Ogen dicht

Door: Else Boer ♦ Illustratie: Meliza de Vries

Peter moest in eerste instantie wennen aan het idee. ‘Sem en Julia hebben je graag in de buurt,’ zei hij. ‘Ze moeten hun Nederlands bijhouden.’ Soms zei hij: ‘Ik dacht dat je het fijn vond dat je nu niet meer zo druk bent.’
De maanden hiervoor waren inderdaad rustig geweest. Ellen ging met Sem en Julia naar de Eiffeltoren. Wanneer zij naar de kleuterschool waren bezocht ze het Louvre, kocht ze boeken als A Moveable Feast, liep ze de Marché des Enfants-Rouges af om daar eten te kopen. Zo lekker Frans. Ze moest gewoon wennen aan het leven als expat, als huismoeder. Als hobbyvrouw. Het lukte niet.

Nu doet ze de deur open voor de nanny en ziet hoe Julia zich direct in haar armen stort.
‘Daar ben je,’ zegt Julia. Er is nog een traanspoor zichtbaar op haar wang.
‘Goedemorgen,’ antwoordt Maria in gebroken Nederlands en ze haalt haar vingers door Julia’s krullen. Maria’s eigen haar begint al grijs te worden: over het zwart zit een asgrauwe gloed. Een tijdje geleden vond Ellen dat nog vertrouwd, had ze telkens de neiging om het aan te raken. Maria als de moeder die ze zelf af en toe nog nodig had.
‘Ik heb ze vanochtend al aangekleed,’ zegt Ellen.
‘Maar ik wil dit niet,’ zegt Julia, terwijl ze aan haar T-shirt plukt. ‘Ik wil mijn jurk.’ Ze pruilt en ziet eruit alsof ze elk moment weer kan gaan huilen.
‘Vandaag niet,’ zegt Ellen. Ze glimlacht naar Maria. Een blik van verstandhouding, hoopt ze. ‘Sem is ook al helemaal klaar. Je hoeft alleen nog brood te smeren voor de lunch.’
Sem zit bij zijn legobouwwerk. Hij kijkt even op bij het horen van zijn naam, maar gaat dan rustig verder.

Ellen pakt haar sleutels en tas van tafel. Het is een Louis Vuitton. Peter heeft het altijd onzin gevonden om veel geld uit te geven aan spullen. Hij vindt het nog steeds onzin, maar nu kan ze haar eigen geld uitgeven.
Ze loopt naar Sem toe om hem een kus te geven en kan het niet laten om even door zijn piekerige blonde haar te vegen. Hij krimpt ineen. Als Ellen met getuite lippen voor haar staat geeft ook Julia haar een kus, maar niet van harte.
‘Lief zijn, jullie,’ zegt Ellen voor de deur achter zich dichttrekt. Ze bedoelt de kinderen, maar kijkt onwillekeurig naar Maria.

Er was een tijd dat Ellen dit perfect had genoemd, echt perfect, de perfecte kinderen en de perfecte nanny en het perfecte leven. Sterker nog, ze heeft het wel eens gezegd, tegen Amélie van de salesafdeling.
In de eerste zeven maanden had ze alleen contact met collega’s van Peter, kwam alleen ergens over de vloer als ze samen uitgenodigd waren. Het was ondankbaar en ze weet dat het ondankbaar was, maar het thuisblijven bij de kinderen maakte haar prikkelbaar. Ze moest iets dóen. Ergens naartoe.
Toen ze weer aan het werk ging had Ellen voorgesteld om een nanny te nemen. ‘Denk je niet dat het makkelijk is,’ had ze gezegd, en ‘ze hoeft hier niet te wonen’. Peter was het met haar eens. ‘Het is toch wel goed voor de kinderen om een vrouw in huis te hebben.’
Via een forum vond Ellen het nummer van een ervaren nanny. Ze hadden drie keer met Maria geskyped en daarna besloten om haar vlucht te betalen. Maria had een uitstekend cv: ervaring met Westerse gezinnen, zelf twee volwassen zonen en een EHBO-diploma. Ze had zelfs al contact met andere Filipijnse vrouwen in Parijs. Maar vooral was er iets in de manier waarop ze sprak, zacht, en met die krakende ruis van de lijn, die Ellen aan iets deed denken. Thuis, dacht ze later. Zoals Maria klonk, het blikkerige geluid uit de computer, klonk ze naar thuis.
Dat Sem na een paar weken driftbuien kreeg, dat was lastig. Ineens leek hij weer twee jaar oud, zo kon hij krijsen. Hij sloeg en duwde Julia als ze in de buurt kwam. Niet altijd, en niet altijd hard, maar hard genoeg om gemeen te zijn.
En dat Julia haar haar steeds los wilde, een jurk aan moest en vroeg of ze er niet mooi uitzag – Ellen had gedacht dat het bij haar leeftijd hoorde. Voor ze hen in het park ziet heeft ze nooit het idee gehad dat er misschien iets anders speelt.

Ze is naar buiten gegaan om te lunchen. Haar collega’s gaan naar een restaurant, maar Ellen slaat de uitnodiging af: ‘Even wandelen.’
Ze haalt een broodje bij de patisserie. Op deze momenten kan ze ineens van de stad genieten alsof ze er voor het eerst is. De hoge gebouwen, de spijlen bij de ramen, het groen dat ineens opduikt in een woonwijk: ze zou nergens anders willen zijn.
De lucht is helder blauw, en als ze op een bankje gaat zitten doet ze haar sjaal af. Verderop in het parkje spelen kinderen in een zandbak. Ellen houdt haar ogen gesloten. Het klinkt naar zwembad, de hoge kinderstemmen tussen de gebouwen. Ze hoort ze roepen, in het Frans, in het Engels, en ineens weet ze zeker dat ze Julia hoort.
Ze opent haar ogen weer. Bij de rand van de zandbak staan verschillende kinderwagens. Op de bankjes er omheen zitten vrouwen te praten. Filipijnse nanny’s, zo lijkt het in ieder geval. Ellen glimlacht. De vrouwen praten opgewonden tegen elkaar, terwijl hun ogen steeds richting de zandbak gaan.
Julia. Ze is het echt, en ze gilt, hoog en opgewonden. Ellen ziet hoe haar dochter voor de bankjes ronddraait in haar nieuwe jurk. Maria – de derde vrouw van rechts, waarom zag ze dat net niet? – aait door Julia’s haar en neemt haar op schoot.
Het valt haar op de dat de nanny’s omringd zijn door meisjes. Meisjes met knotjes, vlechtjes, jurkjes. Nu Julia zit, komt er een ander meisje dat haar jurkje laat zien. Ze draait een rondje en maakt dan een plissébuiging. Een paar nanny’s klappen in hun handen.
Het ziet er schattig uit. Bijna idyllisch. Ellen voelt haar broodje draaien in haar maag. Ze voelt zich een toeschouwer van iets wat ze niet had moeten zien, en tegelijkertijd komt het haar zo bekend voor.
Ze kijkt naar de zandbak, zoekt naar een jongetje. Sem. Hij zit alleen. Bouwt iets, een kasteel of een toren. Hij kijkt niet naar Maria, Julia of naar de andere kinderen. Hij is bezig met het zand.
Ze bedwingt de neiging om naar de zandbak lopen en Sem in haar armen te nemen. Hij zou haar toch wegduwen. In plaats daarvan zit ze verstijfd op de bank, alsof ze haar leven alleen maar van een afstandje kan bezien. Pas als de nanny’s opstaan omdat hun bankjes inmiddels in de schaduw staan, staat ze ook op.
Ineens weet ze het. Haar eigen moeder op het schoolplein, pochend over Ellen. Niet in de zandbak spelen, dan wordt je jurkje vies. Niet aan je vlechtjes zitten, dan zakken ze uit. En altijd glimlachen tegen de andere moeders, laten zien dat jij de leukste dochter bent.

Wanneer ze aan Amélie vertelt wat ze zag, reageert die nonchalant: ‘Ja, natuurlijk pronkt je nanny met je dochtertje. Met die schattige blonde krullen. Ze moeten toch iets hebben om over te praten? Dat kan geen kwaad.’
‘Nee,’ zegt Ellen. ‘Misschien niet.’
Maar ze denkt aan Sem, alleen in de zandbak, aan de manier waarop hij Julia knijpt wanneer Ellen niet kijkt en soms ineens moet huilen als hem op bed legt.

Ze heeft een gesprek met Maria. Of ze Julia niet meer zo popperig wil aankleden en of ze Sem misschien meer aandacht kan geven. Ja, Julia vindt het fantastisch en nee, Sem is niet makkelijk. Maar zou ze het alsjeblieft kunnen proberen?
Ellen helpt Sem vanaf dan vaker met zijn kastelen. Ze leest hem ’s avonds weer voor, ook al dwalen zijn gedachten bijna direct af. Daar staat tegenover dat Julia weigert om zich door Ellen te laten aankleden en ook niet meer door haar naar bed gebracht wil worden.
‘Kleuterpuberteit,’ zegt Peter, maar Ellen weet dat het een straf is. Waarvoor, daar is ze niet helemaal zeker van.
Ze blijft hopen dat Amélie gelijk heeft, dat het niet zo erg is dat Julia wat meer aandacht krijgt. Of dat dit een fase is die vanzelf weer voorbij gaat, wanneer Julia en Maria de verkleedpartijen zat worden. En ze herhaalt tegen zichzelf wat ze ook zei toen ze aan het werk ging: dat ze geen goede moeder kan zijn als zij niet doet waar ze gelukkig van wordt.

Na een paar weken slaat Sem tijdens een woedeaanval een kastdeurtje kapot. Ellen probeert hem in haar armen te trekken, maar hij blijft gillen en om zich heen slaan. Pas wanneer ze met een lage stem tegen hem praat, zachtjes en traag, kalmeert hij wat. Als Peter thuiskomt en haar met Sem op de grond ziet zitten knikt hij langzaam, alsof hij nu pas begrijpt wat ze al een hele tijd met hem probeert te bespreken.
Terwijl hij zijn stropdas lostrekt zegt Peter tegen haar: ‘Misschien moet hij toch eens medicatie proberen.’

Normaal gesproken drinkt Ellen niet doordeweeks, maar nu trekt ze nog voor het avondeten een fles wijn open. Wat maakt het uit, ze wonen in Frankrijk. Haar baas drinkt zelfs bij de lunch.
Met het glas in haar handen blijft Ellen bij het aanrecht staan. Maria heeft het avondeten al klaargemaakt. De lasagne staat in de koelkast en hoeft alleen nog opgewarmd te worden. Terwijl ze de schaal in de oven zet neemt ze een beslissing. Haar glas is dan al leeg.
Aan tafel is Peter degene die de lasagne aansnijdt. De man die het vlees snijdt, denkt ze met een glimlachje. En waarom ook niet? Voor de generaties voor haar heeft dat prima uitgepakt.

Sem eet met grote happen. Hij schuift zijn eten zo zijn mond in, alsof hij niet kan wachten om weer met zijn Lego bezig te zijn. Julia eet alleen de kaas van de lasagne. Ellen zal straks zeggen dat ze minstens één hapje van de rest moet proberen, anders krijgt ze een boterham.
‘Ik heb vandaag iets besloten,’ zegt Ellen, terwijl ze haar glas nog eens bijvult. Peter knikt haar toe, alsof hij weet wat ze wil zeggen. ‘Vanaf volgende maand stopt mama met werken.’
Sem knikt alleen. Julia kijkt nog steeds met gefronste wenkbrauwen naar haar lasagne.
‘Dat betekent ook dat Maria niet meer langskomt.’
Julia begint te huilen, met de lange uithalen die ze normaal gesproken bewaart voor wanneer ze hard gevallen is. ‘Waarom?’
‘Dat kan nou eenmaal niet, lieverd,’ zegt Ellen. ‘Ze zal hier in het begin nog wel even zijn. Maar er zijn ook andere kinderen waar ze voor moet zorgen.’
Dat van die andere kinderen verzint ze ter plekke. Eigenlijk heeft ze nog niet nagedacht wat er met Maria moet gebeuren – ze zal eens navragen op haar werk, misschien heeft iemand nog een nanny nodig.

Wanneer ze de vaatwasser inruimt – de fles is dan al leeg – vraagt ze zich af of ze de goede beslissing heeft genomen. Wat als Maria zou blijven? Nog drie maanden, een jaar? Misschien zouden de kinderen zich haar niet eens echt herinneren: misschien wordt Maria een vage figuur uit het verleden, iemand over wie ze later zeggen ‘oh ja, hoe is het met haar?’
En misschien zal haar eigen geheugen ook verbleken. Misschien zal Ellen zich over een paar jaar niet meer van Parijs herinneren dan het lunchen in de zon, de balkons met de spijlen en Eiffeltoren. Wie zegt dat haar saaie dagen niet zullen vervagen tot één gelukkige herinnering, aan die tijd dat ze het zo rustig had met de kinderen, die tijd dat ze als een echte Parisienne door de stad liep?
Ja. Als ze er over nadenkt weet ze zeker dat dat zal gebeuren.


Else Boer (1991) deed de researchmaster Nederlandse Letterkunde (UU & UvA). Ze schrijft korte verhalen en publiceerde in tijdschrift Absint en Op Ruwe Planken. In 2015 stond ze in de finale van Write Now!, waar één van haar verhalen een eervolle vermelding kreeg.

Meliza de Vries schrijft en illustreert. Gedichten van haar verschenen in verschillende (online) literaire tijdschriften. Zij droeg haar gedichten onder andere voor tijdens Dichters in de Prinsentuin, NoorderZlam en Onbederf’lijk Vers. Afgelopen zomer tourde zij met de Poëziebus door België en Nederland. Lees hier meer gedichten van Meliza.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s