilte.

Toen zweeg iedereen. Zachtjes legde ik mijn wang op een hoopje gruis dat grover dan zand was maar minder grof dan grind. Ik hoorde een waterleiding tikken en twaalf mensen onder me zachtjes ademhalen. Ik wist dat papa en mama hun best hadden gedaan, ze deden al weken hun best. Maar hoe meer ouders hun best doen, hoe vermoeider ze eruitzien. Papa droeg de truien die mama voor hem had gebreid maar was al in geen tijden naar de kapper geweest, zijn haar lag om zijn hoofd als een laag mos om een steen. Mama haalde me sinds kort met de auto op van vioolles zodat ik niet hoefde te fietsen, maar zei de hele weg naar huis geen woord. Iemand kuchte onder mij. Nu moet ik echt die schat gaan vinden, dacht ik, anders gaat er iets mis met de spanningsboog van deze speurtocht.

Op het moment dat ik mijn zoekactie aan iemand anders wilde overdragen (Jeroen en mijn broertje maakten net een plan waarbij er met een zandschop een tunnel moest worden gegraven, en iets met metaaldetectors) hoorden we het. Het geluid kroop zachtjes langs de kelderwanden en allemaal hielden we onze mond want het was dichtbij, het gebeurde in de groep: er plopten lippen, iemand likte, iemand zuchtte zachtjes. Een giechel, geroezemoes, schuivende voeten.
‘Er kussen mensen,’ fluisterde Pia.
‘Wie?’ vroeg Toon, en op dat moment werd door iemand het licht aangeknipt. Ik schoof met mijn gezicht naar het luik. Misschien deden papa en mama echt hun best. Ik keek naar beneden en daar stonden ze, mijn oudste broer en Liesbeth, hun ogen groot en hun wangen alsof ze net een middag door harde wind hadden gefietst, hun handen nog in elkaar als resterend bewijs. Mijn kleine broertje wees onmiddellijk naar ze.
‘ZIJ WAREN HET!’ gilde hij. Zijn wangen begonnen dezelfde rode kleur aan te nemen.
‘Jullie kusten,’ zei Pia.
‘Eh,’ zei mijn broer. Liesbeth mompelde iets van o jee en dat ze zich doodschaamde en toen klapte mijn feestje uit elkaar van gegiechel.
‘Jullie zoenden!’ riep Pia. Het beetje gruis dat aan mijn wangen plakte, dwarrelde nu door het luik naar beneden.
‘Nou,’ zei papa luid en hij klapte in zijn handen, ‘jongens, lieverd, als je nu eens rechts achterin voelt, daar bij dat bultje.’ Ik zag hem eerst naar mij en toen naar mama kijken. Ze zag eruit alsof ze elk moment om kon vallen, alsof ze zelf van gruis was gemaakt. Ik wilde een hol graven in de koude laag zand en er zelf als een schat in gaan liggen, ik wilde dat het feestje afgelopen was en dat papa’s rug snel beter zou worden.

Toen ik de schat uiteindelijk had uitgegraven (mama’s oude sieradenkist met daarin allerlei feestartikelen zoals marmerballonnen, Fimoklei, lichtgevende sterren, houten tolletjes en een soort papieren vogeltjes die je in de lucht kon gooien en die dan heel sierlijk naar beneden dwarrelden, een beetje als de gevleugelde stuifmeelvruchtjes van een esdoorn maar dan in slow motion) en het kruipruimtetrapje weer afdaalde, waren Liesbeth en mijn broer al uit de kelder verdwenen. Jeroen had een fles van Otto’s wijn in zijn hand en vroeg aan mijn moeder of hij daar een bekertje van mocht hebben, Pia zat op de keldertrap en vertelde Naomi dat mijn broer best leek op Michiel Huisman, mijn broertje knipperde het kelderlicht aan en uit en aan en uit en zei dat nu het discogedeelte kwam.

Toen we in de woonkamer aan de ronde tafel om de schat heen zaten, klaar om hem te verdelen, kwamen mijn broer en Liesbeth weer achter ons staan. Mijn broer zei: ‘Gaan jullie ook doen hoor,’ waarop Pia met haar neus snoof en er nog een giechelgolfje voorbij deinde. Mama kwam binnen met appelflappen uit de oven en papa gaf iedereen een bordje en een servet.
‘Dat heb je mooi samengesteld schat,’ zei papa zacht tegen mama en hij wees naar haar sieradenkist. Daarna aaide hij over haar schouder, ze keek alsof er voor haar neus een goederentrein langs denderde met zeshonderd wagons die ze allemaal moest tellen.
‘Van alle dingetjes mag iedereen eentje pakken,’ zei ze ten slotte.

‘Ik vond die kus veel leuker dan de hele speurtocht,’ zei Toon terwijl hij een tolletje wegschoot. Mama liep alweer richting de keuken.
‘Ja, de kus was het allerleukst,’ fluisterde Naomi.


Iduna Paalman (1991) studeerde Duitse Taal &  Cultuur en Duitslandstudies in Amsterdam en Berlijn. Ze debuteerde in 2012 bij uitgeverij Lemniscaat met Hee maisje!, een bundel (zeer) korte verhalen voortgekomen uit het project ABCYourself.nl. Naast korte verhalen schrijft ze gedichten en maakt ze theater en muziek. Ze won verschillende prijzen bij poëziewedstrijd Doe Maar Dicht Maar en Write Now! Meer van Iduna lees je op haar website.

Een gedachte over “De schat

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s