Waarom ben je zo kwaad, waarom kijk je zo donker?

Door: Anne de Jonge

Stad van goud, het ontroerende debuut van Tjeerd Posthuma, gaat over het vertellen van verhalen. Posthuma maakt duidelijk dat er meerdere manieren zijn om een verhaal te vertellen en zet de lezer kritisch aan het denken over de betrouwbaarheid van de hoofdpersoon en de manier waarop zij haar geschiedenis blootlegt. Stad van goud is opgebouwd uit meerdere verhalen. Verhalen die aankomen bij de lezer. En hard ook.

Het hoofdpersonage Claire groeit op in een Vinex-wijk waar zelfs het gras er niet van nature groeit. Het gras is er op rollen met vrachtwagens gekomen en bijgesneden in een vierkant. Claire denkt dat de architect dat de ultieme vorm vindt, omdat het zo onnatuurlijk is. Ook de bomen zijn op vrachtwagens gekomen. Het zijn tekenfilmbomen: ‘Lange stammen met een wolkje groen bovenin.’ Als Claires vader een bloemetje heeft gehaald voor zijn vrouw denkt Claire dat ze wasmiddel ruikt. ‘Wist ik veel. In de berm ruiken alle bloemen naar benzine.’ Met een scherp oog voor detail legt Posthuma de kunstmatigheid en tragiek van sociaal wenselijk gedrag bloot: de mannen uit de wijk dragen pastelkleurige polo’s en spijkerbroeken en de vrouwen witte leggings en rokken. In het weekend gaan ze naar het winkelcentrum en laten ze: ‘de boel even de boel, met een cappuccino-appelgebak-combiaanbieding voor maar vijf euro.’ Daarna kunnen ze er weer een week tegenaan. Als steeds meer mensen wegtrekken uit de wijk raakt Claires vader bezorgd dat er minder geslaagden in de wijk zullen komen wonen. Hij vindt het geen wijk voor de minder geslaagden.

Posthuma zorgt met deze setting voor een beklemmende, drukkende sfeer die een belangrijke rol speelt zowel voor de leeservaring als in het leven van de hoofdpersoon. Claire lijkt niet te gedijen in deze onnatuurlijke omgeving. Ze ziet geen barstjes in de omgeving, geen vale plekken. De ouders van Claire willen ook geen barstjes zien, vooral niet in hun kinderen. Ze zijn erg trots op hun kroost:

Toen ik net begon te praten vond iedereen dat ik supersnel ging praten. En toen ik net begon te lopen vond iedereen dat ik supersnel al kon lopen. Er waren groeicurves en ik piekte erboven. Mijn ouders vonden mij zo leuk dat ze het elkaar gunden mij naar bed te brengen.

In deze gepreciseerde, uitgemeten omgeving blijkt Claire allesbehalve voorspelbaar. Op deze plek, waar competitie, imago en verwachtingen een belangrijke rol spelen, heeft Claire iets gedaan wat niet mag. Ze is ondertussen achttien en zit in een jeugdgevangenis. Van de coaches in de gevangenis moet ze alles even schriftelijk op een rijtje zetten. Ze vragen haar om een coherent verhaal waaruit blijkt wat er nu precies is gebeurd en hoe dit heeft kunnen gebeuren volgens haar. Waarom ze zelf denkt dat ze in de gevangenis zit, zodat ze hier lessen uit kan trekken voor de toekomst. Claire beschrijft dit alles behalve duidelijk. Het heeft meer weg van een stream of consciousness dan van een coherente samenvatting van gebeurtenissen en verklaringen. Ze vertelt vooral over haar wiethandel. De coaches lijken echter niet zo geïnteresseerd in haar wiethandel; het lijkt hen om een ander misdrijf te gaan, waar Claire liever niet over schrijft of praat. Verder lijkt Claire bijzondere verbanden te leggen en geeft ze kleine details net wat meer aandacht dan nodig. Herhaaldelijk schat ze situaties verkeerd in. Posthuma laat de lezer zich afvragen of Claire liegt, of ze dit bewust of strategisch doet, of dat dit haar belevingswereld is en of je nog wel van liegen kunt spreken als iemand zo in haar eigen leugens gelooft. Net als Posthuma vertelt Claire een verhaal. De roman gaat over het vertellen van verhalen en Posthuma zorgt ervoor dat de lezer mee kan interpreteren, bedenken en vertellen. Zelf vindt Claire haar dossier in de gevangenis ook maar een verhaal:

Een stapeltje papier: foto’s en beschrijvingen. Dat is op een zekere volgorde gelegd, er is een nietje doorheen geslagen of in een snelbinder gedaan en daardoor is dat opeens wél een samenhangend verhaal?

Posthuma raakt met behulp van mooie beelden, beschrijvingen en originele details grote universele thema’s aan zoals jaloezie, eenzaamheid en vergeving. Gelukkig behoudt hij een goede balans tussen humor en tragiek. Als Claire afscheid neemt van haar ouders na aankomst in de jeugdinrichting doen haar ouders net alsof ze uit huis gaat:

Ze liet me los. De kou trok uit het linoleum mijn voeten in. Ze gaan nu verder sparen voor iets anders voor mij. Dat kan natuurlijk geen kwaad. En dit is ook een manier om er vast aan te wennen dat ik uit huis ben. Mijn ouders zijn de enige mensen die een opname in een penitentiaire jeugdinrichting omschrijven als een manier om er vast aan te wennen dat je uit huis bent.

Als ze terugdenkt aan het gala schrijft ze:

Docenten liepen nonchalant tussen iedereen door met een biertje of witte wijn. Soms wierpen ze een blik in het decolleté van een meisje. Het was voor hen ook een afscheid.

Posthuma slaagt erin  de lezer zich in het hoofd van Claire te laten wanen, maar haar taalgebruik is niet altijd consistent en daarom soms ongeloofwaardig. Een straattaalachtige, jeugdige taal wordt afgewisseld met volwassen termen waarvan je je kunt afvragen of een meisje van achttien deze zou gebruiken. Het is duidelijk dat dit met opzet gedaan is, omdat Claire het hulpverlenersjargon van de coaches overneemt en de straattaal van de andere jongeren in de gevangenis. Het laat op een mooie manier zien hoe beïnvloedbaar ze is, maar lijkt op sommige momenten ook wat geforceerd. Als Claire terugblikt op toen zij klein was, herinnert ze zich een moment waarop haar broertje Orville getroost werd door hun moeder: ‘Mama troostte hem, nam hem op haar arm (terwijl hij daar eigenlijk al te groot voor was) en suste zijn stortvloed aan stotterende verwijten.’ Mooi geformuleerd door Posthuma, maar allicht niet het taalgebruik van een achttienjarige havoleerling.

Ondanks bovenstaand kritiekpunt is Stad van goud een origineel debuut dat de lezer bijblijft. Met de sterke, wat onaangename en benauwde sfeer grijpt Posthuma direct de aandacht van de lezer en houdt deze tijdens het lezen en ook nog daarna vast. Hij laat de lezer afvragen waarom mensen doen wat ze doen, wanneer liegen liegen is en waarom iemand een verhaal op een bepaalde manier vertelt. Met een omslag-stad-van-goudcombinatie van spanning en grote universele thema’s zet Posthuma zeker iets bijzonders neer en laat hij de lezer onthutst, geraakt en bijna verslagen achter.

Tjeerd Posthuma – Stad van goud
Thomas Rap
ISBN 9789400406124, €17,99

 


Anne de Jonge (1992) studeert in Wageningen en heeft een minor Creative Writing afgerond aan de Maastricht University. Ze stond dit jaar in de finale van de schrijfwedstrijd Write Now! na het winnen van een wildcard met haar verhaal En het is ook nog belangrijk dat hij menselijk is.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s