header-lippenspook

Vier kinderlokkers in een geblindeerde Mercedes

Door: Sander Meij

De nieuwe dichtbundel van Martijn Benders heet Lippenspook, en bevat 41 nieuwe en 19 in meer of mindere mate herschreven gedichten die eerder opdoken in het bijzondere project Wôld wôld wôld. Geheel eigenzinnig dicht Benders over marsmannetjes, neushaar, de dood, geboorte, hemellichamen, andere dichters, dromen en vele andere zaken.

Enerzijds toont hij zich hierbij kwetsbaar en onbeholpen, zoals in het titelloze gedicht dat begint met de volgende strofe:

Als je slaapt liefje

zacht als aardappelpuree

ruik ik weleens aan je portemonnee

Anderzijds toont hij zich bot en nietsontziend, zoals in het gedicht ‘Aan de lezer’, dat begint met de regel: ‘ik hoop dat je sterft als je dit leest.’ Om het gedicht te eindigen met: ‘dag ondier’.

De gedichten in Lippenspook zijn even vindingrijk als ongrijpbaar en brengen consequent een onheilspellende sfeer met zich mee, de suggestie er iets verschrikkelijks staat te gebeuren. Ontegenzeggelijk zijn wij, mensdom, gedoemd. De gedichten zetten de lezer steeds op het verkeerde been en dwingen je zo om aandachtiger te lezen. Het is een heel diverse en toch strak gecomponeerde bundel. Frustratie en woede worden afgewisseld door verlangen en verwondering. Lippenspook laat zich lezen als het relaas van een dolende ziel, die niet anders kan dan zich uiten in deze vorm, wat het in poëzie zo gewenste gevoel van noodzakelijkheid oplevert. Tegelijkertijd is Benders zich zeer bewust van dit ‘keurmerk’, dat door hen die er verstand van menen te hebben aan poëzie gegeven wordt. Hij drijft er ook graag de spot mee, zo doet althans het gedicht ‘Aju paraplu’, over een mogelijke parfumlijn voor zelfmoordenaars gaat, vermoeden:

Dan een hint van vermalen plastic deurbel, zodat een auditief randje

om de geur zweemt welke een zeker gevoel van urgentie oproept.

De zwarte humor daargelaten, springt vooral het inventieve taalgebruik in het oog. Neem nu het gedicht ‘Een bonte verzameling Robert Burns odes [sic.] verspreid over twee luttele pagina’s’. Dit gedicht bestaat uit kleine strofes van maximaal vijf regels, die kriskras over de bladspiegel van (inderdaad) twee pagina’s verdeeld zijn, plus een langer stuk tekst dat cursief staat, deels herhaling bevat en deels voortborduurt en op de teksten uit de strofes. In dit gedicht gebeuren mysterieuze dingen: ‘De afstand uilt in de verte’ staat er bijvoorbeeld. Een volstrekt helder zinnetje en toch volkomen eigenzinnig. Of neem de regel ‘Het kofschip van deeg maant over zee.’ Een zelfstandig naamwoord wordt als werkwoord gebruikt en door eenieders associatievermogen en de context genereert een dergelijke omgang met de taal nieuwe betekenissen. Maar de oplettende lezer weet dat ‘uilen’ en ‘manen’ ook gewoon werkwoorden zijn: ‘uilen’ betekent ‘suffen’ of ‘een dutje doen’. Het hangt er dus maar van af hoe je het leest. Nieuwe betekenissen genereert Benders hier ook door het gebruik van neologismen: ‘duister doet broos en kattig / tegen het misliefde licht’. Het woord ‘misliefde’ doet denken aan ‘misleide’ én aan ‘ongeliefde’ en brengt daarmee een emotionele nuance aan die nog niet bestond vóór je het woord ‘misliefde’ las. En dan ook nog als bijvoeglijk naamwoord voor licht, dat last heeft van ‘Het duister’ dat ‘broos en kattig’ doet. Dat levert een uniek beeld en dito sfeer op. Dit zijn regels om te herlezen, omdat ze fascineren en telkens weer nieuwe betekenis blootleggen.

Verderop in dit gedicht staat bijvoorbeeld: ‘Het licht hikt / dun door het blurrende gras’. Overmatig gebruik van assonantie en alliteratie brengt risico’s met zich mee, te veel klankrijm neigt al snel naar effectbejag. Benders omzeilt deze valkuil. Ondanks, of beter gezegd, dankzij de volstrekte uniciteit van dergelijk taalgebruik, (dun hikkend licht) staan deze beelden als een huis: je zíét daadwerkelijk dat dunne licht door dat ‘blurrende’ gras heen hikken. Daardoor doet het niet gekunsteld aan. Er is verder sprake van een ‘Leslie’ en een ‘Bonnie’ in dit gedicht, wat een verwijzing moet zijn naar het beroemde gedicht ‘Saw Ye Bonnie Lesley’ van de in de titel van dit gedicht genoemde Robert Burns. Benders refereert hier ook aan de titel van zijn bundel: Lof der duisternis, uit de sterrenmolen. Het lief spookt op mijn lippen. Deze regel, gecursiveerd en geïsoleerd van de rest, doet uiterst romantisch aan, alsof er een afwezige geliefde is over wie de verteller niet uitgepraat raakt of wier afscheidszoen nog natintelt op de lippen. Die geliefde werpt ineens nieuw licht op de bijzondere taalgebruik in dit gedicht: het lijkt wel of de ik een nieuwe, uiterst geraffineerde taal heeft moeten uitvinden, omdat hij zich alleen op die manier in staat kan stellen zijn gedachten onder woorden te brengen.

Lippenspook doet zich voor als een dichtbundel die zonder enig voorbehoud is geschreven: zonder clementie voor de lezer of de dichter zelf. De buitenwereld lijkt vijandig en die vijandigheid lijkt wederzijds aanwezig bij de verteller. Maar ook de binnenwereld blijkt onbetrouwbaar: exemplarisch is wat dat betreft het gedicht over een droom waarin het hoofd van de ik in brand staat en maar blijft branden, ook na het ontwaken. Verklaringen worden niet gegeven. Benders handhaaft deze ongrijpbaarheid consequent in Lippenspook, terwijl zich tegelijkertijd een universum manifesteert waarin ogenschijnlijk wordt gezegd waar het op staat. Ogenschijnlijk, want de crux is dat dat dus níét gebeurt. Steeds opnieuw weet hij de lezer te verwarren, te boeien, door een onverwachte wending in zijn taalgebruik of in het situationele. Poëzie kortom, die bol staat van de plotwendingen. Het knappe daaraan is dat zijn gedichten beklijven, overtuigen, blijven nazingen en een samenhangend geheel vormen, terwijl die ongrijpbaarheid intact blijft. Benders pakt de taal bij zijn lurven, schudt haar door elkaar en herschikt de woorden vervolgens op geheel eigen omslag-lippenspookwijze. Hij doet dat heel zorgvuldig en toch komt het geen moment gekunsteld over. Eerder bijna achteloos. Benders heeft met Lippenspook een dijk van een dichtbundel afgeleverd.

 

 

Martijn Benders – Lippenspook
Uitgeverij Van Gennep
ISBN 9789461644497, € 16,90


Sander Meij (1980) is neerlandicus en werkt als redacteur. Als dichter was hij onder meer te zien op Crossing Border, bij DWDD en won hij enkele prijzen. Hij publiceerde in tijdschriften als Hollands Maandblad, Op Ruwe planken en Het Liegend Konijn. In 2015 verscheen zijn poëziedebuut Nieuw eiland bij Nieuw Amsterdam. Lees hier meer artikelen van zijn hand.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s