‘Poëzie is een multitoepasbare mogelijkhedenmachine’

Door: Dorien Dijkhuis ♦ Beeld: Juul Baars

Afgelopen woensdag verscheen zijn nieuwe bundel Ik was een hond. Volgens Thomas Möhlmann is het zijn meest directe bundel tot nu toe. Dorien Dijkhuis sprak met hem over alternatieve universa, ademhalen, doodsangst en oneven getallen. ‘We zijn er, De tijd waarin dat zo is, is begrensd. Het moet nu, niet straks pas.’

Lange tijd kwam het woord ‘ik’ vrijwel niet voor in zijn poëzie. In De vloeibare jongen, zijn debuut uit 2005, komt het woord alleen voor wanneer een personage het in de mond neemt. ‘Ik wilde in die tijd per se geen ik-lyriek schrijven,’ zegt Thomas Möhlmann (1975). ‘Ik vond dat dat tot ijdelheid leidde. Een goed gedicht moest een indruk geven van zichzelf en van het universum en niet van de maker. De vloeibare jongen was daarom bewust onpersoonlijk.’

Hoe anders is dat met Ik was een hond, zijn vierde bundel die op 22 maart verscheen bij Uitgeverij Prometheus. Neem alleen al de titel. Ik was een hond is niet alleen directer, maar ook persoonlijker.

Alternatieve universa
Niet dat hij ineens een propagandist is geworden voor geëngageerde poëzie, maar in zijn schrijven is de betrokkenheid bij de wereld is de afgelopen jaren wel directer en groter geworden. ‘Vroeger vond ik het belangrijk alternatieve universa te scheppen met mijn gedichten. Daar kwamen ook angstaanjagende dingen in voor, maar daar kon ik op papier een draai aan geven. Het bood me als schrijver een bepaald soort veiligheid. Inmiddels vind ik dat ik het als mens en ook als dichter niet meer kan maken binnen die veiligheid te blijven schrijven. Ik wil me verhouden tot de wereld, tot de dingen die de wereld en het leven beangstigend en indrukwekkend maken. Dat is het denk ik: ik ga in deze bundel een relatie aan met bestaande verhalen, in plaats van met de fantasie zoals in mijn vorige werk. Dat maakt het een ‘kwadere’ bundel. Of in ieder geval een minder vrolijke bundel dan de vorige drie.’

Buiten de inhoud en toon is ook de vorm rauwer. Sommige gedichten zijn met zoveel vaart geschreven dat je er als lezer haast buiten adem van raakt. ‘Ook dat heeft iets met die directheid te maken’, zegt Möhlmann. ‘Ik houd ontzettend van muzikaliteit en ritme in gedichten. Die zijn in mijn eigen poëzie ook erg belangrijk. Maar voor deze bundel heb ik omwille van de vaart en de directheid minder dan anders aan de gedichten zitten pielen, schuiven en herschrijven. Ik wilde wat ruwe randjes overlaten.’ Die rauwigheid heeft hij deels te danken aan zijn goede vriend Robert Anker, die afgelopen januari na een kort ziekbed overleed. De bundel is aan hem opgedragen. ‘Als vriendschapsbetoon. Maar ook omdat ik veel aan hem te danken heb. We schrijven heel andere poëzie, maar zijn directe houding als dichter en de veelvormigheid die hij opzocht, hebben mij erg beïnvloed. Er liggen veel dichters ten grondslag aan deze bundel. Achterin noem ik er een paar. Maar de mentaliteit heb ik absoluut aan Rob te danken.’

Componeren
Hoewel de gedichten rauwer en minder gestileerd zijn, is de bundel als geheel wél net zo zorgvuldig gecomponeerd als de vorige drie. Dat is een van de leukste fases van het maken van een nieuwe bundel, vindt hij: wat hoort waar, welk gedicht gaat met welk gedicht een relatie aan, welke rode lijnen zijn er en hoe verbind je die op een terloopse manier. Möhlmann: ‘Ik weet nog dat ik ooit, toen ik jong was en een jointje had gerookt, eens naar Hounds of Love van Kate Bush lag te luisteren. Wow!, dacht ik ineens: dat album is één verhaal. Elke afzonderlijke track was de moeite van het beluisteren waard, maar als geheel kreeg het album zoveel meer betekenis. Zo is het ook met een poëziebundel. Ik vind het leuk om daarover na te denken en ermee te spelen: klinkt een echo sterker als je hem vóór het echte geluid hoort? Of komt hij harder binnen wanneer je hem pas erna hoort? Natuurlijk moeten gedichten ook op zichzelf kunnen staan, maar door ze in een bepaalde volgorde te zetten zodat de lezer een bundel in zijn geheel tot zich kan nemen, worden de afzonderlijke gedichten rijker en betekenisvoller.’

Thomas Möhlmann studeerde Nederlands, maar koos aanvankelijk voor planologie. ‘Ik wilde de wereld beter maken en ik dacht dat dat kon door verbetering van de openbare ruimte. Nou, dat idee werd er in de eerste maanden al uitgeslagen. Bewust, denk ik, om naïeve idealisten zoals ik op andere gedachten te brengen. Tijdens een van de colleges gingen we bij een planologenbureau op bezoek. Ik schrok me rot. Was dit mijn voorland? Een grijze kantooromgeving waar je geen plannen mag bedenken, maar tot in lengte van dagen consequenties zit door te rekenen? Ik ben hard weggerend en dacht: laat ik nu dan maar Nederlands gaan studeren, dan kan ik gelegitimeerd de hele dag doen wat ik het liefst doe, lezen en schrijven.’

In die tijd schreef hij al poëzie. Daarmee was hij begonnen op de middelbare school, waar veel ruimte was voor kunst en creatieve ontwikkeling. Hij schreef toneelstukken en dialogen die op school werden opgevoerd. En hij was zanger bij onder andere een bandje dat Territorial Pissings heette. Later ook bij De Rutgerstichting en JOT, genoemd naar bandleden Joost, Oliver en Thomas. Eerst speelden ze voornamelijk covers, daarna ook eigen nummers met Engelse en later Nederlandse teksten. Zo werd zijn liefde voor taal en poëzie aangewakkerd. Ook zijn docent Nederlands speelde een rol: ‘Die had de zeldzame kracht om poëzie zo aan te bieden dat een stuk of drie leerlingen wild enthousiast raakten en de rest van de klas niet afhaakte. Ik ben hem nog steeds dankbaar voor die eerste kennismaking met wat een gedicht kan doen: een alternatief universum scheppen.’

Geluidscocon
Ik was een hond is een ‘Radiohead-Conor Oberst-Bob Dylan-bundel’: Möhlmann heeft tijdens het schrijven altijd muziek op staan. Liefst met tekst. Niet te opvallend, maar ook niet te afwezig. Hij luistert graag naar singer-songwriters als Conor Oberst, Ryan Adams en David Gray. ‘Het gebeurt niet zelden dat flarden van zinnen of beelden uit hun nummers terugkeren of echoën in mijn werk. Soms vang ik ineens een regel uit een nummer op die precies belandt op de plek waar ik hem nodig had.’

Veel schrijvers hebben dwangmatige routines. Renate Dorrestein droeg eens veertien maanden lang dezelfde trui om de werkflow niet te doorbreken. Uiteraard zonder hem tussendoor te wassen. Behalve muziek heeft Thomas Möhlmann geen andere rituelen, hoewel hij zich vroeger tijdens zijn studie niet schoor tot aan de tentamens. Alsof de kennis ook in zijn baard bleef hangen. En hij heeft een hekel aan oneven getallen. Altijd al gehad. Niet voor niets tellen zijn bundels altijd een even aantal gedichten. ‘Misschien is het mijn sociaaldemocratische opvoeding: alles moet altijd eerlijk kunnen worden gedeeld. Haha, het voordeel was dat ik daardoor altijd twee snoepjes kreeg in plaats van één.’

Misschien komt het ook doordat hij enig kind was. Hoewel hij daar zelf absoluut geen nare herinneringen aan heeft. ‘Ik vond het heerlijk om alleen te zijn. Ik schaakte bijvoorbeeld graag met mezelf. Daar was niks zieligs aan. Als zwart er slecht voor stond, ging ik ietsje beter mijn best doen voor zwart. En dan moest ik daarna natuurlijk weer mijn best doen voor wit. Ik heb er twee dingen van geleerd: mezelf te vermaken, mijn ouders werkten allebei, dus ik was vaak alleen. En: contact maken met mensen buiten ons gezin om het gezellig te hebben met anderen. Dat vind ik waardevolle lessen. Ik heb daar nog steeds veel plezier van.’

Mogelijkhedenmachine
Afgelopen jaar verhuisde Möhlmann van Amsterdam-Noord naar Castricum. De schuur bij het huis heeft hij omgetoverd tot werkplek. Vanaf april zal hij daar veel zijn, dan stopt hij namelijk met zijn werk bij het Nederlands Letterenfonds om zich op een nieuw project te storten: een roman. ‘Ik vind het rot om afscheid te nemen. Ik heb dertien jaar lang met veel plezier bij het fonds gewerkt. Maar ik wil nu eindelijk werk maken van mijn roman.’

Proza haalt weer de onzekerheden van een debutant in hem naar boven. ‘Ik voel me daarin veel minder doorkneed dan in poëzie.’ Waar het over gaat, gaat hij niet verklappen. Wel dat hij zichzelf tot 2020 de tijd geeft om het te schrijven én dat het een dynamisch verhaal wordt waarin veel gebeurt. Daar houdt hij van bij auteurs als Haruki Murakami, Tommy Wieringa, John Irving, Peter Verhelst en Arto Paasilinna. Wat dat betreft is proza voor hem ook iets heel anders dan poëzie. ‘Wat ik van poëzie verlang is dat het een multitoepasbare mogelijkhedenmachine is: multi-interpretabel. Dat wil ik niet van mijn proza. Hoewel ook daar nog wel wat te onderhandelen valt met de werkelijkheid. Het wordt geen surrealistisch verhaal, het speelt zich af in een wereld die er zou kúnnen zijn, maar die we nooit zien. In het gedicht voor Rob zeg ik het als een semi-cliché: ‘proza / schrijf je omdat je niet leven kunt, poëzie omdat je niet / kunt sterven’. Zo zie ik het: proza is een vorm om je te ontrekken aan het leven en poëzie is een vorm om je te onttrekken aan de dood.’

We ademen

 

Wat ons redt en verslindt is dat we geloven

we houden zielsveel van de overzichtelijkheid

 

van onze angsten en verlangens, ik hang mijn

armen overtuigend verdwaald om je schouders

 

we houden elkaar stevig vast, ik beloof je

in en uit te blijven ademen, en je zolang

 

ik adem niet te vergeten, je niet verdwaald

te laten raken, kijk om je heen en kijk goed

 

naar mij, het is wat we geloven, het is wat ik

als je sliep of naast me liep steeds wilde zeggen

 

ik heb honger en heimwee, we liggen vanavond

goddank weer zij aan zij, eten en bewaren elkaar

‘Adem’ is een woord dat veel terugkeert in Ik was een hond. Het gaat haast altijd gepaard met een bepaalde mate van urgentie en bezwering: ademen als manier om de dood te slim af te zijn. Doodsangst? ‘Zeker,’ zegt Möhlmann. ‘Dat is altijd een grondthema geweest in mijn werk. Ook in deze bundel. Misschien komt het doordat ik ouder word. Maar het heeft ook te maken met het feit dat ik sinds acht jaar vader ben. Aan de ene kant kan ik minder met bullshit dan vroeger, ik heb er minder tijd voor. Dat maakt me onafhankelijker. Aan de andere kant kunnen sommige dingen me nu meer schelen. Doodsangst doordrong me er altijd al van dat we maar één leven hebben en dat het daarin moet gebeuren. Sinds ik vader ben, is die urgentie alleen maar versterkt; het geldt  niet alleen meer voor mij, maar ook voor mijn Thomas Möhlmann (c) Sacha de Boerkinderen. Ik realiseer me meer dan ooit dat we er zijn, dat de tijd waarin we er zijn begrensd is, dat we elkaar daarin hebben en dat het nu moet en niet straks pas.’

Thomas Möhlmann – Ik was een hond
Uitgeverij Prometheus
ISBN: 9789044633139, € 17,99


Dorien Dijkhuis (1978) is schrijver en journalist. Ze schrijft poëzie, proza en reisverhalen. Voor de rubriek ‘Literaire Bestemmingen’ doet ze wat ze het liefst doet: schrijvend reizen en reizend schrijven. Zie ook www.doriendijkhuis.nl.

Een gedachte over “‘Poëzie is een multitoepasbare mogelijkhedenmachine’

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s