Bananencake

Door: Stefan Stallaert ♦ Beeld: Minke Schönthaler

De etensresten kiepert hij in de tuincontainer. Het is een zwarte compostbak die hij al jaren geleden tegen de beukenhaag van de buren plaatste. Zodra hij het keukenafval heeft weggegooid gluurt hij dwars door de felgroene bladeren naar het perceel van het jonge gezin. Niemand thuis vandaag. Misschien zijn ze wel op reis, denkt hij, want hij heeft ze al een tijdje niet gezien. Maar als ze er zijn, dan loert hij. Soms naar feestjes die ze houden, soms naar ruzies die ze maken. Op mooie zomerdagen heeft hij zijn buurvrouw zien rondlopen met alleen een fijn, zwart zwembroekje aan. Dan kijkt hij wat langer. Zoiets bestond niet in zijn tijd, vrouwen die zo goed als poedelnaakt rondliepen. Maar vandaag is er helaas helemaal niets te zien.

Hij wendt zich af van de haag, stapt met de afgeschraapte schotel en de vuile, zilveren vork naar de keuken en fluit zachtjes een deuntje van Sinatra.

Wanneer hij bij het afdak komt, denkt hij aan zijn zus. Dat het echt tijd wordt haar nog eens te bezoeken. Zo ver woont ze nu ook weer niet. Amper veertig minuten fietsen. Maar toch komt hij er bijna nooit. Raar, want hij mist haar wel. Ze hebben altijd een goede band gehad, hij en zijn vijf jaar oudere zus. Het probleem is haar ziekte. Alzheimer. Een verschrikkelijke plaag is het, die alle deuren van de ziel een voor een dicht klapt. Niets erger dan seniele aftakeling. Zo zegt ze nog zelden zinnige dingen en vergeet ze alles. Maar wanneer hij op bezoek komt, herkent ze hem. Altijd. Dan kijkt ze hem aan met haar blauwe, afwezige ogen en noemt ze hem ‘mijn kleine broertje’.

’s Avonds, wanneer hij onder het afdak zit te lezen op een oude stoel, denkt hij aan iets. Hij slaat het boek dicht en staart voor zich uit naar de ondergaande zon. ‘Weet je wat je doen moet,’ mompelt hij. ‘Bak vanavond eens een cake voor haar en ga er morgen mee naar het bejaardentehuis.’ Hij knikt vol overtuiging, trekt zich recht en loopt de keuken in.  Op het kastje naast de wandklok draait hij de oude transistorradio aan en haalt vier bananen uit de fruitschaal. In de ijskast vindt hij twee eieren en een pakje boter. Het deuntje van Nat King Cole op de radio zingt hij luidkeels mee, terwijl hij de andere ingrediënten bij elkaar zoekt. Het gaat goed, tot het erg lang duurt voor hij zijn weegschaal terugvindt. Wanneer ze toch opduikt, helemaal achteraan in een kast in de garage, sloft hij goed geluimd naar de keuken.

Op een schaaltje weegt hij de zelfrijzende bloem, het bakpoeder en de donkere rietsuiker. In een mengkom draait hij alles bij elkaar tot er een lekker, smeuïg deeg ontstaat. Vanuit de woonkamer haalt hij een fles bruine rum en hij giet er een flinke scheut van bij het mengsel. De drank doet het deeg soepel rond de lepel dansen. Voor zichzelf schenkt hij ook een glaasje in. Hij nipt er stevig van. Daarna zet hij de oven aan. ‘Honderdvijftig graden, alstublieft,’ beveelt hij, blij als een kind.

Terwijl de oven zijn best doet om zo snel mogelijk op temperatuur te komen, zoekt hij naar een geschikte bakvorm. Die vindt hij op een rek in het washok. Geen idee hoe die daar ooit terechtkwam. Jongens toch, denkt hij. Maar het heeft geen belang. In de vorm legt hij zorgvuldig een bruin vel bakpapier en daar giet hij het deeg op. Dan pingt de oven, de juiste temperatuur is nu bereikt. Hij schuift de cake het toestel in. Iets later verspreidt de zalige, warme geur van het gebak zich in de kleine keuken. Hij wast af en ruimt zijn werktafel op. Zo hoort dat. En na de afwas, zingt hij de lalala uit het bokserlied van Simon & Garfunkel mee.

Iets later haalt hij de cake uit de oven. Zijn werk zit erop. De cake moet nu alleen nog rustig koelen. Hij opent een van de lades van de kast en bergt de cake daar op. Hij is een tevreden man, al heeft de avondlijke arbeid hem zwaar vermoeid. Na een laatste glaasje rum, gaat hij naar boven en kruipt in bed. Morgen wordt een drukke dag, weet hij, met het bezoek aan zijn lieve zus als hoogtepunt.

’s Anderendaags wordt hij al vroeg wakker en een heerlijke zomerzon werpt zich door het raam de slaapkamer in. Hij staat op, kleedt zich aan en gaat naar beneden. Dan volgt zijn dagelijkse routine: eerst de post uit de brievenbus halen en koffiedrinken. Net wanneer hij zijn boterham wil smeren, rinkelt de telefoon.

Frans aan de lijn. Hij zegt dat het vandaag ideaal weer is voor een fietstocht langs het kanaal. Zijn oude fietsvriend klinkt overtuigend. Hij knikt, Frans heeft groot gelijk. Met enkele maten fietsen vandaag, ja, dat zegt hem wel iets. Hij zegt toe, hangt op, gaat naar de keuken, eet een boterham, ruimt de keuken op en loopt dan de trap op. Onderin de kast vindt hij zijn fietskleding terug. Hij trekt die vlug aan en haast zich dan fluitend naar beneden om de banden van zijn fiets op te pompen.

Na de fietstocht genieten ze op het gekende terras rond de visvijver van enkele biertjes. Ze lachen over vroeger en nu, vooral over vroeger. Over wat ze allemaal meemaakten. Hoe leuk het was en hoe alles veel te snel voorbijging. Wanneer hij later naar huis fietst, denkt hij ook aan de tijd die ze toen verspilden en de eenzaamheid van het leven.

Een week later belooft hij voor een van zijn fietsvrienden een échte kriekentaart te bakken. Trakteren met taarten of cakes doet hij graag, het is zijn lang leven. Bakken is iets speciaals, zegt hij dan, een kunst die een echte patissier nooit verleert.

Wanneer hij er ’s avonds aan wil beginnen en een van de lades in de keuken opentrekt, schrikt hij. Daar, op een schotel, ligt een cake, volledig uitgedroogd en gebarsten. Hij vloekt. ‘Hoe komt dit hier terecht?’ Onmiddellijk loopt hij ermee naar buiten.

Terwijl hij vliegen rond zijn hoofd hoort zoemen, haast hij zich in alle staten naar de container. Daar tilt hij het deksel op en gooit alles weg. Hij puft even na.

Was dat schrikken, verzucht hij nog, voor hij het hoofd tussen de takken van de haag stopt om heel even naar buren te gluren. Niemand thuis. Jammer. Iets later wandelt hij naar de keuken, de schotel en de vuile vork in de hand. ‘Weet je wat je echt eens zou moeten doen,’ mompelt hij, ‘…tijd maken om je zus te bezoeken.’

En hij fluit een deuntje. Iets van Sinatra.


Stefan Stallaert woont en werkt al meerdere decennia in en rond Brussel. Daar vindt hij ook zijn inspiratie. Na aanmoedigingen thuis en boeiende lessen bij de Schrijversacademie in Antwerpen, heeft zijn schrijven recent een ferme boost gekregen. Zijn kortverhalen verschijnen in Vlaanderen en Nederland. Hij werkt ondertussen ook aan zijn debuutroman: De Dagen van Bonduel.

 

3 gedachtes over “Bananencake

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s