charles-lim_1920x768

IJl land

Tekst: Jente Hoogeveen ♦ Beeld: Charles Lim

Gezien:      ‘Sea State 2: as evil disappears. Pulau Sejahat’ (2012) door Charles Lim
Waar:          Museum Arnhem – ‘Trans History’
Wanneer:   september 2016

Ik ga naar een onbewoond eiland en neem mee: een verrekijker.

Ik vraag me af of een fata morgana ook omgekeerd kan werken. Dat je in plaats van water in een woestijn, een woestijn in water ziet. Door de verrekijker tuur ik naar het eiland in zee. Althans, ik denk dat het een eiland is. Het is te ver weg en de rotsen zijn bijna even grijs als het water en de lucht, waardoor ik niet met zekerheid durf vast te stellen dat het daadwerkelijk een eiland is. Nu lijkt het te bewegen, misschien is het een dier. Er zijn vissen die zich voordoen als een rots, maar die leven op de bodem van de zee. Niet aan het wateroppervlak. Ik zou graag zo’n vis willen zijn.

Ik ga naar een onbewoond eiland en neem mee: een verrekijker, een magnetronmaaltijd.

Het wordt zwart voor mijn ogen. Ik voel in mijn zak en vind tien cent en een spaarzegel van de Albert Heijn. Om verder te kijken heb ik een euro nodig. Ik laat de hendel van de groene verrekijker zakken. De andere verrekijkers op de kop van de vuurtoren zijn inmiddels onbemand. Ik maak mijn ogen tot spleetjes en probeer het eiland opnieuw te vinden.
De vuurtoren is rood met een witte kop, precies zoals in tekenfilms. Beneden is een museum waar ze strandjuttervondsten en aquareltekeningen van vissen en wadvogels tonen. De vuurtorenwachter komt naar buiten in een jas even rood als de toren. Hij draagt een muts met een geborduurd plaatje van een zeehond. Geen baard, dat is jammer.
‘Het is etenstijd,’ zegt hij.
‘Ik heb geen honger,’ zeg ik.
‘Ik bedoel dat we gaan sluiten.’
‘Sorry, natuurlijk.’

Ik tuur weer naar de zee, het eiland zie ik nergens.
‘Zwemmen hier walvissen?’
‘Nee,’ zegt de vuurtorenwachter.
‘Door de verrekijker zag ik rotsen, maar toen bewoog het, dus ik dacht…’
‘Als je lang genoeg kijkt gaat alles bewegen,’ onderbreekt de vuurtorenwachter mij. ‘Zeker op zee.’
Hij kijkt me aan, naar mijn blauwe regenponcho, die ik vanochtend meenam omdat het miezerde en die ik inmiddels draag tegen de kou. Dan naar mijn bergschoenen en mijn pluizende haar dat rond mijn slapen langzaam even grijs wordt als de lucht, de zee en het walviseiland.
‘Het is etenstijd,’ zegt hij dan weer. ‘We moeten naar huis.’
Alsof we samen zullen gaan.

 Ik ga naar een onbewoond eiland en neem mee: een verrekijker, een magnetronmaaltijd, een stevige jas.

 Ik haal de huurfiets van het slot en loop over het onverharde pad naar het asfalt. Twee meisjes rijden voorbij: de een op een scooter, de ander op een fiets met haar hand op de schouder van het scootermeisje, zodat ze mee kan liften. Daarna volgt een familie op de fiets.
‘Hé Hansje,’ roept de vrouw. De familie stopt bij het onverharde pad, ze dragen identieke jassen van een buitensportmerk dat ik niet ken. Ik kijk zo verbaasd dat iemand hier mijn naam kent dat de vrouw zich genoodzaakt ziet zichzelf voor te stellen.
‘Ik ben Miranda, de moeder van Maan.’ Ze wijst naar de jongste. De jongen draagt een zonnebril en heeft de capuchon rond zijn hoofd dichtgesnoerd waardoor zijn gezicht nauwelijks zichtbaar is. Waarschijnlijk had ik hem hoe dan ook niet herkend.
‘Maan zit in de klas bij Pien en Teun. De kastanje-knutselmiddag?’
‘O ja,’ zeg ik, hoewel Maan en moeder Maan mij nog altijd niet bekend voorkomen. Het enige dat ik mij van die middag herinner, is dat ik heel hard heb zitten prikken in een poging de kastanjes ledematen van satéstokjes te geven. Alle stokjes braken, omdat ik de priem was vergeten mee te nemen en geen enkele moeder haar eigen priem voor een paar minuutjes kon missen.
‘Papa vergeet nooit iets,’ zei Pien, ze stopte haar vingers in een potje lijm.
Vervolgens besloot Teun dat we de kastanjes dan maar beter op konden eten in plaats van ze tot mannetjes of honden te prikken. ’s Avonds hadden we alle drie buikpijn.
‘Wat doen jullie hier?’ vraag ik, en heb direct spijt. De wind trekt aan en duikt onder mijn poncho. Ik ril, zal mij straks warm moeten fietsen.
‘Vakantie,’ zegt de vader.
‘Even uitwaaien,’ vult zijn vrouw hem aan.
Haar haar zit inderdaad uitgewaaid.
‘En het is weer eens iets ander dan Utrecht.’
‘Het is vooral ver,’ zeg ik. ‘2,5 uur met de trein.’
‘Wij zijn met de auto,’ zegt de vader. ‘Die kan gewoon mee op de boot.’
‘Weet je wat,’ zegt de vrouw dan. ‘Als wij weer thuis zijn moeten jullie eens bij ons komen eten. Gerben maakt heerlijke wrapjes.’

Ik ga naar een onbewoond eiland en neem mee: een verrekijker, een magnetronmaaltijd, een stevige jas, een telefoon.

Door de duinen fiets ik naar het bungalowpark. Het is herfstvakantie voor de middenprovincies, de huisjes zitten vol met Randstedelingen. Ik had mijn vertrek beter kunnen plannen. Hopelijk heb ik volgende week het park, op enkele stacaravanhouders na, voor mij alleen. Met zoveel mensen om mij heen kan ik niet nadenken, ze verjagen de ruis van de zee.
Binnen is het koud. Ik doe de ramen dicht en zet de verwarming aan. Dan loop ik weer naar buiten en hijs mij aan de dakgoot omhoog. Het komt goed uit dat ik de laatste maanden zo weinig heb gegeten, anders zou de goot breken. Eenmaal boven schuifel ik voorzichtig over de pannen totdat ik op de punt van het dak zit. Vanaf hier kan ik de zee zien. Ik zoek het water af naar het eiland.
Er komt een sms binnen. Ik schrik van mijn trillende broekzak. In de bungalow is het bereik heel zwak, hierboven is het blijkbaar beter. Het is een sms die zegt dat ik een voicemailbericht heb van een nummer dat ik niet herken. Het begint met 030, regio Utrecht. Werk wellicht. Of de school van Pien en Teun. Ik druk het weg, scroll verder door mijn lijst met contacten en blijf hangen bij ‘Thuis’. Ik twijfel, scroll verder naar ‘U’ en ‘V’, kom terug bij ‘T’ en verlies de controle over mijn duim.
‘Hallo?’ klinkt het aan de andere kant.
Ik luister naar een snelle ademhaling.
‘Hansje?’
Als vanzelf begin ik met het snelle ritme mee te ademen.
‘Hansje, als je wilt praten moet je iets zeggen.’
‘Iets,’ zeg ik en hang dan op.
Shit, dat was stom. En flauw ook. Ik sta op en slinger de telefoon weg. Hij belandt in de voortuin van een stacaravan. De tuin is afgebakend met een donkerbruin geschilderd hek. Ook wappert er een Duitse vlag.

 Ik ga naar een onbewoond eiland en neem mee: een verrekijker, een magnetronmaaltijd, een stevige jas, een telefoon, een zaklamp.

Ik zit aan de keukentafel die tevens de woonkamertafel is en drink thee met een beetje koud water zodat ik niet hoef te wachten.  Kinderen met skelters rijden over het pad voor mijn ruit, ouders op fietsen erachteraan. Bezig zijn, je hoofd opvullen met beweging, geen ruimte overlaten om na te denken. Als de kinderen voorbij zijn, zet ik het raam weer open en loop naar buiten. De verwarming laat ik aan.
Op de huurfiets fiets ik terug naar het wad. Het is inmiddels donker en nog steeds bewolkt. Mijn dynamo staat te los gespannen waardoor het voorlicht zo nu en dan uitvalt. Bij de dijk houd ik stil, ik ga zitten in het natte gras. De koude sprieten strijken langs mijn enkels. Nu de fiets stilstaat is de vuurtoren mijn enige bron van licht. Om de paar seconden valt een strook licht over mij en het gras, de overige seconden begeef ik mij in complete duisternis, omdat mijn ogen niet de kans krijgen om aan het donker te wennen. Ik trek de poncho onder mijn billen, de capuchon strik ik rond mijn hoofd zoals Maan. Incognito. Ik ga liggen op mijn rug en luister naar de ruisende wind. Het liefst zou ik alle delen waaruit ik besta − vrouw, knutselmoeder, goede buur, laborant-assistent, vrijwilliger bij de squashvereniging, klant bij Bol.com − aan haar meegeven zodat alleen dit lichaam in deze poncho over blijft. Om vervolgens alles opnieuw in te delen. Het is niet eens onmogelijk, van de meeste categorieën die je identiteit bepalen kun je afkomen. Het is oké als ze tegenvallen: die stad, die buren, die baan, dat squashabonnement. Zelfs wanneer je hebt beloofd ‘tot de dood ons scheidt’, kun je er tegenwoordig eenvoudig online vanaf komen. Behalve van het moederschap. Je kinderen mogen je niet tegenvallen.

Ik ga naar een onbewoond eiland en neem mee: een verrekijker, een magnetronmaaltijd, een stevige jas, een telefoon, een zaklamp, dure condooms. 

‘We kunnen er nu nog vanaf.’
Abel en ik stonden op de parkeerplaats voor het ziekenhuis. Ik hield de echofoto in mijn hand, leunde tegen de achterklep van zijn vaders auto − Abel wilde per se met de auto, wat mij betreft hadden we kunnen fietsen − en staarde naar de twee propjes in mijn baarmoeder. Ik heb de gewoonte te vergeten dat er dingen in mij zitten, omdat ik ze nu eenmaal niet zie: maag, lever, blaas, baarmoeder. Laat staan dat er iets kan groeien.
‘Wat bedoel je?’ zei Abel.
‘Heb je het niet gehoord?’ vroeg ik. ‘Twee.’
‘Verassingen houden het leven spannend, niet?’
‘Ik vond één al verassing genoeg.’
Abel kwam naast mij staan en bekeek de foto, daarna mijn buik. Ik droeg een weide gebreide trui, Abel een korte broek.
‘Hoe moet dat met mijn promotieonderzoek’ vroeg ik. ‘En ons appartement? De kat past er amper in.’
‘Dan doen we de kat weg.’
‘Ik wil de kat houden.’

Veel van onze vrienden waren al met bakfietsen en dikke buiken naar de buitenwijken vertrokken. Dat wij daar nog niet waren, nog op gewone stadsfietsen rondreden en de dingen in vertraging deden, had mij hoop gegeven dat wij misschien anders zouden zijn. Dat de loop der dingen niet zo vanzelfsprekend zou zijn, maar ergens onverwachts zou afbuigen of simpelweg, dat de dingen tot stilstand zouden komen.
‘Wat als we toch nog naar Berlijn willen verhuizen?’ vroeg ik. ‘Of met de motor door Mongolië?’
‘Dan nemen we een zijspan.’
Ik haalde mijn wenkbrauwen op, Abel grinnikte en legde de foto op het dashboard.
‘Kom.’ Hij hield het portier voor mij open. ‘Het wordt vast leuk. Kleine Hansjes.’
‘Abeltjes zul je bedoelen. Hansje valt niet te verkleinen.’

Ik ga naar een onbewoond eiland en neem mee: een verrekijker, een magnetronmaaltijd, een stevige jas, een telefoon, een zaklamp, dure condooms en mijn badpak.

 De wind waait onder mijn poncho. Ik prop de voorkant in mijn broek, de achterkant trekt mee en schuift onder mijn billen vandaan.
De laatste maand van mijn zwangerschap kon ik alleen nog maar liggen. Abel trok mij iedere morgen sokken aan, de kleur kon mij niets schelen. Op den duur vergat ik dat ik voeten had, omdat ik ze nooit meer zag of gebruikte. Ik denk: alles is altijd te klein. Ons huis, mijn naam, mijn lichaam. En nu lig ik hier in een heel weids landschap en voel ik mij alleen nog maar kleiner. Misschien heeft het met ruimte niets van doen.
Met het aantrekken van de wind nemen ook de golven toe. Ik richt mij op en leg mijn handen als schelpen om mijn oren. In een natuurtijdschrift bij de tandarts las ik eens dat je nachtegalen zo beter kunt horen, misschien geldt dat ook voor ruis. Ik sta op en loop naar de waterkant. Met mijn hele lichaam volgt ik het spoor van het vuurtorenlicht: over de dijk, het gras, het fietspad en dan het water over. Ik draai rondjes. Bezig blijven. Als je bezig blijft went alles vanzelf, zei de verpleegster op het consultatiebureau. Boodschappen doen met de kinderwagen, prutjes opwarmen in de magnetron, babyzwemmen, babyyoga, eindeloos naar Tik Tak staren, het stamelen van troostende woorden terwijl de hele bus je vervloekt. Ik zie de vuurtorenwachter voor mij die zegt dat op zee alles op den duur begint te bewegen en denk: de zee is ook altijd bezig en went nooit.
Na een paar rondjes zie ik het opeens, in een flits. Het stipje, de rots, het eiland. Ik wacht op nieuw licht om zeker te zijn. Ja, daar is het weer. Wankelend probeer ik het punt in zee vast te houden. Flits. Stip. Ik loop dichter naar de kant, buk en steek mijn hand in het water. Koud, maar mijn vingers bevriezen niet direct. Met moeite trek ik de poncho over mijn hoofd, de Maan-strik zit goed vast. Dan trek ik mijn trui uit, mijn broek en het thermoshirt. Ik ril en loop in mijn ondergoed de zee in. Dommelende wadvogels vliegen op. Ik hoor ze, maar zie ze niet. Ik neem een hap adem. Dan duik ik kopje onder, kom boven, proest water, hap weer naar adem en probeer mijn slag te vinden. De kou trekt in mijn vingers en tenen, ik zal mij warm moeten zwemmen.palau-sajahat_charles-lim_origineel


Jente Hoogeveen (1992) is schrijver, illustrator, productkunstenaar en ook nog student. Eerder aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag, tegenwoordig studeert ze Liberal Arts & Sciences aan de Universiteit van Utrecht. Ze schreef onder andere verhalen voor De Gids, Opium en DeBuren en stond afgelopen zomer in de finale van Write Now! De meeste verhalen en beelden ontstaan onderweg, in de trein of dwalend door de stad. Op zoek naar dat wat afwijkt, kleine details met grote verhalen. Kijk voor meer beelden en verhalen op haar website.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s