Feest

Door: Jante Wortel ♦ Illustratie: Minke Schönthaler

Gisteren volgde ik een vrouw die onderweg was naar haar overleden moeder. Ik kwam haar tegen in de trein, om het hoekje van de wc-deur. We waren allebei op een klapstoeltje gaan zitten omdat er nergens anders plek was.
De vrouw, halverwege de twintig, een paar jaar jonger dan ik, telefoneerde. Ze deed aangifte van een portemonnee die ze diezelfde ochtend was kwijtgeraakt. Gestolen, zei ze.
‘Mijn bankpasjes, een paar bonnetjes, mijn rijbewijs. Wat zegt u? Nee, nee, die heb ik niet.’
Terwijl ik naar het gesprek luisterde deed ik net of ik mijn bibliotheekboek las. Ik las ook daadwerkelijk, maar het enige dat tot me doordrong waren de woorden van de vrouw. Of ze ook vrijdag langs kon komen, want ze was nu onderweg naar iets anders.
‘Mijn moeder is overleden. Vanmorgen. Ja. Nee, dat klopt, het komt allemaal niet zo goed uit vandaag.’
De vrouw lachte een lach die alleen hoorbaar was. Ik wilde ook lachen, of haar tenminste toeknikken om te laten weten dat ik haar gehoord had. Maar ze keek naar buiten, naar de ramen met opgedroogde stroken regen die zichtbaar maken welke richting de trein meestal uitrijd.
‘Aanstaande vrijdag? Ja. Vier uur is prima.’
De vrouw lachte nog een keer.
‘Bedankt. Heel erg bedankt. Tot vrijdag.’
Ongeveer een halve minuut nadat ze had opgehangen haalde ze haar telefoon pas van haar oor. Ik zocht oogcontact, maar ze keek me niet aan en bracht haar toestel met twee handen naar haar schoot. Ze zuchtte. Bij wijze van medeleven zuchtte ik ook.
Pas toen keek ze naar me.

Bij het station waar ik normaal gesproken uit zou stappen bleef de vrouw zitten. Ik stond op, wachtte terwijl de trein tot stilstand kwam en liet iedereen bij de deur voorgaan.
Er stapten nieuwe mensen in. Een man met een koffer, een jongen met een koptelefoon, een moeder met een kinderwagen. Alleen de moeder bleef in het halletje staan, parkeerde haar baby met zijn gezicht naar de wc-deur.
De conducteur floot. De vrouw zat nog steeds op het klapstoeltje met haar telefoon in haar hand.
Het viel me nu pas op hoe lang haar haar was. Het hing in een vlecht over haar schouder en het puntje, dat krulde, raakte haar bovenbeen. Ze had dun haar. Dun, krullend haar, en dezelfde lichtoranje sproeten die ik vroeger zelf ook had. Het soort sproeten waar de mensen naar kijken, in een hoeveelheid die opvalt.

Toen de trein begon te rijden ging ik weer zitten. Bij het volgende station stapten de vrouw en ik nog steeds niet uit, en bij het station daarna ook niet.
Ik sms’te Marcus dat hij niet op me hoefde te wachten vanavond. ‘Het loopt uit op werk, vergadering, geen idee hoelang het duurt. Ik zie je vanavond wel, als je dan nog wakker bent.’
Voor ik op verzenden drukte wilde ik nog ‘het spijt me’ typen. Ik wist dat ik iets goed te maken had, maar dit was een onvoorziene omstandigheid.
Vandaag zou ik met iemand anders mee naar huis gaan.

Tegen de tijd dat we uit de trein stapten was het half donker. De vrouw trok haar jas op tot vlak onder haar kin, kneep hem daar met één hand dicht.
Ik deed hetzelfde. Op de roltrap bleef ik vlak achter haar staan, maar na het oversteken nam ik afstand. Een paar meter, net genoeg om haar nog zacht te horen mompelen. Hooguit tien minuten, dan was ze er. Ja.
Ik vroeg me af welke plek ze bedoelde als ze het over ‘daar’ had. Hoe gaat het daar? Begrijpelijk. En de buurvrouw? Natuurlijk, dat zou ik ook niet kunnen als ik haar gevonden had. En de badkamer? Had iemand dat al, hoe zeg je dat, opgeruimd?
Op mijn telefoon hield ik bij dat het zeven en een halve minuut lopen was. Ik kreeg ondertussen een bericht van Marcus, maar ik las niet verder dan: ‘Voorspelbaar. En wie haalt Teun dan op? Hij speelt bij Daan. Goed geregeld weer-’
De vrouw stopte aan het eind van een straat met rijtjeshuizen. Het was een doodlopende weg, met aan beide kanten parkeerplekken waarvan er geen één meer vrij was.
Het rijtjeshuis waar de vrouw aanbelde had een rode voordeur. De gordijnen voor het raam waren open, en ik zag een kamer vol mensen. Iedereen praatte.

Het duurde een kwartier voor de vrouw de woonkamer binnenkwam. Op de bovenverdieping had ik ergens licht zien aangaan, maar ik nam aan dat de badkamer niet aan de straatkant zat.
Toen de vrouw de woonkamer binnenstapte stond iedereen op. Door sommigen werd de vrouw omhelsd, anderen gaven haar alleen een hand of een bemoedigend klopje op de schouder.
Het leek bijna alsof ze gefeliciteerd werd. Alsof ze iets vierden, en alleen de slingers voor het raam en de appelkruimelvlaai nog ontbraken.
De vrouw nam plaats tussen twee andere vrouwen op de bank. Weer werd ze op haar schouder geklopt, daarna over haar rug geaaid en van beide kanten kreeg ze een hand op haar knie.

Er ging anderhalf uur voorbij. Ik was op een muurtje aan de overkant gaan zitten, vanwaar ik nog steeds naar binnen kon kijken. Het was inmiddels helemaal donker geworden, maar in de woonkamer hadden ze alle lampen aangedaan en de gordijnen laten hangen waar ze hingen.
De eerste fles drank werd in het midden van de kamer opengetrokken. Iemand haalde glazen, een ander stond op om bakjes te pakken, een zak borrelnootjes, toastjes, wat stinkkaas en tomaatjes die nog net niet te lang gestaan hadden.
Alles werd op tafel gesneden en iedereen hapte toe. De vrouw at vijf toastjes, dikke schijven komkommer en een paar handjes paprikachips.
Er werd meer drank gehaald. Terwijl ik toekeek hoe iemand een iPod aansloot om muziek op te zetten, trilde mijn telefoon in mijn broekzak.
‘Al een oplossing bedacht? Je weet dat ik Teun niet kan ophalen op dinsdagen. Ik heb ook werk. Ik vertrouw erop dat je dit oplost.’
Het liedje dat ze hadden opgezet herkende ik. Ik kon niet op de naam komen, maar zong de tekst zachtjes mee.

Wanneer ik precies in slaap gevallen ben weet ik niet. Ik werd wakker van het geluid van iets dat op de grond viel, en toen ik mijn ogen opendeed zag ik mijn beeldscherm in scherven op de stoep liggen.
Even dacht ik aan Marcus, daarna keek ik naar het huis aan de overkant waar nu geen licht meer brandde. Wel waren de gordijnen nog open. Het raam was lichtelijk beslagen vanbinnen, zoals de ramen van de trein beslaan als het geregend heeft omdat iedereen warme lucht uitblaast.
Ik liet mijn telefoon op de tegels liggen. Ik stak over, tussen de geparkeerde auto’s door en stapte over het tuinhekje dat zo laag was dat ik me afvroeg waar het voor diende. Links van de voordeur stonden twee containers. Tegen de zijkant zag ik een rij flessen staan. Lege wijnflessen. Eén ervan was gebroken, de bodem lag eruit, vermoedelijk omdat hij te hard en te onzorgvuldig was neergezet.
Nu ik vlakbij het raam stond kon ik goed naar binnen kijken. De kamer zag er nog net zo uit als vanaf de overkant, maar toch was het alsof het nu echter was, realistischer.
Ik probeerde met mijn hand over de beslagen ruit te vegen, maar het hielp niet. Het enige wat achterbleef op mijn vingers was een laagje grijs vuil, dat plakte als ik in mijn handen wreef.

Op de bank bewoog iets. Ik ging op mijn tenen staan en herkende haar meteen. Ze lag met haar jas over zich heen getrokken, haar vlecht hing over het kussen en bungelde tot vlak boven het vloerkleed.
Verder lagen er nog een paar anderen in de kamer. Ik kon de gezichten niet goed zien, maar hun lichamen hadden dezelfde vormen die ik een paar uur geleden voor het raam had zien dansen. Zware lijven, met ledematen die hevig heen en weer bewogen, net niet op de maat van de muziek.
Nadat ik een paar minuten voor het raam had gestaan klopte ik op het glas. Ik hoopte dat er iemand wakker zou worden, maar dat gebeurde niet.
Er gebeurde niets.
Ik klopte niet nog een keer. Ik liep terug naar de overkant, langs mijn telefoon in duizend stukjes, het muurtje waar ik had gezeten. Aan het einde van de straat kwam een auto aanrijden die door de stilte zoveel geluid maakte dat ik even niets anders meer hoorde.
De auto reed voorbij. Ik liep verder zonder om te kijken, en vroeg me af wanneer de eerstvolgende trein zou gaan.


Jante Wortel (1996) schrijft proza en poëzie. Ze is derdejaars student Creative Writing en won in 2015 de landelijke finale van Kunstbende in de categorie Taal, en studeert komend jaar af op Creative Writing aan ArtEZ. Dit jaar bereikte Jante met haar de landelijke finale van Write Now! waarvoor ze het verhaal Het beest schreef.

2 gedachtes over “Feest

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s