Dwalende zielen bij Andriessen

Door: Sander Meij

Dwalmgasten, wat zijn dat precies? Buddingh’-prijswinnaar Mischa Andriessen werpt in zijn derde dichtbundel zo veel vragen op dat het de lezer na een tijdje kan beginnen te duizelen. Dwalmen, is dat een samentrekking van ‘talmen’ en ‘dwalen’? Een verbastering van walmen, van dikke rook? Rook in de ogen van de lezer?

Al deze mogelijke titelverklaringen sluiten in zekere zin aan bij de gedichten in deze bundel: figuren van diverse pluimage dwalen rond in de mist. Aktaion is bijvoorbeeld zo’n figuur. Aktaion is, naast een gedicht in Dwalmgasten, de jager die volgens de Griekse mythologie de godin Artemis bespiedt, waarop zij hem voor straf in een hert verandert. Daarna wordt hij verscheurd door zijn vijftig honden. In het gedicht ‘Aktaion’ vertelt Andriessen in drie delen deze mythe na. Een man wordt dronken in een kroeg: hij is een leidersfiguur en heeft een stel mensen of dieren om zich heen verzameld, tegen wie hij ‘koest’ zegt en die hem daarop volgen zonder dat hij naar ze hoeft te kijken (denkt hij). Vervolgens ziet hij een naakte vrouw die hij eerder had moeten zien, althans, er staat: ‘Hij had het eerder moeten zien om het te kunnen zien.’ Wat had hij kunnen zien? Waarschijnlijk dat het Artemis was, zodat hij ervoor had gezorgd dat hij haar niet tegen het naakte lijf was gelopen, omdat je met haar beter geen problemen kunt krijgen. Als hij niet zo dronken was geweest, had hij wel beter opgepast.

Ze is ‘zo naakt dat zij tot een wezensstaat terugkeert’. Het woord ‘wezensstaat’ is een neologisme, maar het ligt voor de hand het te interpreteren als de kern, de belichaming (no pun intended) van naaktheid, wellicht ook puurheid, kwetsbaarheid. Maar dan gebeurt er iets geks: niet hij, maar zij lijkt ineens een transformatie door te maken: ‘scherpe klauwen schuilen samen in haar vacht’, waar we toch ‘in zijn vacht’ zouden verwachten, aangezien het Aktaion is die in de mythe een vacht krijgt en door hondenklauwen verscheurd wordt.

Het derde deel van het gedicht is een soort naïeve reactie vanuit het perspectief van het hert (er wordt in dit deel in het midden gelaten of het een hij of een zij is, het is een ‘je’ ditmaal) vlak voordat het verscheurd wordt. Deze variatie op een mythe sluit aan bij de al genoemde thematiek van deze bundel: door verkeerde inschattingen, naïviteit of blind geloof, worden telkens ongelukkige keuzes gemaakt, waarbij je je kunt afvragen of die keuzes berusten op moedwil of misverstand. Of het louter slechte keuzes zijn, laat Andriessen het liefst aan de lezer over, van wie hij soms het nodige vraagt.

Dwalmgasten is een tamelijk weerbarstige bundel en het is soms lastig om vat te krijgen op de gedichten. Dit is zowel een voordeel als een nadeel: enerzijds word je als lezer gedwongen om zelf dingen af te ronden, na te denken, zélf keuzes te maken. Kortom: om goed te lezen. Niet voor niets eindigt het openingsgedicht ‘Net’ met de vraag ‘waarom’? Maar tegelijkertijd mis je hierdoor de nodige spanning. Doordat de thematiek soms wel erg nadrukkelijk aanwezig is in deze gedichten, raak je zelden helemaal ondersteboven van wat je gelezen hebt. Dat zit hem ook in het taalgebruik. Wat dat betreft kan het openingsgedicht misschien wel exemplarisch voor de rest van de bundel worden genoemd. Hierin draagt een vader zijn zoon op van een kast te springen, ondanks de bedenkingen die de zoon hierover uit. ‘Vertrouw me maar’ zegt de vader, en vangt hem op. Het zoontje springt nogmaals van de kast, maar valt ditmaal hard op de grond. ‘Je ving me niet, schreeuwt de zoon. / Waarom? Ja, zegt de vader: Waarom?’ Op zich is het een van de verdiensten van poëzie om vragen op te roepen, zeker als dit gebeurt bij zaken die we onwillekeurig als vanzelfsprekend zijn gaan beschouwen. Of dit nu in de taal, de dagelijkse realiteit of een filosofisch discours gebeurt, doet er niet zo veel toe. In het geval van dit gedicht levert het kale poëzie op die nauwelijks ‘poëtische’ eigenschappen heeft, er is geen sprake van verrassende wendingen in ritmiek of tijd, er wordt niet geschakeld tussen lyriek of anekdotiek en er is geen sprake van bijzondere taalbehandeling. Nu zijn er talloze voorbeelden aan te dragen van gedichten zonder enige opsmuk, die niettemin bijzonder tot de verbeelding spreken. Maar dit gedicht doet ongewild toch een beetje denken aan een oefenvoorbeeld uit een filosofieschoolboek. Waarom doen we wat we doen? Oppervlakkig gesteld: de vader heeft een bijzonder sadistische kijk op opvoeden, en we kunnen onze medemens beter niet vertrouwen. Er zijn op zich sterkere metaforen denkbaar om het ‘menselijk tekort’ te bevragen.

Andriessen gebruikt in deze bundel met enige regelmaat ongebruikelijke, soms archaïsche woorden, die niet direct bij iedere lezer als bekend mogen worden verondersteld. Bijvoorbeeld in het gedicht ‘Vogelkoning’ waarvan de laatste regel luidt: ‘De mare wil dat ze luisteren.’ Dienen we dit te lezen als: ‘het verhaal / gerucht / bericht wil dat ze luisteren’ of misschien zelfs ‘Het sprookje wil dat ze luisteren’? Of wordt hier met ‘mare’ misschien een vrouwelijk paard bedoeld? Het woord ‘mare’ past verder niet echt bij de rest van het gedicht dat gevoelens van veranderende verhoudingen, vertrek en terugkeer oproept. De keuze voor zo’n afwijkend woord is opmerkelijk, omdat het detoneert met de rest van het gedicht en het moeilijk is om vast te stellen wat de functie hiervan kan zijn. Anderzijds blinken sommige passages dan weer uit in eenvoud, en valt er soms ook wat te lachen af. Het gedicht ‘Route’ opent met een woordgrap: ‘Wat voor hem ligt, is weg’.

Ook de verhalen van Odysseus en de Metamorfosen van Ovidius passeren, soms in gemaskeerde vorm, de revue. Het incorporeren van mythen in moderne poëzie is een bekend procedé, en het is prettig, om niet te zeggen een verademing, om te zien dat Andriessen geen expliciete morele boodschappen wil opdringen aan de lezer. De vraag rijst dan wat hij dan wel wil en waarom hij voor deze aanpak heeft gekozen. Wellicht wil hij slechts vragen opwerpen. In hoeverre is de mens verantwoordelijk voor zijn eigen doen en laten? Hoe denken we de werkelijkheid te kunnen verklaren, als we niet meer zijn dan dwalende figuren in een mistige wereld? Denk hierbij aan Alfred Issendorf in Hermans’ Nooit meer slapen. Op zich interessant, al neemt deze werkwijze ook wel een risico met zich mee. Wanneer antwoorden consequent uitblijven, kunnen sommige gedichten iets vrijblijvends krijgen, omdat een gebrek aan waarachtigheid op de loer ligt. Qua idee en relevantie is Dwalmgasten niettemin een interessante bundel die soms beklemmend en op andere momenten weer vervreemdend is. Als Andriessen wat meer stijlfiguren had omslag-dwalmgasteningezet, zijn op zich boeiende personages wat menselijker had gemaakt en ‘de idee’ wat meer naar de achtergrond had gedrongen, dan was dit wellicht een nog nét wat interessantere bundel geweest.

Mischa Andriessen – Dwalmgasten
Uitgeverij De Bezige Bij
ISBN 9789023499350, € 17,99


Sander Meij (1980) is neerlandicus en werkt als redacteur. Als dichter was hij onder meer te zien op Crossing Border, bij DWDD en won hij enkele prijzen. Hij publiceerde in tijdschriften als Hollands Maandblad, Op Ruwe planken en Het Liegend Konijn. In 2015 verscheen zijn poëziedebuut Nieuw eiland bij Nieuw Amsterdam. Lees hier meer artikelen van zijn hand.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s