De pyromaan en zijn labrador

Door: Jente Posthuma

Op 24 en 25 september vindt Geen Daden Maar Woorden Festival weer plaats rondom het Deliplein in Rotterdam, waar niemand minder dan Jente Posthuma haar opwachting mag maken. Afgelopen maand verscheen haar debuut Mensen zonder uitstraling, waaruit wij je het eerste hoofdstuk mogen laten lezen:

Mijn vader schepte een grote lepel yoghurt met cruesli uit de kom, sperde zijn mond wijd open en stak de lepel erin. De cruesli kraakte tussen zijn kiezen. Zo nu en dan ging zijn mond open en dicht, wat smakgeluiden veroorzaakte. Het doorslikken van de hap ging gepaard met een duidelijk hoorbaar samentrekken van de keelspieren. Daarna klonk een dof klikje en een zucht.

De zon scheen. Het was niet zo erg warm, maar het was nog vroeg. Vanmiddag zou het wel flink opwarmen. Ik had mijn bikini alvast aan onder mijn jurk. Terwijl ik deed alsof ik aan mijn haar friemelde, wreef ik met mijn handen over mijn oren. Na een tijdje deed ik niet meer alsof en wreef ik alleen maar. Intussen keek ik naar mijn vader. Die keek even terug en ging door met eten. Zijn happen waren zo groot dat er vaak al wat van de lepel viel voordat die zijn mond had bereikt. Soms zag hij dat aankomen en probeerde hij het eten met zijn tong op te vangen.

Ik liep naar het zwembad achter in de tuin en ging op de rand zitten, met mijn benen in het koude water. Uit een verhoogd polyester wandje stroomde een flinke straal water het bad in. Als ik mijn ogen dichtdeed was het net alsof ik in een bos bij een klaterend beekje zat. Maar toen stak de buurvrouw haar hoofd boven de heg uit.
‘Lekker hè?’ riep ze. Ze was pedagoog.

Ik stond op en ging weer naar binnen. Mijn vader zat er nog, nu met een tandenstoker in zijn mond.
‘Je mag de hond wel even uitlaten,’ zei hij bijna onverstaanbaar en met een grimas op zijn gezicht.
‘Moet,’ zei ik, ‘niet mag.’

Buiten sloeg de buurjongen een tv kapot met een ijzeren schep. Hij haalde oude tv’s uit elkaar, probeerde ze dan weer te maken en als dat niet lukte, sloeg hij ze stuk. Hij was sterk. ‘Hij heeft veel energie,’ zei zijn moeder. Soms vochten we voor de deur. Dan schopte ik hem tegen zijn schenen tot hij me omver duwde. Heel gemakkelijk deed hij dat, ook al was hij nog maar elf, twee jaar jonger dan ik.

De hond rende op hem af en duwde zijn neus van achteren in zijn kruis.
‘Niet doen!’ riep ik naar de hond en zwaaide toen naar de buurjongen, die met zijn handen op zijn billen een sprongetje maakte.

Onze straat was een doodlopende afslag van een lange laan, een soort inrit met vier identieke bungalows eraan. Achter de huizen lag een gemeenteveldje. De hond poepte daar graag en terwijl hij zijn gang ging, deed ik er turnoefeningen op een klimrek. In een herenhuis een eindje verder aan de lange laan woonde een pyromaan. Op een avond, toen zijn ouders niet thuis waren, had hij zijn eigen huis in brand gestoken. De hele buurt was uitgelopen en het stond in de krant.

‘Tobias had de brand het eerst opgemerkt,’ vertelde de pyromaan de verslaggever. Tobias was zijn zwarte labrador. Die was gaan blaffen toen er rook onder de deur van de bijkeuken vandaan kwam. ‘Gelukkig maar, anders was ik er misschien niet meer geweest.’

‘Het zou me niets verbazen als hij het zelf heeft gedaan,’ zei mijn vader meteen, en hij kreeg gelijk. Fantastisch vond ik dat. Toen begreep ik waarom mijn vader aan het hoofd stond van een psychiatrische inrichting. Hij kon mensen doorzien. Hij keek niet door ze heen, zoals sommige onnozele patiënten wel eens schenen te denken, maar hij observeerde scherp. Een goochelaar zou hij bijvoorbeeld gemakkelijk op zijn trucs kunnen betrappen, juist door niet te kijken naar de hand die hem iets voorhield, maar door de andere hand nauwlettend in de gaten te houden. Voor wat zich recht onder zijn neus afspeelde had mijn vader nooit veel oog gehad.

De hond was klaar, maar bleef nog wat dralen op het veldje. Ik stelde me voor dat de pyromaan nu langs zou lopen met zijn labrador. Vroeger belde hij wel eens bij me aan met zijn hond om te vragen of ik kwam roken. De honden bonden we vast aan het klimrek en in de bosjes daarnaast rookten we samen een sigaret, altijd Roxy Dual extra light, het merk van zijn moeder.

‘Die teef,’ noemde hij haar vaak en dat vond ik grappig. Mij noemde hij ‘dom gansje’. Ik had hem nooit iets anders dan sigaretten in brand zien steken, behalve die keer dat hij zijn Zippo bij zijn kont hield en een scheet liet. Door de steekvlam die er vanaf kwam vlogen een paar bladeren in de fik, maar dat vuur hadden we zo uit. Een andere keer boog hij ineens zijn hoofd naar me toe in een poging me te kussen. Van schrik draaide ik snel mijn oor naar zijn mond.

‘Wat zei je?’ vroeg ik. Het tintelde toen hij met zijn wang langs de mijne streek. Vlak bij mijn oor slikte hij. Ik kon goed horen hoe het speeksel zijn slokdarm in werd geperst. Pas veel later, na de brand, bleek dat hij wel eens muizen levend in de benzine doopte en dan aanstak. Nu zat hij in een inrichting. Niet die van mijn vader, maar een andere, voor jongeren met gedragsproblemen.

Ik besloot een groter rondje te lopen, door het park en via het winkelcentrum weer terug. In het winkelcentrum was alleen de snackbar open. Iedere zondag haalden we hier patat voor mij en frikandellen met currysaus voor mijn vader. Die vond hij lekker. Mijn moeder niet, maar die was toch dood.

Ze was ontzettend slank, mijn moeder. Op sommige dagen at ze alleen droog brood, op andere alleen puddinkjes. En ze had altijd bruine benen, ook in de winter. Bij elke zonnestraal lag ze met haar slanke bruine benen in de tuin. Als het moordend heet was liepen de straaltjes zweet langs haar kuiten naar beneden. Op hete dagen lag ik meestal in de schaduw met een handdoek over me heen, ook over mijn hoofd, tegen de insecten.

‘Ga nou eens onder die handdoek vandaan,’ zei mijn moeder vaak, ‘en kom naast me liggen in de zon. Je ziet zo bleek.’ Dan lag ik naast haar, ook met zweetstraaltjes op mijn kuiten, en bleef ik liggen, zelfs als ik het heel benauwd kreeg. Na een tijdje, als ik echt niet meer kon, liep ik met vlekken voor mijn ogen naar de keuken om een ijsje te pakken. Dat at ik in de garage op, zodat mijn moeder het niet zou zien. Zij kon heel misprijzend kijken naar mensen die met ijsjes liepen, of met chips of patat. Toen ze ziek werd zwol ze helemaal op en werd ze lichtgeel van de medicijnen.

‘Je bent nog steeds een mooie vrouw!’ riep ik toen ik haar een keer ineengezakt op het bankje in de hal vond, voor de grote spiegel. Ze was nog pafferiger dan anders door het huilen. Van haar mocht ik de kleren uitzoeken waarin ze zou worden opgebaard. Ze vertrouwde mijn smaak, want die was uitstekend, net als de hare. Ik koos de Italiaanse blauwe jurk met het subtiele bloemenmotief. Om hem bij haar aan te kunnen trekken, moest ik hem bij de mouwen en aan de achterkant openknippen.

Even overwoog ik om de patat en frikandellen alvast te kopen, maar het was nog lang geen etenstijd. En patat kun je niet opwarmen. Mijn vader wist dat soort dingen niet, die deed alles in de magnetron. Sinds mijn moeders dood kocht hij het liefst kant en klare pannenkoeken van de supermarkt. Een voor een warmde hij ze op en terwijl de ene pannenkoek in de magnetron zat, at hij de andere staand aan het aanrecht op.

Toen ik thuiskwam zat mijn vader televisie te kijken, naar een live-uitzending van de Grand Prix van Monaco. Buiten hoorde ik de gillende Formule 1-auto’s al. Ik stuurde de hond de kamer in en liep zelf meteen door naar de tuin. Daar stapte ik uit mijn jurk en liet me in het zwembad zakken. Het water voelde al minder koud. Ik dook onder, kwam weer boven, dook weer onder en probeerde toen zo lang mogelijk onder water te blijven. Alleen de pomp hoorde ik nog. Die maakte een borrelend geluid, maar anders dan het geluid dat uit mijn moeder kwam vlak voor ze stierf. Dat was meer een soort reutelen.

Alfbeelding Mensen zonder uitstraling

Jente Posthuma live bewonderen? Beantwoord de volgende vraag, en maak kans op 2 vrijkaartjes voor het zaterdagprogramma van Geen Daden Maar Woorden Festival:

Wat was de titel van het ‘zeer korte verhaal’ waarmee Jente Posthuma in 2012 de A.L. Snijdersprijs won?

Stuur je antwoord vóór zondag 11 september naar info@passionateplatform.nl, en wie weet zit jij op 24 september op de voorste rij!


Jente Posthuma is schrijver en journalist. Ook speelt ze in literaire theatervoorstellingen en won ze in 2012 de A.L. Snijdersprijs voor het beste zeer korte verhaal. Afgelopen maand verscheen haar romandebuut, Mensen zonder uitstraling bij uitgeverij Atlas Contact.

Een gedachte over “De pyromaan en zijn labrador

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s