Bloot

Door: Jante Wortel ♦ Beeld: Kara Hamer

Ik zou niet naakt voor een raam gaan staan en je naar me laten kijken. Wat ik wel zou doen, is mijn lichaam tot in detail beschrijven en het aan je laten lezen.

Er zijn dingen die ik niet kan vertellen, maar die ik wel kan opschrijven. Dingen die ik wel durf te vertellen, maar in iemands gezicht niet over mijn lippen kan krijgen omdat het voelt alsof ik dan wél naakt voor dat raam sta. Alsof andermans handen zich op alle intieme plekken van mijn lichaam bevinden, op alle plekken waar ik ze niet hebben wil.

Voor mijn afstudeerwerk ga ik schrijven over een herinnering waar ik tot twee weken geleden nog met niemand over gesproken had. De eerste – en tot nu toe enige – aan wie ik het verteld heb is Erik Jan Harmens, die me begeleidt bij het schrijven van mijn afstudeerwerk. We hadden het eerder in ons gesprek, in de woonkamer van zijn huis in Landsmeer, gehad over het thema waarover ik wilde schrijven. Ik had er de hele treinreis over nagedacht en bij wijze van conclusie antwoordde ik: dat weet ik niet.

Ik denk dat ik ongeveer negen jaar oud was. Mijn ouders, mijn broer en ik stonden op een boerencamping in Dieverbrug (ergens in Drenthe) en het was de laatste dag van de herfstvakantie. Mijn broer en ik zwommen, onze ouders braken de voortent af, pakten onze tassen in, laadden de auto vol. Het zwembad bevond zich in een soort tuinkas met een glazen dak waardoorheen je de lucht kon zien. Mijn broer en ik waren de enigen in het water. We zwommen omdat we ons verveelden, omdat alle kinderen met wie we speelden op de camping al naar huis waren. We konden alleen nog maar met elkaar spelen.

Tot zover zou ik het kunnen vertellen zonder extreem veel aan mijn kleren te plukken, zonder overal naar te kijken behalve naar het gezicht van de ander en zonder me er constant voor te verontschuldigen dat ik zo slecht uit mijn woorden kom.

Terwijl ik dit aan het schrijven ben merk ik ook dat ik zelfs nu niet kan vertellen wat er in mijn herinnering precies gebeurt. Tenminste, niet op de manier waarop ik zou praten over wat ik gisteren in de rij voor de kassa zag.

In een van zijn boeken vertelt Knausgård over de eerste keer dat hij masturbeert. Als ik het me goed herinner gebeurt dat in een bos ergens onder een boom. Ongeveer een pagina lang beschrijft hij tot in detail hoe hij het doet, hoe het voelt en hoe het eruit ziet. Van zulke passages kan ik enthousiast worden. Niet omdat het over de piemel van Karl Ove Knausgård gaat, maar omdat het lezen ervan intiem voelt, als het delen van een geheim bijna.

Als Knausgård het me persoonlijk zou vertellen, ’s avonds in een café, op straat of op de bank voor de televisie, net zo gedetailleerd als hij het in zijn boek doet – hoe zijn huid aanvoelt, hoe hij over het topje wrijft en aan welke meisjes hij denkt – dan zou het waarschijnlijk toch wat meer dan alleen intiem voelen. Misschien zou ik dan zelfs wegrennen, behoefte hebben aan buitenlucht.

De vorm die Knausgård kiest voor het vertellen van iets persoonlijks creëert afstand. Hij maakt er fictie van. Door te schrijven over zijn herinnering gaat hij terug naar een moment dat hij pas schrijvend uitdiept, waardoor hij dingen ziet die hem toen misschien niet eens opvielen. Of er helemaal niet waren, maar wel deel uitmaken van hoe hij eraan terugdenkt.

Voor de herinnering die ik in mijn eindwerk ga gebruiken schaam ik me. Dat heeft vooral te maken met iets wat ik me ingebeeld heb, maar desondanks niet minder echt voelt.

Ik schaam me voor een gedachte die ik had als negenjarig meisje in een zwembad in een tuinkas, en toch wil ik erover vertellen. Ik wil het delen, als een bekentenis bijna, zonder precies te weten waar ik daarmee wil bereiken. Ik zou ook naar een therapeut kunnen gaan, maar ik zie dit niet als een probleem waarmee ik geholpen moet worden. Het is namelijk geen probleem. Ik wil erover schrijven omdat ik (ook) denk dat er een goed verhaal in zit.

Ik heb als kind weleens een snoepje gestolen, wat ik dan later van mezelf moest opbiechten ook al kon ik het onmogelijk nog teruggeven. Ik deed het omdat ik er anders mee bleef rondlopen. Omdat ik de winegum dan letterlijk halverwege mijn slokdarm voelde hangen.


Jante Wortel (1996) studeert in 2017 af aan de opleiding Creative Writing op ArtEZ. Voor haar eindwerk doet ze onderzoek naar schaamte bij, rond en in het schrijven, en werkt ze aan een novelle gebaseerd op de drie maanden dat haar ouders een ex-gedetineerde in huis namen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s