header-jonathan-griffioen

Mensen die niks doen met hun leven

Door: Eva van den Boogaard ♦ Beeld: Geert Snoeijer

Het is een hete nazomerdag als ik dichter Jonathan Griffioen ontmoet op een terras in het centrum van Doorn. We hebben het over zijn debuut: de dichtbundel Wijk. Deze bundel bestaat uit opvallend verhalende poëzie over het leven van de jonge verteller in Wijk bij Duurstede. Op Geen Daden Maar Woorden Festival zal Griffioen enkele gedichten voordragen.

Het voordragen van gedichten is hem niet vreemd: Griffioen heeft veel deelgenomen aan poetry slams. Toch geeft hij aan dat het schrijven van Wijk niet zoveel te maken had met slammen.
“Geschreven poëzie en gesproken poëzie zijn twee heel verschillende dingen. Als je een gedicht schrijft voor op papier kun je je veel meer vaagheid permitteren dan wanneer je een gedicht schrijft om voor te dragen. In Wijk staan veel gedichten die ik niet meteen op het podium zou doen. Het leuke aan voordragen is de reactie van de zaal. Zo snappen sommige vijftigers en zestigers niks van de opgerolde vijfjes, de doorzichtige zakjes waar de wiet in zit, de discman.”

Griffioen verwijst veel naar jongerencultuur en naar muziek en film. Beelden uit zijn jeugd spelen een grote rol en voor lezers geboren in de jaren ’80 en begin jaren ’90 zullen die vaak herkenbaar zijn, zoals in ‘(vier)’.

(vier)

we zitten op een voor 60% verbrand parkbankje
(gemeente Wijk wil het niet vervangen). het komt nog.
op nieuwjaarsdag ziet Wijk zwart van de plunderingen.
Mikes open bomberjack likt aan de rugleuning.

in zijn binnenzak – 128 mb mp3-speler, haarlakwiet,
1,2 vloeitjes, handjevol shag, tig pakjes,
afspraak: zilveren alfa, bioscoop, achterzijde station.

de klittenbandsluiting heeft een ezelsoortje vol kruim

De poëzie ademt een weemoedige sfeer.
“Toen ik vijftien was ging ik op straat hangen en daar zag ik een hele onderwereld tevoorschijn komen. Dat vond ik schitterend. Iedereen had ruzie met elkaar en we waren allemaal losers. Het kwam nooit ergens van en het was zo knullig allemaal. Juist daardoor raakte ik gefascineerd door die tijd en die mensen.
Sommige lezers geven aan dat ze de bundel wat cynisch vinden. Voor mij is het meer ironisch, niet sarcastisch of cynisch. Misschien dat de blik van de verteller op de wereld om hem heen wel wat cynisch is. Wijk was een plek waar je voor helemaal niets kon opgroeien. Dat je twintig was, van school werd getrapt en dan moest je maar in de kaassouffléfabriek werken. Dat vind ik oprecht heel treurig.”

Voor zichzelf legt Griffioen de lat wél erg hoog.
“Wijk is een soort Man bijt hond-achtige setting met een triestig Nederlands volk dat een suffe hobby uitvoert zoals bingoën, of speklappen eten. Dat past heel goed bij Wijk. Als je dat helemaal niet humoristisch zou benaderen, typeer je de stad en de mensen niet. Ik vind eigenlijk dat alles in een gedicht weerspiegeld zou moeten worden. Humor, triestheid, angst… al die dingen. Ik ben dan ook een ontzettende perfectionist. Over Wijk heb ik twee jaar gedaan. Vooral in het laatste jaar besteedde ik er elke dag zo’n tien tot twaalf uur aan. Dat was eindeloos knippen en plakken, nog tot op het laatste moment.
Toch ben ik nu tevreden over het resultaat. Op de laatste dag keek ik het voor de zoveelste keer na en dacht ik: het is eigenlijk gewoon wel goed. Dat gevoel heb ik nog steeds.”

Wijk speelt zich dus af op een plek ver van de zogeheten ‘hoge cultuur’. Met enige spot typeert Griffioen zijn gedichten als ‘poëzie voor laagopgeleiden’. Bij de bundel hoort ook een afspeellijst op Spotify die bedoeld is als een soundtrack. Zo heb je als lezer meteen de muziek bij elkaar waar Griffioen naar verwijst in zijn gedichten.
“Ik heb veel meer muziek geluisterd, meer films en series gekeken dan dat ik boeken gelezen heb. Ik gebruik dan ook veel spreektaal in mijn poëzie en zal niet zo snel naar Proust verwijzen, maar dan weer wel naar Bruce Lee. Misschien is mijn werk wel poëzie voor laagopgeleiden ofzo. Niet per se voor heel simpele mensen, maar meer voor mensen die in een laagopgeleid milieu zijn opgegroeid. Een beetje anti-intellectueel. Over die mensen gaat het ook.”

Toch spreek ik met een relatief succesvolle jonge dichter wiens debuut goed ontvangen is. Er steekt volgens de meeste lezers wel degelijk meer achter de poëzie in Wijk. Zo komt er een citaat uit de arthousefilm Kynodontas terug.
“Dat is een hele toffe film. Het gaat over een Griekse familie die in een landhuis woont met een hek eromheen. De kinderen mogen niet naar buiten. Thuis worden ze geschoold door hun ouders. Die ouders leren de kinderen van alles verkeerd aan. Zo leren ze hun een taal met heel andere definities: een gele bloem noemen ze een zombie, een piano een hamer. Het gaat in mijn gedichten ook over de rekbaarheid van het begrip ‘waarheid’. Als je maar met genoeg mensen in iets geks gelooft, dan wordt het legitiem. In Canada vond een groep mensen bijvoorbeeld dat de afbeelding op de dollarmunten op een demon leek. Die mensen hebben massaal protest aangetekend en die munten zijn uit de handel gehaald. Als jij nu naar een tientje kijkt en roept dat je een demon ziet, dan denken mensen alleen maar dat je gek bent. De waarheid is ook een soort afspraak.”

Deze thematiek komt terug in het gedicht waarin Griffioens schizofrene oom Herman een belangrijke rol speelt.

(vijf)

oom Herman wil op het feestje komen,
maar verwerpt de etiquette van de kring. we zitten in de kring.
vieren de 1e verjaardag
sinds mijn laatste poging. Herman lepelt gevulde eieren uit
en vertelt veel. Herman: ‘ik berekende hoe vaak ik de
ophaalbrug
ophalen mocht [daar woonden ze naast, Herman, vader],
de buurman vloeken mompelt nadat hij de telefoon
heeft opgelegd
en zo wist ik welke dagen ik mijn luchtbed beter leeg kon
laten lopen (…) aids in vrachtwagens (…) Palestina (…)
archiefkasten (…) Paul McCartney is dood (…) hij leeft nog.
boodschappen!’

de clou eindigt in een zakdoek. als Herman een hapje neemt,
slaat vader een brug.
de rest is gretig: ‘ja, ik heb die foto’s ook gezien!
wat groeien ze toch snel.’

de kring convergeert naar smalltalk
zoals een rij naar een getal, op voorhand door hen afgesproken,
zonder Herman.
zoals x tussen 0 en 1 drijft de kring machten naar het nulpunt.
oom Herman moet op 0.

Griffioen:
“Dat is echt een sociaal fenomeen. Als je met een groep bent en iemand zegt iets stoms, dan wordt er maar gewoon overheen gepraat. Die persoon wordt steeds stiller. Ik zag dat vaak gebeuren met mijn oom. Hij zei dan hele rare dingen waar mensen niet op reageerden. Het lijkt me heel eenzaam als je niet doorhebt waar je het over kan hebben en waarover niet. Misschien raakte dit me wel omdat ik zelf veel moeite heb met smalltalk. Ik vind het moeilijk om twee uur met mijn schoonmoeder over het weer te praten. Dus ik ben ook wel eens de persoon die in zo’n groep dan ineens iets veel te persoonlijks zegt. Ik ken de positie van Herman wel een beetje.”

Hoewel sommigen Griffioens poëzie als laagdrempelig typeren, kan er zeker over de toegankelijkheid gediscussieerd worden. Zo staan er twee pagina’s vol doorgestreepte tijden in zijn bundel.
“Ik heb nog geen enkele interpretatie gehoord die aansluit bij hoe ik het bedoeld heb. Dat is eigenlijk wat taal doet. Zonder nu heel postmodern te willen klinken: iedereen heeft een eigen referentiekader en niemand zal precies dezelfde associaties hebben als ik. Daar heb ik wel vrede mee gesloten. Ik heb niet meer het idee dat ik een boodschap verpak en dat die perfect uit mijn werk gehaald moet worden door alle lezers. Achteraf denk ik wel eens dat ik die sectie met de cijfers te moeilijk heb gemaakt. De verteller gaat hier op alle mogelijke momenten tussen nul seconden en een uur gekke gezichten trekken. Hij wil checken of het klopt dat je gezicht stil blijft staan op het moment dat de klok slaat. Dat haalt echt niemand eruit. Ik probeer altijd zo helder mogelijk te zijn, maar soms komt het gewoon niet over zoals ik het bedoeld heb.”

Inmiddels is Griffioen druk bezig met zijn prozadebuut.
“Ik probeer mezelf heel erg af te leren om maar gewoon vrij te associëren en wil nu een narratief van A naar Z brengen, zonder dat mensen in de war raken. Mijn doel is om een plot in elkaar metselen dat goed te volgen is. In poëzie vind ik het juist wel leuk om niet zo duidelijk te zijn. Ik vind het gaaf wanneer in poëzie hele gekke dingen tegenover elkaar gezet worden, maar dat is niet heel goed voor de begrijpelijkheid.”

Dit prozadebuut gaat over drie mensen die als een soort kluizenaars leven. Net als in Wijk speelt het verhaal zich niet af in de hoogste contreien van de samenleving. Griffioen:
“Mensen die niks met hun leven doen, vind ik interessante mensen.” En daar mag inderdaad ook over geschreven worden.


Eva van den Boogaard (1990) studeerde literatuurwetenschap in Nijmegen. Tijdens haar studie begon ze met het schrijven van proza en won ze de recensiewedstrijd van de faculteit letteren. Inmiddels werkt ze als docent Nederlands op de Hogeschool Arnhem Nijmegen bij de opleiding fiscaal recht. Omdat ze niet alleen maar bezig wil zijn met arresten en andere jurisprudentie, verdiept ze zich naast haar werk nog steeds in cultuur en literatuur. Lees hier meer artikelen van haar hand.

Een gedachte over “Mensen die niks doen met hun leven

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s