Illustratie Ben

Ben

Tekst: Henk-Piet Glas ♦ Illustratie: Charlotte Van Hacht

Kees leunt op zijn spade en kijkt tevreden naar het vers gesneden rieten dak van zijn huisje dat als een schilderij omlijst lijkt door de donkerblauwe hemel. Hij mag niet klagen. Op een dag als deze werkt hij het liefst in de tuin. Beetje motregen, beetje mist, de geur van de heide die hem verleidt een wandeling te maken. En vanuit de verte het onvoorspelbaar repeterende hameren van een specht. Pas dan, en alleen maar dan, gaat zijn hart sneller kloppen. Kees heeft nooit begrepen hoe iemand als hij van de natuur kan houden, maar hij heeft evenmin de behoefte gevoeld er met iemand over te praten. Ja één keer, maar dat was een misverstand, en dat heeft hij op de voor hem gebruikelijke wijze opgelost. De man heeft er niets van gemerkt. Het was voorbij in letterlijk een handomdraai. Gek genoeg had hij de man wel aardig gevonden.

Hij weet niet wat eenzaamheid is. Dat is een aardige bijkomstigheid. Juist daarom heeft hij zijn beroep tot in de puntjes kunnen perfectioneren. Hij mag werkelijk niet klagen. Het enige wat hem irriteert, is mensen. Ze zweten, ze stinken, ze zijn opdringerig en onachtzaam. Ze ratelen en ze zijn luid. Ze bemoeien zich met alles en op elke hoek van de straat vind je tegenwoordig wel een collectant. En dan het huichelen daarbij, alsof ze werkelijk ergens mee begaan zouden zijn. Hij spuugt in zijn handen, grijpt de spade en hakt met bijna chirurgische precisie een plag uit de nog vrieskoude grond. Hij keert de kluit op z’n gat en begint onverdroten aan de volgende steek als hij achter zich het tuinhek hoort snerpen.
‘Goedemorgen,’ klinkt een opgetogen mannenstem, ‘U bent al vroeg in de weer.’
Kees draait zich om en neemt de man aandachtig in zich op. Hij ziet er uit als een verwaterde vogelverschrikker die zojuist van zijn stok is geklommen. Zijn hoofd lijkt verdronken in de veel te grote capuchon. Zijn brillenglazen zijn beslagen en hij pulkt dwangmatig aan zijn neus. ‘Wie bent u als ik vragen mag?’ zegt Kees, ‘En wat doet u ongevraagd op mijn erf?’
De man likt aan zijn lippen. ‘Mijn naam is Ben en ik wilde vragen of u wel eens in Zuid-Afrika bent geweest meneer?’
‘U heeft geen antwoord gegeven op mijn vraag. Wat doet u hier ongevraagd op mijn erf?’ De man knippert met zijn ogen alsof hij het niet begrijpt, maar herstelt zich. ‘Ik zal het u uitleggen meneer. Ik collecteer tegen de boeren in Zuid-Afrika.’
‘Zo,’ zegt Kees, ‘U collecteert niet voor iets maar tegen iets. Wat vreemd.’ Weer knippert de man met zijn ogen en knijpt hij in zijn neusbeen alsof hij een hoofdpijn voelt aankomen. ‘Nee nee, u begrijpt mij verkeerd. Ik collecteer tegen de blanke boeren die inheemse diersoorten fokken voor de jacht. Vanuit de hele wereld komen jagers naar Zuid-Afrika om te jagen op leeuwen, neushoorns, krokodillen, olifanten en giraffen. Het is verschrikkelijk meneer. Deze edele dieren van de savanne worden gefokt om in een onachtzaam moment te worden neergeschoten. En dat noemen ze dan sport. Echt verschrikkelijk.’

Kees spuugt nog een keer op het eelt van zijn handen en drijft de spade nijdig in de grond. De man doet geschrokken een stap naar achteren. ‘Ben is het niet?’ zegt Kees terwijl hij de kluit met gemak omkeert in zijn graf. ‘Ja meneer, Ben. ‘Ben collectant!’’ De man lacht, ‘Begrijpt u wel, van de reclame.’
Kees negeert hem en begint aan de volgende plag. ‘Sorry, ik had uw naam zo snel niet verstaan.’
‘Ik heb je mijn naam ook niet gegeven, Ben. Ik ben er namelijk nog niet helemaal over uit wat ik van je vind, Ben.’
‘Hoe bedoelt u precies?’
‘Of ik je aardig vind, Ben. Het is belangrijk of ik je aardig vind. Als iemand komt collecteren denk je dan werkelijk dat de koop wordt gesloten op basis van het argument?’
‘Eh – ’
‘Nee Ben, de koop wordt gesloten op basis van de emotie. Wat je van iemand vindt. Als er hier nu een blonde dame had gestaan Ben, laten we zeggen een Daniëlle, dan had ik nu al ja gezegd. Want mijn reacties zijn vrij primair. Dat begrijp je toch?’
‘Nou, dat zou ik niet weten, meneer.’ De man trekt een verfrommelde zakdoek uit zijn broekzak en snuit luidruchtig zijn neus. Kees zet de spade in de grond en kijkt hem aan alsof hij iets overweegt. ‘Ik wil je iets laten zien Ben,’ zegt hij tenslotte, ‘Loop even met me mee.’ Samen lopen ze naar het schuurtje aan de rand van de tuin. In de verte drijft een laag mist over het veld. Een ree prikt met haar kop door het vernis en kijkt de mannen een poosje aan voordat ze in de bosrand wegschiet.

‘Wacht hier even,’ zegt Kees als ze bij het schuurtje staan. Hij verdwijnt even en komt terug met in zijn hand een jachtgeweer. ‘Kijk Ben, dit is mijn jachtgeweer. Het is al weer lang geleden dat ik het heb gebruikt. Ik moet het eigenlijk weer eens uit elkaar halen en insmeren.’ De man likt nog een keer aan zijn lippen. Ze glimmen als de lipgloss van een tienermeisje. ‘Kijk Ben, die boeren waar je het over hebt, die wonen er langer dan jij en ik. Dan is het wel een beetje raar dat we ons bemoeien met hun huishouding, vind je ook niet?’ Kees graait in zijn broekzak en tovert twee rode patronen tevoorschijn. ‘Zoals ik het begrijp Ben, maar wie ben ik, is het fokken van inheemse diersoorten niet wezenlijk anders dan het fokken van kalveren voor de slacht, een professie die we in Europa tot een soort kunst verheven hebben. Dat zul je met mij eens zijn.’ Kees trekt aan de loop en het mechaniek klakt open. Hij heft de loop naar de hemel, knijpt zijn rechteroog dicht, en tuurt langs de as naar binnen. Tevreden laadt hij het eerste patroon. ‘Nu weet ik heel goed, Ben, dat je daar vast ook een mening over hebt, maar daar gaat het nu niet om. Waar het om gaat, is dat hoewel wij niet op onze eigen koeien jagen voor de sport, er per saldo een dode koe overblijft. Een vers kadaver waar we biefstukken uit snijden die we naar tevredenheid op ons bord smijten. En daarna fokken we weer een nieuwe om deze cyclus eindeloos te kunnen herhalen.’ Kees duwt het andere patroon op zijn plek en laat de loop dicht klakken. ‘En de Afrikaanse boer doet precies hetzelfde Ben, alleen met wat meer kleur. Hij laat de op jacht beluste rijke westerling een leeuw neerknallen, maar zorgt ervoor dat er een nieuwe voor in de plaats komt. Heel anders dan stropers Ben, dat begrijp je.’ Kees strijkt liefdevol met zijn hand over het wapen en legt zorgvuldig aan. Hij tuurt door het vizier en speurt met zijn loop langs de bosrand. ‘En wist je, Ben, dat diezelfde boer het vlees daarna verhandelt? Dus ook daar belandt een lekker stukje vlees op iemands bord. Dus wie heeft jou en mij uitgeroepen om te oordelen dat een koe of varken meer of minder waard is op de evolutionaire schaal?’ Kees laat de loop langzaam bij de man tot stilstand komen. De man kijkt hem door zijn grote brillenglazen ongelovig aan. ‘Ik denk dat ik er zo ongeveer wel uit ben, Ben. Maar daar was je zelf inmiddels ook wel achter denk ik.’

Een uur later zet Kees voldaan de spade terug in het schuurtje. ‘Zo, nu eerst een kopje thee,’ zegt hij, en loopt in de richting van zijn huisje. In het voorbijgaan kijkt hij tevreden naar de omgekeerde plaggen.


Henk-Piet Glas (1972) is productspecialist, theatermaker, en aspirant schrijver. Hij studeerde technische informatica aan de NHL en volgde aansluitend een studie zelfstandig theatermaker aan de Amsterdamse Theater Academie. Met TG Epomophora maakte hij eindvoorstelling Albatros onder regie van Ton Offerman en Peter Heerschop. Aan het CREA UvA schreef hij korte verhalen en scenario’s. Van de zusjes Kelder leerde hij debuteren.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s