Vliegen

Door: Aloys Vonckx ♦ Beeld: Charlotte Van Hacht

De geur van aangebrande boter. Met drie harde tikken sla ik het ei op de rand van een mok. Een trein krijst voorbij. De schaal barst en ik laat het ei vallen in de hete pan. Er ontstaan bubbels in het eiwit die vervolgens springen. Ons huis rilt.

Papa legt een stuk rauw vlees op het aanrecht. De radiopresentatrice van Radio Donna kondigt een nummer aan van Bart Kaëll. Zij vindt het nummer ideaal om een zonnige zaterdag als vandaag op gang te trappen.
‘Vandaag is het jouw dag. Iedereen zal er zijn,’ zegt papa tegen Eliot. Mijn broertje kijkt niet op. Papa verwijdert het bot waarrond het vlees zich had gehecht, streelt met de binnenkant van zijn wijsvinger kort langs mijn wang. Oma antwoordde me eens dat als iemand je verkeerd aanraakt, de huid op die plek loskomt van het vlees, en dat hoe ouder je wordt, hoe meer vel je over hebt en hoe meer bruine plekken.
Beneden hangen er slingers aan de muren. De buitentafel staat gedekt, voor elke stoel staat een kartonnen bord. Ik slik, proef de smaak van gal en rijstkorrels. Op het tafelblad ligt een groot papieren tafellaken. Waarschijnlijk heeft papa er een bulgom onder gelegd opdat er geen plekken achterblijven in het houten oppervlak. Mama heeft aan elke stoel een ballon gehangen. Achter de tafel staat een wit partytentje opgesteld. Het is vijf jaar geleden dat ik een gelijkaardig tentje zag. Ik gaf toen over in een plastic zakje van de Kredietbank. Mama zet zich neer op een stoel, wrijft met de buitenkant van haar hand het zweet van haar gezicht. Ze blaast nog een ballon op, legt er moeizaam een knoop in. Vervolgens legt ze haar beide handen op haar bolle buik. Het kind was niet gepland, net zoals ik dat niet was geweest. Toen waren ze volgens papa nog te jong, nu zijn ze volgens mij te oud. Mama en papa noemen het soms hun ongelukje, alsof zij met dat verkleinwoord iets zwaars draaglijk willen maken.
Het is nog vroeg, maar de zon brandt. Ik draai mij om, kijk naar de verkleuring van het parket, naar de plaats waar vroeger ons tapijt lag. Op de koelkast plakt een verjaardagskaart. De voorkant is  versierd met een aap die zijn tong uitsteekt. Boven die aap staat de tekst: Sommige mensen worden niet ouder, maar gekker’.  Een vriend van papa schrijft dat het ongetwijfeld een mooie dag wordt voor ons. Eliot haalt de tintekiller uit de zijzak van zijn broek, maakt met de witte punt korte krassende bewegingen over het woord ‘jullie’. Heel traag trekt het woord weg. Daarna laat hij de blauwe punt even rusten op de natte plek, daar waar hij de kaart heeft beschadigd. Aan de binnenkant van papa’s armen zwellen aders op.

‘Ik zou graag een vliegenmepper krijgen,’ zegt Eliot.
‘Een vliegenmepper?’
‘Ja, overal zitten vliegen,’ zegt hij. Buiten valt een ballon in het gras. Een luide knal. Mama staat recht, komt naar het huis toegewandeld.
‘Ze komen op het vlees af. Daar kan ik niets aan doen,’ zegt papa. Hij heft zijn arm, kapt met enkele harde halen de homp vlees in grove stukken. Hij legt de stukken in een grote schotel en legt er vershoudfolie over.
‘Zo,’ zegt hij. ‘Nu kunnen ze er niet meer aan.’
‘Misschien komen de vliegen niet af op het vlees maar op het karkas,’ zeg ik. Papa houdt nog altijd het mes in zijn hand, duwt met de punt in de snijplank.
‘Gekke kerel,’ zegt hij. Hij knipoogt naar Eliot. Ik gris de ballonnen van de salontafel en loop naar boven. Sinds ik vorig jaar op kot ben gegaan, slingert er steeds meer speelgoed van Eliot rond in mijn oude kamer. Ik trap Michelangelo en Donatello onder mijn kleerkast, vindt een muntstuk van vijftig frank op de grond. Ik raap het munstuk op, steek het in mijn broekzak. Met vijftig frank kan ik al bijna een half pakje sigaretten kopen.
Aan de binnenkant van de deur hangt nog altijd de tekening die ik in het derde middelbaar voor Mevrouw Spiessens maakte. Met een wasco drukte ik enkele dikke stippen op het papier. Daarna tekende ik met een potlood een aantal gebogen lijnen op willekeurige plaatsen.
‘Dit is ons huis,’ zei ik. ‘Een cirkel met middelpunten, maar zonder omtrek.’ Mevrouw Spiessens had meteen een rode vier geschreven op haar blad. Ons huis was gebuisd. Die middag verstopte ik mij tijdens de speeltijd in de turnzaal. Onder de bok kwam ik te weten dat de afstand van mijn huid tot mijn ader minder lang is dan de lengte van mijn passerpunt.

‘Vier op een rij!’ roept mama. Ze duwt haar laatste steen in het rooster.
‘Nog eens,’ vraagt ze. ‘Of kan je niet tegen je verlies?’
Uit de keuken komt het geluid van een mes dat wordt geslepen. Papa snijdt zo goed als alles met een mes. Het valt mij op dat zijn onderkin elke maand groter wordt. Het doet me denken aan een pelikanenzak. Misschien slaat hij daar alles op wat hij niet verteerd krijgt.
De geur van anijs en boter. Papa is ongetwijfeld Eliots lievelingssaus aan het maken.
‘Nee, ik kan niet tegen verliezen,’ geef ik toe. Ik schenk haar geleegde tas bij met koffie, breek de blok chocolade in stukken. ‘En zeker niet als het mijn fout is.’ Mama legt haar beide handen op mijn rechterhand. Soms zou ik de armen van papa en mama door hun lichaam willen trekken, zoals ik vaak doe bij het aapje dat aan de pennenzak van Eliot hangt.
De geur van eten heeft Laïca gewekt. Haar mand kraakt, moeizaam trekt ze zichzelf overreind. Toen papa zag dat Laïca het gat in de omheining had gemaakt, heeft hij op een dag met zijn spade snoeihard op haar rug geslagen. Als je over haar rug aait, voel je inkeping in de ruggengraat. Laïca was meteen in elkaar gezakt, gaf over op het tapijt. Ze is nooit meer helemaal rechtgestaan.

‘Godverdomme,’ roept papa. Ik kijk in de pan, de saus is geschift. Hoe harder hij klopt met de garde, hoe groter de klonters worden. Hij opent de vuilnisbak. Ik kijk naar de etenstresten van gisteren. Rijst waarop eierschalen en een bot liggen. De rijst doet me denken aan een madenfamilie.
Ik neem mijn sleutel van mijn haakje. Buiten trek ik alle bloemen van onze rozenstruik. Elektriciteitskabels hangen als spinnendraden boven de daken van de huizen. Ik ga in het midden van de straat staan. Het torentje van de dorpskerk steekt in de verte boven de daken uit. De witte verflijnen die de twee rijstroken van elkaar scheiden, zouden evengoed een grote hechting kunnen zijn die de twee helften samenhoudt, en waartussen anders een open wonde gaapt. Ik voel de grond onder mijn voeten trillen, krijg kippenvel. Al zolang ik het me kan herinneren, is er nog maar één trein gestopt in dit dorp. Dat was toen Fiene op zoek ging naar Laïca, en ik had verzonnen dat die zich achter het tuinhok had verstopt.
Ik loop terug naar binnen, begin de keuken op te ruimen. Op de bodem van mama’s tas ligt een laagje suiker. Als ik de tas uitspoel, worden de cirkelvormige krassen onder de suiker zichtbaar. Misschien is in dit huis nog niemand terug rechtgestaan.

Als mama appeltaart maakt, snijdt ze de appels in twee voor ze hen schilt. De stukken klokhuis verzamelt Eliot in een doos die hij achter de siliconenspuiten van papa in het tuinhok verstopt. Vroeger gaven Fiene en hij de etensresten aan de konijnen die we hielden in ons kamp. Dat vervallen kamp houdt nu nog maar met enkele touwen en nagels bepaalde herinneringen aan Fiene bij elkaar. Ik kijk door het keukenraam. De balonnen hangen slap en verrimpeld aan de stoelruggen. De lucht die mama in het plastiek blies, is al grotendeels weer verdwenen.
Papa draait de garagepoort open, gaat met wijdgesprijde benen op de oprit staan. Hij wacht op alle mensen die weldra zullen aankomen met cadeautjes in hun handen. Met Flubbers, kerstflippo’s, K’ Nexdozen of een boek van Roald Dahl. Eliot heeft een stuk noppenfolie in zijn handen, pitst met zijn nagels een voor een de noppen kapot. Op tafeltjes in de garage heeft mama glazen cava gezet voor de ouders van zijn klasgenoten. Ik kijk naar de bubbels, hoe ze naar het oppervlak rijzen en verdwijnen, probeer de exacte plaats en moment van hun ontstaan te achterhalen. Wanneer gaan verjaardagen niet langer om de cadeautjes, maar om verpakkingen? Ik denk aan de persoon die nooit meer zal aankomen, aan mijn zusje, aan Fientje. Op een dag had ik per ongeluk de lievelingsvaas van mama omgestoten, en zij had de schuld op zich genomen. Hoe zij mij, toen mama thuiskwam, in mijn kamer uitzwaaide, alsof zij een bordenwisser vasthad. Volgens mij wilde zij niet dat ik bij haar in het krijt zou staan. Mama was woedend geworden op Fientje.
Ik tast met mijn hand in mijn broekzak, voel dat de sleutel niet meer in het aluminium ringetje zit.
‘Je zal niet lang meer alleen zijn,’ zegt papa tegen Eliot. Hij steekt zijn wijsvinger uit naar mijn gezicht. Ik draai mij om, schenk nog een glas cava in. Ik heb schrik dat mijn wangen later twee zakken huid zullen worden.


Aloys Vonckx (1990) studeerde twee jaar geleden af als fotograaf aan het Sint Lukas te Brussel. Hij schrijft poëzie, proza en teksten over hedendaagse beeldende kunst. Hij won alleen nog maar prijzen die hij niet mocht winnen. Hij publiceerde al in Het Liegend Konijn, Kluger Hans, Het Literaire Kadaver en de Poëziekrant.

Een gedachte over “Vliegen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s