Hoop is een dier dat je in een wolk herkent

Door: Sander Meij

Koenraad Goudeseune (1965) is een Vlaamse dichter voor wie het schrijven bijna een soort aandoening lijkt te zijn. Tenminste, wie hem volgt op Facebook, ziet soms wel drie keer per dag een nieuw gedicht op zijn tijdlijn verschijnen. Meestal betreft het een enigszins misantropisch aandoende cocktail met als ingrediënten alcohol, verloren en/of moeizame liefdes, eenzaamheid en seks.

Wat opvalt is dat er altijd wel iemand gechoqueerd of empathisch reageert: er worden bloedserieuze, opbeurend bedoelde reacties onder die Facebook-gedichten geplaatst. Dat Goudeseune vrijwel steevast vanuit de eerste persoon schrijft, in combinatie met het medium dat hij gebruikt, zorgt ervoor dat mensen aannemen dat er inhoudelijk een 1-op-1-relatie bestaat tussen zijn persoonlijke leven en zijn poëzie. Je kunt je echter niet aan de indruk onttrekken dat Goudeseune bij het lezen van die reacties soms grijnzend achter zijn computer moet zitten. Aan de andere kant is het niet uit te sluiten dat die 1-op-1-relatie wel degelijk bestaat, of dat er op zijn minst sprake is van een mengvorm van autobiografie en fictie.

Iets soortgelijks lijkt op te gaan voor Vet hart, Goudeseunes meest recente dichtbundel. Op het omslag is een detail te zien van een anatomische tekening van wat vermoedelijk een deel van een hart moet voorstellen met vetweefsel eromheen. In het titelgedicht – één van de meer dan tachtig (!) gedichten in deze bundel –  zegt een cardioloog: ‘Koenraad, je hebt een vet hart.’ Aangezien de auteur van deze bundel ook Koenraad heet, lijkt er net als op Facebook sprake van een hybride vorm van autobiografie en fictie. Vervolgens vindt de ‘ik’ dat de cardioloog het slechte nieuws te onomwonden heeft medegedeeld:

Ik vind mijn cardioloog eigenlijk een bruut

Hij had net zo goed kunnen zeggen:

“Koenraad, je zult gauw sterven.”

 

Dat weet ik ook wel,

maar als hij het zou zeggen,

op zijn brute manier,

nou, dan zou ik geloof ik anders

naar de Mattheüspassie van J.S. Bach luisteren.

Wat hier opvalt, is dat de ‘ik’ niet valt over de inhoud van de mededeling, maar over de manier waarop hem slecht nieuws wordt verteld, ‘zijn brute manier’. Zodra een dichter in een gedicht iets zegt over de manier waarop iets wordt gezegd, moet je als lezer bij de les zijn; hiermee kan hij of zij ons iets vertellen over zijn of haar eigen poëticale opvattingen. De manier waarop Goudeseune zich tot de lezer richt zou je bijna parlando op een landerige manier kunnen noemen: zijn taalgebruik is alledaags, prozaïsch, benadert spreektaal. Sterker nog, door in dit gedicht en elders regelmatig woordjes als ‘nou’, ‘dus’ ‘eigenlijk’ en ‘trouwens’ te gebruiken, lijkt het alsof het allemaal in één ruk is opgeschreven en echt zo heeft plaatsgevonden. Maar schijn bedriegt: via de opmerking dat het ‘vandaag internationale vrouwendag’ is, komt Goudeseune in het gedicht ‘Vet hart’ uit bij de ontboezeming dat hij ‘een paar keer met een volslanke vrouw heeft gevreeën’. Hoe dat in zijn werk ging, beschrijft hij vervolgens vrij gedetailleerd. Oppervlakkig gezien houdt hij hier de schijn van authenticiteit nog op, maar als je er langer over nadenkt, roept de passage over ‘een volslanke vrouw’ ook een associatie op met het woord ‘vet’, waarmee ook de titel Vet hart ineens een nieuwe betekenis krijgt en hij niet meer alleen iets zegt over de gesteldheid van de ik, maar ook over diens de seksuele voorkeuren. Maar bovenal zegt dit ook iets over de associatieve manier van werken van de dichter Koenraad Goudeseune.

Het gedicht eindigt met de regels: ‘Dat zei ik dus allemaal tegen de cardioloog / toen hij dat zei van mijn vet hart.’ Maar het is natuurlijk vrij onwaarschijnlijk dat de dichter Koenraad Goudeseune een heel verhaal over Bach en vrijen met een volslanke vrouw aan zijn cardioloog opdist, nadat die hem slecht nieuws over de toestand van zijn hart heeft verteld. Goudeseune haalt zo de vermeende authenticiteit van zijn verhaal weer onderuit. Dit procedé past hij ook op andere manieren toe in deze bundel. Door bijvoorbeeld regelmatig heel exact een datum-  en tijdsaanduiding te vermelden geeft hij de gedichten in deze bundel een zweem van authenticiteit mee, alsof het exacte weergaven van echte gebeurtenissen betreft. Het geeft de gedichten bovendien iets anekdotisch. Maar steevast vindt vervolgens een soort absurde ontsporing plaats. Zo ook bij het gedicht ‘Een opstapje om een goed dichter te woorden is er niet’:

Woensdag, kwart voor twee in de middag.

Ik heb de vloer aangeveegd, enkele betalingen online gedaan.

(…)

Uit mijn boekenkast kwam een vinger me in de rug porren.

‘En jij?’ zei die vinger.

(…)

En ik? zei ik tenslotte.

Ik herinnerde me een droom

waarin ik Kristien Hemmerechts ontmoette.

‘Dag Kristien,’ zei ik in die droom.

 

‘Kristien, Kristien,’ zei ze. ‘ik ben Martha Nussbaum.’

Nee, een opstapje om een goed dichter te worden, is er niet.

In een droom is niets wat het lijkt. De ordening van beelden in dit gedicht doet mede daardoor willekeurig aan, wat zorgt voor een droogkomisch effect. Ook het noemen van letterlijke namen in een gedicht is op het eerste gezicht aardig gevonden: je verwacht het niet. Keerzijde is wel dat Goudeseune deze manier van schrijven dusdanig frequent toepast, dat je op den duur een gevoel van overmaat of effectbejag bekruipt. Het dreigt soms wat al te lollig te worden. Dit neemt niet weg dat er enkele grootse gedichten in Vet hart zijn te vinden zoals Dode zwarte man:

We gaan slechts een dun laagje aarde

op zijn dode lichaam leggen.

Zoals ook zijn huid

slechts een dun laagje was

 

We gaan niet bidden bij zijn graf

We gaan niet doen alsof er hoop is

Hoop is een dier dat je in een wolk herkent.

In die laatste neemt plots een alwetende vertelinstantie het woord, het is een onverwacht beeld dat niettemin past bij het thema van de dood in dit gedicht.

Naast poëzie met ironische terzijdes en absurdistische wendingen, bevat Vet hart dus ook navoelbare poëzie over persoonlijk verlies, onmacht en vergankelijkheid. Werkelijk sterk is het gedicht ‘Dood kind’, waarbij de parlandoachtige stijl zorgt voor extra geladenheid. De laatste regel luidt: ‘kindje toch.’ Een troostend bedoeld, miniem zinnetje dat – de titel van dit gedicht indachtig – te laat komt en in al zijn eenvoud en oprechtheid zorgt voor kippenvel. Zo weet Goudeseune met hetzelfde stijlmiddel telkens heel verschillende cover-vet-harteffecten te bereiken. Dit doet uitzien naar een bundel waarin hij zich meer toelegt op dit soort invoelbare, verstilde poëzie, waarin dergelijke geserreerde regels wellicht nog iets meer tot hun recht komen.
Koenraad Goudeseune – Vet hart
Uitgeverij Bokeh
ISBN 9789491515590, € 16,50


Sander Meij (1980) is neerlandicus en werkt als redacteur. Als dichter was hij onder meer te zien op Crossing Border, bij DWDD en won hij enkele prijzen. Hij publiceerde in tijdschriften als Hollands Maandblad, Op Ruwe planken en Het Liegend Konijn. In 2015 verscheen zijn poëziedebuut Nieuw eiland bij Nieuw Amsterdam. Lees hier meer artikelen van zijn hand.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s