Dat wat jij net niet bent…

Basje Boer is schrijver, muzikant en kunstenaar, en schreef voor Passionate Magazine de filmrubriek ‘Ingeblikt’. In mei dit jaar verscheen haar romandebuut Bermuda: een boek doorspekt met verwijzingen naar film en beeldcultuur, over de zoektocht naar identiteit. In een recensie voor Passionate Platform schreef Djoeke Ardon: ‘Authenticiteit en identiteit zijn fictie, zoveel wordt wel duidelijk. Een fictie die beangstigend oncomfortabel kan zijn, maar ook, tegelijk, de redding. [Bermuda] is een ode aan  die fictie.’

Bij zo’n roman hoort natuurlijk een boektrailer, en daarom sloegen Basje Boer en Bart Voorbergen de handen ineen voor een short movie:

Identiteit blijkt een dankbaar thema voor Boer, zo blijkt ook uit haar eerdere bijdrages aan Passionate Magazine. Voor het september-oktober nummer uit 2011 schreef ze een verhaal getiteld Dat wat jij net niet bent, dat ben ik:

Ik bedenk me.
Terwijl de glazen deuren van de Albert Heijn opzij schuiven, schiet ik mijn brandende peuk naar de overkant van de straat.
Een daklozenkrantverkoper.
Een hondje jankend aan de riem.
Een stapel kapotte mandjes.
Een vrouw wier lichtbruine huid met sproetjes is overdekt, als een banaan. Ze kijkt me niet aan, ze loopt met gebogen hoofd langs.
Ik bedenk me. Ik steek een nieuwe sigaret op en blijf lopen.

 

Ik ben gespierd. Ik zei tegen Elsa dat ik gespierd ben. Ik zag haar gisteravond, ik had haar in geen jaren meer gezien. Hij ook niet, hij had haar ook in geen jaren meer gezien.
Maar ik ga niet naar de sportschool, zei ik, ik ga de deur niet uit. Wel zo makkelijk, en ik hou niet van pottenkijkers.
Je bent kort, zei Elsa.
Niet korter dan hij, zei ik.
Wel, zei Elsa, je bent korter dan je broer.
Dat haar vriend heel lang is, zei ze. Dat dat vervelend is, want zij is zo kort. Maar ze keek er niet bij alsof ze het vervelend vond.

 

Ben je op Elsa, vroeg mijn broer een keer, nog toen we op de basisschool zaten.
Nee man, zei hij. Jij dan?
Nee, man, zei ik en ik meende het ook. Als hij niet op haar was, dan hoefde ik haar ook niet, toch. Zo werken die dingen, toch.

 

Ik bekijk mezelf in een verduisterd raam, van opzij. Misschien ben ik korter dan mijn broer omdat ik breder ben. Echt wel dat ik breder ben. Hij sport niet, hij rent. Rennen is geen sport, dat is haast hebben. Word je korter als je breder wordt? Of word je breder als je korter wordt? Als een leeg sappakje waar je aan de bovenkant op drukt.

 

Onder mijn voeten ligt een stuk papier. Ik hoef niet te bukken om te zien wat er op geschreven staat: Denk erom.

 

Elsa zei: Ik ken je al vijftien jaar.
Ze zei: Weet je dat? Ik ken jou en je broer al vijftien jaar.
Is dat zo?
Ze zei: Ja, ik ken jullie al vijftien jaar. Hij is niet veranderd maar jij wel. Jij bent veranderd.
Dat is goed. Verandering is goed, zei ik.
Ik denk het, zei Elsa.
En ze zei: Je bent jezelf geworden.

 

Ik stel me voor dat Elsa’s vriend enorme kaken heeft en lange armen en een harige nek. Ik stel me voor hoe hij zijn haar kamt voor de spiegel. Hoe hij koffie zet, de kattenbak verschoont.
Dat ze twee raskatten hebben, vertelde Elsa me.

 

Onder mijn voeten veranderen tegels in grind en grind in asfalt en asfalt in kaalgevreten gras. Tussen de heggetjes langs de straat groeit het afval uit de grond.
Roze plastic.
IJsstokjes.
Onleesbaar geworden papier.
Karton.
Een brief misschien, die niemand wilde lezen.
Kinderen maken koprollen in het gras. Een vrouw veegt haar stoep aan. Er is niks om aan te vegen, denk ik. Ga naar binnen, denk ik, ga naar binnen.

 

Ik stel me voor hoe de vrouw op de rand van haar bed zit. Hoe ze een van haar sloffen zoekt onder haar bruinleren bank. Hoe ze vroeger de meisjes uit haar klas in hun bovenarmen kneep.

 

Elsa was dikker geworden. Ze had haar haar geverfd: zwart. Het stond haar goed. Dat dikke ook wel, al hou ik er niet van, van bobbels. Ze zat in de verpleging.
O ja, zei ik, in de verpleging. Is dat wat?
Elsa grijnsde. Dat het een domme vraag was, zei die grijns: Is dat wat? Ik grijnsde ook.
Elsa liet me foto’s zien op haar telefoon. Van haar raskatten en van haar tuin. Ik liet haar foto’s van mezelf zien. Ik had nergens anders foto’s van.
Daar heb je je broer, zei ze.
Nee, zei ik. Dat ben ik ook.
O ja, zei ze. Dat ben jij ook.

 

Mijn broer tekende, ik speelde buiten. Mijn broer deed het strijken, ik het stofzuigen. Mijn broer had een hamster, ik een parkiet. Toen zijn hamster doodging, moest ook de vogel weg, zo hadden we besloten. We schudden de kooi leeg uit het raam.
Toen we dertien werden, gaven we een feest. Zonder ouders – alleen oom Edwin mocht erbij. Boven hadden we groene likeur en flesjes bier en iemand had sigaretten mee. Het licht was uit, alleen een nachtlampje brandde, om niet te morsen met de drank. Beneden dronk oom Edwin rum en rookte jointjes, werd er gedanst. Elsa was er ook.

 

Je bent jezelf geworden, had Elsa gezegd. Maar er kwam nog wat achteraan.
Je bent jezelf geworden, zei ze.
En toen: Alleen jammer dat je zo’n lul bent.
En ze glimlachte erbij.

 

Een vrouw op slippers.
Een man laat zijn hond uit.
Een kind in een badpakje in het gras in het park.
Ik stel me voor dat alles en iedereen een rij vormt met elkaar. Niemand weet waarop hij wacht en niemand schiet een stukje op. Maar het voelt natuurlijk, om te wachten. Het is een logisch vervolg op verveling.
Een stel sjouwt met een peuter die geen zin heeft om te lopen.
Een grote hond met heel veel haar.
Een duif.
Een man met een dikke buik.
Een vrouw in een jurk met rode stippen. In het zonlicht lekt de kleur eraf: de stippen langs blote benen naar beneden, naar de enkels toe. Lichtblonde haartjes schitteren als water.
De vrouw bukt zich, stopt een stip in haar mond.
Stippen, denk ik. Raar, dat woord, stippen. Stippen, stippen, stippen.

 

Je bent jezelf geworden, had Elsa gezegd. Alleen jammer dat je zo’n lul bent.
Of ze zei: Dat je zo’n lul blijkt te zijn.
Of: Dat je zo’n lul bent geworden.
Of: Dat je zo’n ongelofelijke lul bent.
En ik zei: Hoezo was ik mezelf niet dan?
En: Wanneer ben ik veranderd?
Je bent jezelf geworden.
En toen zei ze: Alleen jammer dat je zo’n lul bent.
En dan die glimlach.
En wat daarna kwam, weet ik niet meer.
Toen hij binnenkwam, hadden we het over die katten. Ze kostten wel duizend euro per stuk en mochten niet buiten want je sieraden leg je toch ook niet op de stoep.
Elsa zei: Daar heb je ‘m, hoor. En ze sloeg haar armen om zijn nek.
Gast, zei mijn broer tegen mij. We deden van: boks.
Gast, zei ik.

 

Onder mijn voeten verandert beton in stoep en stoep in asfalt. Ik hou stil bij het stoplicht. Ik druk mijn sigaret uit tegen het knopje en tik, begint het, tik tik tik.
Onder mijn voeten een rode stip. Ik buk me, stop de stip weg in mijn achterzak, bij mijn sleutels en mijn portemonnee. Stippen. Stippen.
Groen.


Basje Boer (1980) is schrijver en kunstenaar. In 2006 debuteerde ze bij De Arbeiderspers met de verhalenbundel Kiestoon. Verhalen verschenen in o.a. De Revisor, Hollands Maandblad, Passionate Magazine en De Gids. Ook schreef ze over film en kunst voor o.a. Opzij, De Groene Amsterdammer en TubelightBermuda is haar romandebuut.

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s