We zijn goden met kringspieren

Door: Giuseppe Minervini ♦ Illustratie: Minke Schönthaler

Brakke en ik zien elkaar ‘s ochtends om Jong Schuim nogmaals te beklinken met bier, later misschien met whisky. Allebei werken we ’s nachts: ik verzin en hij plakt kartonnen dozen dicht. Afgelopen nacht ploeterde ik op de eerste tekst die in Jong Schuim kan verschijnen. Toen ik naar de klok keek en wist dat Brakke pauze had, stuurde ik hem een sms: ‘slaapmutsje?’ Nu haast ik me om het kruispunt veilig te verlaten. Ik ontwijk ook een platgereden duif.

We zijn vrienden omdat we een gemeenschappelijke interesse hebben: fictie. Allebei zoeken we naar wat niet bestaat. Ik ben echter de enige die schrijft. Hij is diegene die naar me opkijkt. Daar kijk ik dan weer op neer. Dan voel ik me goed als ik hem kan helpen. Daar draait deze vriendschap in essentie om. En om grote dromen.
Ik betaal een parkeerticket. Ik heb vier euro. Koop twee uur. Voel naar de sleutels in mijn broekzakken en begeef me naar het verwarmd terras waar we kunnen roken. Waar we bij wijze van spreken al sinds de uitvinding van het schrift papier met ideeën trachten te bekladden.
Mijn blauwe pak heeft glimmend zwarte revers. Ik schrijf altijd in pak, het is mijn uniform. De vier oudjes die op het terras van hun koffie nippen, kijken naar me. Ik draag het pak al enkele dagen en het zit onder de bruine en witte vlekken – sigaretten, koffie, tja. Dat ik niet weet wat ze denken, prikkelt me. Hier leef ik voor.
Onder de rand van de luifel vind ik twee vrije tafels. Ik schuif één ervan dichter bij de elektrische verwarming en bestel bier en lucifers bij de ober die met een dienblad vol lege glazen over de treden balanceert. Mijn Tigra’s haal ik uit de voering van mijn colbert en ik gooi ze op het tafeltje. Wanneer Brakke aan komt fietsen, bestel ik koffie voor hem, omdat ik weet dat hij altijd moe is na het werk. Maar hij straalt een luiheid uit die van een zekere kracht lijkt te getuigen. Het lijkt wel alsof zijn luiheid hem beveelt om volhardend met twee voeten in zijn noodlot te staan. En ik weet zeker dat er geen geluk vloeit uit wat rond hem gebeurt. Zou hij het tegendeel beweren, dan is dat maar om mijn kleine succes te ondermijnen en me op te jagen. In werkelijkheid zie ik hem spartelen en voel ik medelijden opborrelen. In werkelijkheid slaat hij zijn ogen op, recht hij zijn ruggengraat en komt zijn verbeelding in beroering wanneer ik onze grandioze plannen injecteer met het beetje leven dat ik het weet te verlenen. Ik zie dat hij snakt naar een droom die onbereikbaar boven zijn slapend hoofd zweeft, maar op zijn minst realistisch lijkt en hem even zou kunnen laten proeven van het leven buiten de middelmaat.
De ober serveert paprikachips en kersen bij de drankjes. Ik vraag hem of we straks kunnen betalen en blaas  per ongeluk de rook uit in zijn gezicht. Hij zwaait het weg en hoest.
‘Mijn excuses. Dus kunnen we straks afrekenen?’
Aan de tafel voor mij gaat een oud koppel zitten. De man bestelt trappist. Zijn vrouw koffie. Brakke staart voor zich uit. Ik ben diegene die observeert. Ik ben een ervaren schrijver ook als er geen blad voor me ligt. Ik heb geleerd te kijken naar wat er niet is. Mensen vinden het eigenaardig wanneer ik hen aanstaar, maar ik vraag me af: had ik een fototoestel in mijn handen, zouden ze dan niet graag gefotografeerd worden?

De vrouw neemt onmiddellijk het koekje beet, scheurt de verpakking open en schuift het koekje in haar mond. Haar gebit lijkt even los te komen. De man eet een kers en spuwt de pit in zijn hand, laat die pit in de lege asbak vallen en gaat dan zitten, met zijn rug naar me toe. Zij draait zich om. Haar duim gaat waarschijnlijk in de mond die het koekje met chocolade tracht te malen. Wanneer ze weer naar me kijkt, zie ik dat haar tanden weer veilig zitten. Ik kijk weg en zij praten niet.
‘Wat hoor ik,’ zegt hij, ‘aan het krantje beginnen schrijven?’
‘Neen,’ antwoord ik, ‘enfin, ja, maar ik was niet tevreden over de tekst en gooide alles in de prullenmand.’
‘Schrijf je nog steeds op een schrijfmachine?’
‘Ja, zo forceer ik mezelf langere zinnen te maken.’
‘Ja, dat kan. Het is in de mode, hé.’
‘Lange zinnen maken?’
‘Nee, schrijfmachines.’
Hij legt zijn veiligheidsschoenen op de stoel naast mij en nipt van zijn koffie. De ober vindt het nooit erg als hij dat doet, maar als ik het doe kijkt hij me geïrriteerd aan. Ik ken zijn naam niet, Brakke noemt hem Oskar wanneer Oskar de koffie voor hem neerzet.
Nu blijf ik naar de verpakking staren, niet naar het koekje. Het rekt zich uit. Sigarettenrook prikt in mijn ogen. Ik drink de helft van mijn bier leeg. ‘Is je koffie al op? Ben je bekomen? Kunnen we?’
Het lijkt erop dat we even wachten voor we praten over het krantje; we praten over niets. We weten niet waar het wachten toe dient. Zijn koffie is leeg. Hij rolt een sigaret. Hij spuwt de tabak die aan zijn tong blijft plakken uit wanneer hij aan het bleke papiertje likt uit op het terras. Ik tik met mijn vingers op de metalen tafel. Het maakt een hol geluid en het irriteert hem, maar jaagt hem jammer genoeg niet op.
‘Ik vergat mijn zonnebril,’ zeg ik, ‘winterzon, haat het.’
‘Kom naast me zitten, dan.’ Hij steekt op. De krullen tabak vallen in vlammetjes op zijn broek. Hij wrijft ze rustig weg. Ik sta altijd versteld hoe rustig hij bij alles blijft, het is alsof God op hem is klaargekomen. Niets, maar dan ook niets, jaagt hem op.
‘Nee, dat is oké. Er scheren voortdurend wolken voorbij de zon. Ik zit liever voor je om te praten.’
Ik zet de koude asbak vol peuken op de laatste vrije stoel, zodat de wind de peuken er niet uit jaagt. De radio speelt lichtjes op de achtergrond. ‘Dezelfde zender die ik al heel de nacht hoor,’ jammert hij. ‘Bepaalde nummers al vijf keer gehoord. En die collega’s maar binnensmonds meezingen. Democratie werkt niet met radio’s.’
‘Radio is niet meer wat het geweest is. Radio Days van Woody Allen gezien? Goeie film. Nostalgische film.’
‘Ja, dat zei je al. Maar nog geen tijd gehad.’
‘Vergeten?’ lach ik. ‘Waarom neem je onze gesprekken niet op met je telefoon? Dan hoef je niets meer te onthouden. Ik heb je al zoveel boeken en films aangeraden, man.’
‘Nee, helemaal niets vergeten. Al je aanraders heb ik in het notitieboekje dat ik van je kreeg. Ik heb gewoon nog geen tijd gehad om aan de lijst te beginnen. Nu kijk ik series.’

‘Welke serie?’
‘Breaking Bad.’
‘Alweer?’
Hij knikt met koffie in zijn mond.

‘Je herbekijkt ze?’
‘Inderdaad. Interessant hoor.’
‘En het schrijven? Nog geschreven?’
En hij schudt zijn hoofd.
Ik drink mijn glas bier leeg. Steek dan nog een sigaret op. Het stoort me dat het oudere koppel naast ons zwijgt. Wie zwijgt, luistert en luistert af. Ze bestellen nogmaals hetzelfde.
‘Wat heb je te verliezen als je tijd verliest?’ vraag ik, en ik kijk over zijn schouder naar het koppel.
‘Hoe bedoel je?’
‘Wat heb je te verliezen als je niets doet? Niets.

‘Weet je, nu we er toch over bezig zijn, ik dacht om de eerste editie van het krantje een thema te geven. Misschien helpt dat wel om het schrijven te kanaliseren.’
‘Tuurlijk, dat was toch de bedoeling? Had je al een thema in gedachten, dan?’ vraag ik. Ik leg mijn benen over elkaar en staar hem aan. Eindelijk, denk ik, we beginnen eraan.
‘Ja, luister.’
‘Ik luister,’ knik ik. De oude vrouw kijkt weg.
‘“Leven voor de luiheid,” dat is redelijk jeugdig, toch? Het zal aanslaan.’
‘Ik weet het niet. Er schuilt een nogal arrogante paradox in. “Jullie zijn te lui om ons werk te lezen.”’ Ik beeld de dubbele haakjes met mijn wijs- en middelvingers uit.
‘Nee, dat is het niet. Ik bedoel…’
‘Dan moet dat toch duidelijk gesteld worden in de artikels,’ onderbreek ik hem.
‘Ik bedoel dat het over de luiheid van de kunstenaar gaat.’
‘Dat begrijp ik niet. Man, je weet toch hoe ik daarover denk? Luiheid is de deugd van de doeners, zoals denkers dom zijn. Luiheid gaat voor ons schrijvers niet op.’
‘Het verschil tussen ons: jij hebt geen wekker op je nachtkastje. Jij kan opstaan wanneer je wil. Je kan de hele dag doen wat je wil. Je moet alleen iets in een bepaalde vorm op papier krijgen.’
‘Ben je lui als je als kunstenaar leeft? Mensen denken dat werken gelijk is aan je spieren vermoeien. Weet je, het is niet zo makkelijk, hoor. Ik kan namelijk niet anders dan als kunstenaar leven. Het is een ziekte.’
‘Hé, rustig. Die titel is ironisch, hé. Hetgeen je nu uitkraamt is precies wat interessant is voor het artikel,’ zegt hij. Hij bestelt bier voor ons.
‘En denk je dat je je gelukkig voelt als je eindelijk die erkenning ontvangt? Misschien wel. Lang mag het alleszins niet duren, zij het nu in euro’s of in likes. Anders houd je op kunstenaar te zijn. Dan werk je aan de lopende band, zoals jij nu doet,’ hij grinnikt. ‘Ik zie me daar al zitten, alleen op mijn kamer, te rekenen op wat ik nu weer kan doen om het langeafstandsapplaus te horen. Hopend dat er iemand mijn werk leest. Trouwens, ondertussen begrijp ik dat een like op een gepubliceerd kortverhaal niet betekent dat iemand het leest. Een like is zogezegd een lezer. Neen, hoor. Een like is een excuus om niet te lezen. Wie is er dan lui?’
‘Wees eerlijk, hoe lang zit je al met het idee om een literair krantje op te richten?’
‘Al heel lang. Waarom schrijf jij niet wat ik je vraag te schrijven?’
‘Omdat ik wil dat het goed is.’
‘Dus eigenlijk ben je lui? Neen hé. Gewoon ongetalenteerd. Je wil dat het goed is en je weet niet wat goed zijn betekent.’
‘Ik zit hier in werkkleren, jij in een besmeurd kostuum. Dan stel ik me de vraag, moet je als kunstenaar leven om kunstenaar te zijn?’
‘Zeg het maar, hou je vooral niet in. Zeg wat er te zeggen valt.’
‘Kijk. Ik spartel in mijn vangnet. Jij danst op je trapeze.’
‘Dus?’
‘Jij hebt je brood en beleg al om de hele tijd aan kunst te doen.’
‘“Kunst te doen,” wat een formulering. Alsof het squashen is.’
‘Het komt erop neer dat jij geluk hebt gehad, waardoor je kan schrijven,’ zegt hij.
‘Ik schrijf met de vrees dat ik op een dag werk zal moeten zoeken. Jij hebt die vrees niet nodig. Jij hebt al werk.’
‘Wat een rotstreek om die kaart te trekken.’
‘Iedereen wil leven van wat hij verzint, maar niet iedereen kan het. Ik zie je het niet proberen, maar denk jij dat je het kan? Ik vraag het oprecht, niet beledigend.’
‘Nee, ik zie het niet als een belediging,’ ik verbaas me erover dat hij nooit kwaad wordt, nog nooit zag ik hem kwaad, alsof hij geen ziel heeft. ’Ik denk wel dat ik dat kan, ja. Ik hoop het, althans,’ zegt hij.
‘Waarom heb je nog niets verzonnen dan? Uit luiheid?’ Hij knikt. ‘Of omdat je bang bent dat het niet zal lukken? Kijk,’ zeg ik, ‘als ik voor mezelf spreek, dan heb ik het gevoel dat met genoeg motivatie alles mogelijk is. Maar wat mij echt roept, is meer dan dat. Ik wil niet zweten om een meesterwerk te schrijven. Ik wil het genie zijn dat op onverklaarbare manier het meesterwerk schreef. Je zou sommige schrijvers bijna goddelijk kunnen noemen. Goden met kringspieren. Ik wil één van hen zijn. Neen, ik wil in hun zonlicht staan.’
‘Je wil gewoon tonen dat je lul groter is, dus?’
‘Neen, daar gaat het mij net niet om Brakke! Ik wil dat zuiver talent voelbaar is tot onder mijn teennagels. Dat het succes dat uit mij vloeit ontdaan is van elk toeval of sjabloon. Het gaat mij helemaal niet om het meesterwerk dat ik wil schrijven. Het gaat mij om het feit dat ik het meesterwerk kan schrijven. Ik wil in de grootste hel leven en het talent om collega van God te zijn toch behouden. Dat zijn de ware helden. Die blijven onbestraft en waren toch onvoorzichtig.’
‘Zijn die laatste gedachten niet van Joost Zwagerman en Willem Frederik Hermans? Je hebt me die boeken aangeraden, vorig jaar. Ik moet je ze nog teruggeven.’
‘Zijn dat ideeën van Zwagerman en Hermans?’
‘Ongeveer. Ze verwoorden het in ieder geval gelijkaardig. Dat van die goden met kringspieren heb ik ook al ergens gehoord.’
‘Echt?’
‘Ja, ik geloof het wel.’
‘Dat kan,’ zeg ik.

Hij staart me aan.
‘Jammer,’ zeg ik.
We houden ons stil nu. Het koppel praat al even over honden. Ik kijk Brakke aan, hij rolt een sigaret en denkt misschien na. Ik wou dat ik hem kon overtuigen om het risico te nemen zijn ontslag in te dienen en te gaan schrijven. Dan zou hij me begrijpen. Ooit moet hij uit dat vangnet. Hij zal niet te pletter storten. Hij krijgt eventueel uitkering, een dak boven zijn hoofd en hij behoudt zijn kleren en sleutels. Alleen gekken hebben geen sleutels.
‘Ach ja, alleen gekken hebben geen sleutels,’ zeg ik, en doof mijn sigaret in de volle asbak. Ik haal mijn rechterbeen van mijn linkerbeen en ga achterover leunen in de terrasstoel. Het koppel betaalt met een briefje van twintig, staat recht en wandelt aan me voorbij. ‘Wat denk je? Nog bier?’

‘Dat is goed,’ knikt hij, ‘Die man…’
‘Wacht even,’ zeg ik. Ik zwaai naar de ober. We bestellen.
‘Ja, wat is er met die man?’
‘Waarschijnlijk een oude collega van mij,’ hij glimlacht.
‘Hoezo?’
‘Zie je niet hoe gekromd zijn rug is? Van dozen te heffen, of in de grond te spitten.’
Hmm,’ mijmer ik. Of van dagen aan een stuk aan een manuscript te werken zonder beroemd te worden. ‘Wanneer moet je vannacht op?’ vraag ik.
‘Elf uur. Om twaalf uur beginnen.’

‘Succes ermee.’
‘Ja, bedankt. Zeg, heb je honger? Zullen we iets eten?’
‘Ik heb niet zoveel bij. Straks kan ik misschien nog naar de bank om geld af te halen. Ik moet over een uur nog mijn parkeerbiljet verlengen. Betaal jij ondertussen?’
‘Ja, is goed,’ zegt hij, ‘ik heb mijn loon gehad vandaag.’
‘Misschien moeten we bij mij thuis eens gaan zitten schrijven. Dan zien we wat werkt en wat niet.’
‘Goed idee.’
‘We moeten vooral voor ogen houden wat we met Jong Schuim precies willen bereiken.’

We zuchten.
Later strompel ik mijn kamer vol boeken binnen, laat de rolluiken vallen, tik een lichtje aan. Ik heb zoveel boeken dat ik er meubels van heb gemaakt. Ook meubels van boeken die ik nog niet heb gelezen. Een nachtkastje en een bijzettafeltje van boeken. Ik geef bijna nergens geld aan uit, behalve aan boeken. Ik spring in de boeken als in een hoop bijeengeharkt geld en ga op mijn rug liggen om mijn roes uit te slapen. Morgen sowieso een kater.
Verder span ik mijn gedachten de hele dag door. Ik ben altijd afgeslepen op mijn eigen zweverigheid. Altijd in tegenspraak met mijn hoofd. Misschien, als we oud zijn, onze ruggen krom, zullen we interessanter zijn. Schrijft er misschien iemand over ons.


Giuseppe Minervini (1994, Roeselare) studeert filosofie en Nederlandse taal- en letterkunde aan de KULeuven. Hij publiceert verhalen in onder andere literair tijdschrift Extaze, DW B en Gierik & NVT, schrijft en regisseert toneel en behoort tot een van de talenten van het traject Talent op Tilt. In kader van dit traject werkt hij aan zijn debuutroman Krank.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s