Lekhoofd

Op 24 september barst Geen Daden Maar Woorden Festival weer los. Dit jaar mag ook Haro Kraak het Rotterdamse podium beklimmen. In september verschijnt zijn debuutroman Lekhoofd bij Uitgeverij Atlas Contact, en wij mogen je alvast een voorproefje laten lezen:

(…) 

Als mijn tante niet had geweten dat je lauw in plaats van koud water moet gebruiken, was ik nu kaal geweest. Niet kaal als mijn vader – hij heeft nog een krans van haar langs zijn slapen en zijn achterhoofd – maar kaal als een kankerpatiënt. Of, beter nog: kaal als een baby, alleen een zacht donsdek op mijn kruin. Zo kaal als ik toen was, elf maanden oud, was ik altijd gebleven.

Het schijnt dat je je eerste herinneringen pas opslaat vanaf je derde, maar ik weet nog precies hoe die keuken in Brussel eruitzag. De ruimte liep taps toe, als een fuik. In de punt stond het fornuis. Het wit was vergeeld en op het raampje van de oven zat zoveel aanslag dat je de binnenkant niet kon zien.

Ik weet ook nog dat de muren van de gang bordeauxrood waren, precies als de letter X, en dat je met de lift omhoog moest om in de gang naar het appartement te komen. Naast de deur stond een grote houten kist, die grootmoeder had nagelaten. Met mijn vingertjes ging ik langs de groeven van het patroon: een honingraat. Ik ging elke lijn van het raster af. De groeven zelf waren in het hout gekerfd als driehoeken, mijn favoriete vorm. Als je je vingers erin drukte, werden de topjes piramides.

Het zou de laatste keer zijn dat we daar waren: oudjaarsdag 1988. Een zondag, helder en glad als glas. Mijn vader en oom zaten voor de tv en praatten over politiek. Mijn moeder voelde zich niet lekker en lag even op bed, het einde van het jaar ging bij haar altijd gepaard met pijntjes, alsof ze ze had opgespaard. Als de eerste pijlen de lucht in gingen, nam Cato nog een paracetamol. Tante Lisette was aan het koken en had niet door dat ik op mijn verkenning van de keuken als vanzelf naar de punt was gekropen, vlak achter haar. Waarschijnlijk was ik op de weeë spruitjeslucht afgekomen; ik heb de neiging op de bron van een geur af te gaan. Ze draaide een halve slag om de spruitjes af te gieten, schrok van mijn gestalte bij haar voeten, struikelde in een poging niet op mij te staan en kieperde de inhoud van de pan over mij heen. Ze schreeuwde zo hard dat ze niet meer weet of ik dat ook deed.

Het verhaal gaat dat iedereen binnen een paar seconden in de keuken was, op mijn moeder na. Het was één van de vele details die ze zelf graag uitvergrootte, elke keer dat ze de gebeurtenissen opsomde: de tijdlijn van een tragisch incident dat door de goede afloop opeens komisch was geworden, een ongeluk dat niet werd weggestopt of doodgezwegen, zoals alle andere besmette herinneringen, maar juist werd gevierd en bespot. Mijn vader wilde een handdoek pakken om me af te deppen, maar tante Lisette hield hem tegen. Niet lang daarna kwam mijn moeder de keuken binnen terwijl ze de ceintuur van haar kamerjas vastknoopte.

‘Hemeltjelief,’ zei ze. ‘Wat hebben ze met je gedaan?’ Ze stelde de vraag aan de enige die daar geen antwoord op kon geven. De rest van de omstanders was per definitie verdacht. Wat hadden ze met mij gedaan? Mijn moeder probeerde me op te pakken, maar Lisette hield ook haar tegen. Uiteindelijk pakte mijn tante me met twee handen om mijn middel beet en hield me omhoog, zodat de anderen er niet bij konden.

Onder de lauwe kraan begon mijn hoofdhuid te bubbelen. Mijn tante keek bezorgd naar mijn fontanel – was er kookvocht mijn schedel in gesijpeld? Ze was verpleegster en wist dat spoelen met koud water tot onderkoeling en een kramp van de cellen kon leiden, waardoor de huid zich nooit meer zou herstellen. Ze hield me een vol kwartier onder de lopende lauwe kraan. Daarna reden we naar het ziekenhuis in de oude rode Jaguar van mijn vader terwijl een tape van The Beach Boys speelde op de cassettespeler. Mijn moeder ramde ongeduldig op de knoppen, maar kreeg het apparaat niet uit.
I’m pickin’ up good vibrations / She’s giving me excitations

 In het ziekenhuis werd ik van mijn ouders gescheiden. Om twaalf uur deelden de zusters witte bekertjes spuitwijn uit. Mijn moeder nam één slok en zette haar beker toen weg. Onder haar lammycoat had ze haar kamerjas nog aan. Ze vroeg de dokter of hij even naar haar hart wilde luisteren. ‘Het slaat onregelmatig,’ zei ze en ze klopte op zijn bureau. Daarna pakte ze zijn hand en legde die op haar borst. ‘Voel dan.’

De dokter voelde van alles, maar geen hartkloppingen. Nadat hij zijn stethoscoop had opgeborgen, herhaalde hij wat hij eerder had gezegd: mijn tante had goed gehandeld. Als ik meteen naar het ziekenhuis was gebracht en niet onder de kraan was gehouden, had het heel anders kunnen lopen.

Een kale kleuter, dat had ik kunnen zijn. Dankzij Lisette ging ik niet als een melaatse door het leven. Mijn moeder zag dat anders. Het was Lisette die mij bijna had verminkt. Door haar moest mijn moeder wekenlang over straat met een baby met een belachelijk netje over zijn hoofd. ‘Je zoon is een Snorkel, Adriaan,’ zei ze tegen mijn vader toen we thuiskwamen, legde me lomp in zijn armen.

Telkens moest ze weer uitleggen wat er was gebeurd. Aan buren, vrienden, vreemden op straat, kassameisjes, de tuinman, de postbode – iedereen vroeg ernaar. Het ongeluk werd een anekdote, met ingestudeerde intonaties, punchlines en pauzes voor de komische timing. Bij elke vertelling werden de feiten verder opgeblazen: seconden veranderden in minuten, tweedegraads werd derdegraads.

Mijn moeder vertelde en mijn vader begon meestal ruim voor de clou te lachen. Soms vulde hij haar aan en nam het verhaal over, maar dat liet zij nooit lang gebeuren. Als ze door elkaar begonnen te praten, hield hij vanzelf op. Ze wist dat mensen gespannen luisterden als zij klinisch en afstandelijk de fysieke gevolgen opsomde – de toon waarop je zou beschrijven hoe je een ui snijdt.

Ze wist hoe ze de sfeer vervolgens kon laten omslaan met een grapje over wat ik aanhad: een zelfgemaakt Spiderman-pakje. Dat wil zeggen: een blauwe maillot met rode sokken eroverheen en een rood truitje waarop mijn vader een spin in een web had getekend. De aandacht voor niet ter zake doende details vielen meestal het best in de smaak, merkte mijn moeder. ‘Die spuitwijn! Niet binnen te houden.’

Ieder had zijn rol in de anekdote. Mijn vader was het hysterische watje, mijn moeder de laconieke en naïeve huisvrouw – zelfspot had ze wel. Ze schiep er genoegen in mij als onnozel kind af te schilderen. De baby die beter had moeten weten. Na verloop van tijd pakten de verhalen steeds negatiever uit voor mijn tante. Op een zeker moment had ze het volgens mijn moeder expres gedaan, omdat ze het niet kon verkroppen dat haar eigen kind met spasmes was geboren. In latere versies was mijn moeder geen dutje aan het doen, maar was ze meteen ter plekke om advies te geven.
Over lauw water had ze het nooit.

Het einde van de anekdote bood haar de kans een andere geschiedenis aan te halen. Het ongeluk was een keerpunt geweest voor mij: tot die tijd was ik een huilbaby. Bijna mijn gehele eerste levensjaar hield dat aan. Er waren maar twee dingen die hielpen: borstvoeding en ritmische bewegingen.

Mijn vader werd er ’s nachts vaak op uitgestuurd om rondjes met mij te gaan lopen door de buurt. Al wiegend en hobbelend viel ik in slaap, maar zodra we stopten begon ik weer te krijsen. Hij liep gestaag door, op een haast meditatief ritme, bang om de buren wakker te maken.

Mijn ouders dachten dat het huilen door buikkramp kwam, maar dat is onzin. De indrukken waren me te veel, dat moet het geweest zijn. Kleuren, geluiden, smaken – alles wat ik ongefilterd moest verwerken. En ik kan het nog steeds niet altijd aan, na al die jaren van afstomping: de onafgebroken stroom aan Kraak Lekhoofdimpulsen die je zintuigen je opdringen. Na het ongeluk huilde ik niet meer, ik was eindelijk een stil kind geworden. Door het kokende water was ik geen aansteller meer, zei mijn moeder, omdat ik toen pas wist wat pijn was. Of dat waar was deerde niet, want het was een goed verhaal, het klopte, en dat was het belangrijkste: dat het één uit het ander was voortgevloeid.

Haro Kraak – Lekhoofd
Uitgeverij Atlas | Contact
ISBN  9789025447410, € 19,99


Haro Kraak studeerde Journalistiek en Media aan de UvA, en is verslaggever en tv-recensent bij de Volkskrant. Zijn verhalen werden onder andere gepubliceerd door De Optimist, Tijdschrift Ei, hard//hoofd, Joop.nl, Op Ruwe Planken,Vice en Folia. Lekhoofd is zijn romandebuut.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s