Gebeitelde zinnen en herschapen clichés

Door: Daphne Jager

Dichters hebben al sinds mensenheugenis een bevoorrechte status. Ze zouden in staat zijn om een nieuwe wereld te scheppen. Dat wordt vaak als iets goddelijks gezien, een gave. Niet voor niets zei de 19e-eeuwse dichter Willem Kloos ooit dat hij zich een god voelde in het diepst van zijn gedachten. Dat dichten veeleer herscheppen of recyclen is, laat de jonge dichteres Siel Verhanneman zien in haar debuutbundel Als ik verdrietig ben heb ik een bos in mijn hoofd.

Om misverstanden te voorkomen: Verhanneman is zonder meer een oorspronkelijke dichter. Met korte, pakkende poëmen weet ze vaak beelden op te roepen die nieuw en schrijnend zijn, en krachtiger worden in combinatie met de tekeningen en etsen van Larissa Viaene die de bundel sieren.

Verhannemans gedichten zijn onderverdeeld in vier ‘hoofdstukken’, die we kunnen omschrijven als verschijningsvormen van verdriet. Deel een, geheten Hoe ze de planeten rond haar vingers draaide alsof het niks was, gaat over verlangen – bijvoorbeeld in de gedichten op pagina 10 (‘Ontrafel me/tot op de draad / zodat ik alleen nog maar / rondom u gesponnen kan worden’) en 18 (‘Mijn borstkas doet pijn / want mijn hart heeft te weinig plaats denk ik. / Het stampt als een baby in moeders buik. / Maar wat moet je met zo’n hart dat er eigenlijk uit wil.’) Beide gedichten hebben zo’n sterke beeldtaal dat de ontroering nooit ver weg is. Ook teleurstelling en wanhoop doen zich voor – bijvoorbeeld in het gedicht op pagina 26 over het leven als één stapje vooruit en tien achteruit, maar ook in de constatering dat ‘ze’ een hoopje verdriet is in een wintertrui (pagina 22).

In deel twee, Soms koester ik stukjes verdriet zoals een ander postzegels verzamelt, zegt de titel al veel. Het gaat hier om soms licht pathetische, soms meisjesachtige gedichten, die fragmentarisch en onaf lijken. Gedichten over geliefden die je onder een vergrootglas wil proppen, over spinrag (het web van de liefde) waar je nooit helemaal uit kunt ontsnappen en het verlangen om de ander als regen uit een hondenvacht van je af te schudden, hebben zonder meer treffende metaforen. Maar daar blijft het bij, want de gedichten zijn te kort om meer te doen dan even opflikkeren uit deze verder zo verrassende bundel.

Het gedicht ‘Zelfwoord’ op pagina 32 (‘Snap je het niet, elke dag verdoe ik / mijn woorden / voor jou / pleeg ik elke dag / een beetje / zelfwoord.’) is echter wederom origineel, met als thema wat de liefde ons kost – en dat we misschien meer willen geven dan ons lief is. Ook in deel drie, Want met gesloten ogen kan je zien wie je wilt, en deel vier, Toe vang mij dan zitten enkele prachtige passages verborgen, en ook hier is het verdriet en rampspoed dat de klok slaat. Het gedicht op pagina 62, hier integraal opgenomen, is door de prozaïsche vertelwijze heel anders dan de andere gedichten maar slaat – net als sommige kortere gedichten –  in als een bom.

Ironie wanneer ik door de Toekomststraat moet rijden om bij jou
op bezoek te komen. De wind waait altijd harder in dit stuk van
de stad. Net om de hoek verwar ik de neonlichten van
‘SPOEDOPNAME’ nog even met “SNOEPAUTOMATEN.
Soms is iets schoner wazig dan scherp. En dan schrik ik om je zo
te zien. Al veel te lang uitgeput. Maar lijkt niet alles erger in zo’n
wit, ijzeren bed? Nog een half uur en dan is het gedaan,
de Toekomststraat weer even achter mij.

Gaat het over zelfmoord, van de vaderfiguur wellicht? Of over een opa of oma die op sterven ligt? Het moet om een naast familielid gaan waarover meerdere malen geschreven wordt en waarover afsluitend – kinderlijk en tegelijkertijd wijs – wordt gezegd: ‘Op een gemis / zo groot als dat / van mij voor jou / kan je geen pleister plakken.’ (pagina 80). Maar even later is het weer een ex-geliefde die gemist wordt, winnen de slechte herinneringen het van de goede en lijkt de regen triester. Wat ik wil zeggen is: mooie vondsten en clichés wisselen elkaar af in deze bundel, net als bijzonder kleurrijke, lieve figuren afgewisseld worden door vreemde creaturen. Echter, bijna altijd vullen beide kunstvormen elkaar succesvol aan in deze bundel.

Verhanneman werkt in haar debuut minimalisme maximaal uit. Een enkele constatering, nauwelijks een gedicht te noemen, blijkt als gebeiteld in beton zo betekenisvol: ‘DAT HIJ NU EEN TIJDPERK IS’ (pagina 95), bijvoorbeeld. Daarmee zorgt de Vlaamse dichteres voor Omslag Siel Verhannemanherkenning en ontroering. Wie romantiek zoekt, mist misschien eenheid, vernieuwing.

 
Siel Verhanneman – Als ik stil ben heb ik een bos in mijn hoofd
Uitgeverij Manteau
ISBN 9789022333907 – €18,-

 


Daphne Jager (1987) studeerde Nederlandse taal- en cultuur in Nijmegen. Ze is een echte lettervreter. Naast lezen is schrijven favoriet. Gedichten, essays, recensies – het kan allemaal. Op Passionate Platform maakt ze je warm voor mooie nieuwe boeken. Lees meer artikelen van haar hand.

Een gedachte over “Gebeitelde zinnen en herschapen clichés

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s