De onmogelijke missie van Riekus Waskowsky

 

Door: Erik Brus

Veertig jaar geleden overleed de Rotterdamse dichter Riekus Waskowsky (1932-1977). Op 44-jarige leeftijd was hij al opgebrand na een bewogen leven als vertaler maar vooral dichter. Hij liet een klein, veelbesproken oeuvre na waarin hij op zoek ging naar een alternatief voor de gevestigde dichtkunst die in zijn ogen burgerlijk was. In zijn eerste twee bundels liepen hoge en lage cultuur op overtuigende wijze door elkaar heen. Maar uiteindelijk kwam Waskowsky, in zijn drang om allesbehalve een traditionele dichter te zijn, uit op een soort non-poëzie die niet meer serieus werd genomen. Een overzicht van zijn leven en werk.

2. voordracht

‘In het algemeen bestaan er twee soorten dichters: zij graag een prijs zouden winnen op de Nationale Gevoelenstentoonstelling, en de echte dichters die het maar op bijvoorbeeld Bob Dylan houden: “I‘m just average common too; I‘m just like him and the same as you.”’ Aldus Riekus Waskowsky in een interview in Maatstaf van oktober 1970. Hij geeft daarmee de tegenstellingen weer waartussen hij zich als dichter bewoog. Het klassieke dichterschap dat wel degelijk onderdeel uitmaakte van zijn vroegere werk, en de popcultuur waardoor hij zich sterk liet beïnvloeden. Zozeer zelfs dat hij werd afgeschreven door de literaire wereld.

De hogere cultuur waartegen Waskowsky zich af zou gaan zetten, had hij zich zelf eigen moeten maken. Geboren op 15 oktober 1932 in Rotterdam-West, groeide hij op in een eenvoudig arbeidersmilieu als zoon van een machinist op de binnenvaart. Riekus’ achternaam valt terug te voeren op een Poolse overgrootvader die vuurtorenwachter was en in de negentiende eeuw in Nederland was terechtgekomen.

Riekus had van jongs af aan een zwakke gezondheid, hij leed aan ingewandsstoornissen en had astmatische aanleg. Hij was een fanatiek lezer, en een intelligente leerling, die na de mulo de hbs doorliep. Na zijn militaire dienst ging hij sociale psychologie studeren in Amsterdam, waarbij hij zich afzette tegen de verwende corpsballen en liever wees op de eenvoudige bijbaantjes waarmee hij zijn studie financierde. Hij wist dat hij zich nooit thuis zou kunnen voelen in rijkeluiskringen, maar tegelijkertijd was hij afgunstig op hen. Het is een van de tegenstellingen waartussen hij zich toen al bewoog.

Riekus volgde verder lessen in politieke wetenschappen en filosofie. In 1957 nam hij daarnaast een baantje als assistent-groepsleider in het Hervormd Jeugdhuis In Amsterdam, waar hij de tien jaar oudere groepsleidster Mien den Ouden ontmoette, met wie hij in 1958 trouwde. Het wekte in hun omgeving verbazing wat de vrijgevochten Riekus en Mien met haar no nonsense instelling in elkaar zagen. Zij gingen samenwonen op de Beukelsdijk in Rotterdam-West. Riekus, die zijn studie had opgegeven, begon zijn dichterschap te ontwikkelen. Dat Mien de kost verdiende vond hij vanzelfsprekend. Een dichter was voor hem een bohémien, iemand die een onbezorgd, niet-burgerlijk leven leidde. Maar door groeiende geldnood werd hij toch weer gedwongen baantjes aan te nemen.

Intellectueel
Ondertussen las hij filosofen als Kant en Wittgenstein, en dichters als T.S. Eliot, Garcia Lorca en Neruda – de laatste twee begon hij na een cursus Spaans te vertalen. En hij zocht naar mogelijkheden om zijn gedichten te publiceren. Het in die tijd, omstreeks 1961, toonaangevende Rotterdamse 3. RiekusWaskowskyliteraire tijdschrift Gard Sivik wees zijn inzending af. Tot Riekus’ frustratie, want hij voelde zich aangesproken door de ironische en rauwe literatuuropvatting van de Gard Sivik-redacteuren, waaronder de Rotterdammers Hans Sleutelaar en C.B. Vaandrager. Het zou ook nog jaren duren voordat Barbarber, de wat speelsere Amsterdamse tegenhanger van Gard Sivik, zijn werk wilde plaatsen. Rond 1961 verschenen echter zijn eerste gedichten in kleinere blaadjes als Kentering en Draakje.

Riekus’ huwelijk strandde in 1963, en hij zocht aansluiting bij andere aankomende dichters in Rotterdam, zoals Casper van den Berg en Jules Deelder. Zij vonden de erudiete en intellectuele Waskowsky een opmerkelijke verschijning binnen het vaak zo nuchtere dichterswereldje van Rotterdam. Zij lieten Riekus kennismaken met jazz en popmuziek (hij zou voor de Beatles en Bob Dylan een grote liefde opvatten) – en met drugs, al beperkte hij zich tot lichtere drugs zoals hasj.

Een trefpunt was het huis van Thea Linschoten aan de Zwaerdecroonstraat, waar vele dichters en kunstenaars voor kortere of langere perioden onderdak kregen. Riekus verbleef er na zijn scheiding een jaar lang. En hij begon aan een nieuw baantje, dat drie jaar zou duren, als slaapwagenconducteur op de internationale treinen van Wagons-Lits, een ervaring waaruit hij voor zijn werk nog regelmatig zou putten. Hij verdiende extra bij door op de slaaptrein het pepmiddel metadrine mee te smokkelen en in de Rotterdamse scene af te zetten.

Vernieuwer
Zijn gedichten vonden hun inmiddels hun weg naar grotere literaire tijdschriften zoals Maatstaf en De Gids. Uitgeverij De Bezige Bij kwam hem op het spoor, en zijn eerste bundel Tant pis pour le clown volgde in 1966. De kritieken waren lovend. Adriaan Morriën noemde Waskowsky in Het Parool ‘een van de begaafdste vernieuwers van onze poëzie’. Collegadichter 4. tantpisclownCees Buddingh’ en anderen prezen de kernachtige en humoristische manier waarop Waskowsky allerlei invloeden uit heden en verleden wist samen te brengen.

Die gelijktijdigheid is inderdaad het opvallendste kenmerk van zijn debuut. Grote filosofen en machtsbeluste staatsmannen, oude kunstschatten en hedendaagse jazz, levensbeschouwelijke regels en platte seksgrappen wisselen elkaar af, vaak binnen één gedicht. Mijn vagina romantica / je was maagd en heette Maria // Toen danste ik (noem mij Shiva) / noem hem een duif in je neer. Waskowsky’s achtergrond als intellectueel lijkt in de meeste gedichten het uitgangspunt. Vervolgens wordt die met kwinkslagen of onverwachte wendingen ondergraven om de betrekkelijkheid ervan te onderstrepen.

Door de vele citaten en verwijzingen naar de klassieke cultuur is Tant pis pour le clown, ondanks de lichte toon, een soms moeilijk toegankelijke bundel. Met bovendien een behoorlijk grimmige ondertoon, want het aloude vooruitgangsideaal is een illusie, zo maken verschillende gedichten duidelijk, zoals in het betrekkelijk eenduidige ‘Een staatsman’: De begrippen waarmee Engeland / in zijn jeugd zijn denken verpestte: / de vooruitgang, de ontwikkeling, de beschaving (…) En hij een staatsman / een regeerder over onmogelijkheden / een renner achter ontstellende feiten.

Mensen halen zich van alles in het hoofd om vooruit te komen, maar het zijn valse illusies. Waskowsky kijkt er met milde spot naar, zonder er zelf aan deel te nemen. In slechts enkele gedichten lijkt hij zelf aanwezig. Des te treffender is het titelgedicht, dat als een cruciaal gedicht in Waskowsky’s oeuvre beschouwd kan worden. De clown uit de titel wordt opgevoerd als iemand die altijd op reis is, omdat hij van het alledaagse leven niet veel begrijpt.

Hij is precies een man uit een mopje. Hij / moet bijv. vluchten, bekijkt dan de globe / en vraagt: ‘Heeft u geen andere bol?’ // Adonai! Of ook wel klopt hij ‘s nachts op / mijn deur en wil weten wat soixante-neuf / in het frans is. // Ik ben alleen in de kamer – hij kijkt mij aan / in de spiegel. Ik zie hem niet zo zitten.

Waskowsky lijkt zijn leven als dichter, dat hem tot buitenstaander maakt, onder de loep te nemen – iets wat hem niet vrolijk stemt. Daarmee wijst dit gedicht vooruit op de ontwikkeling die zijn latere bundels zullen doormaken.

Alledaagse leven
Waskowsky had een succesvol debuut als dichter gemaakt, maar in Rotterdam voelde hij zich niet meer gelukkig. Hij werd er door een vriendin afgewezen, en de plaatselijke scene begon hem tegen te staan. In 1966 vestigde hij zich in Groningen, waar ook zijn broer Edu, beeldhouwer, woonde. Met Edu had hij een haat-liefde verhouding, mede door hun onderlinge rivaliteit als kunstenaar. In Groningen leerde hij Jellie Pot kennen en ging met haar samenwonen. Ze leefden grotendeels van haar inkomen als secretaresse, daarnaast schreef Waskowsky recensies voor NRC Handelsblad en Nieuwsblad van het Noorden, en vertaalde hij Engelstalige detectives. Maar het dichterschap was nog zijn belangrijkste ambitie; de toekenning van de Alice van Nahuysprijs à fl 2000,- voor Tant pis pour le clown bevestigde hem daarin. De Groningse dichter Rutger Kopland werd een goede kennis en met Gerrit Komrij raakte hij bevriend.

In 1968 verscheen Waskowsky’s tweede bundel Slechts de namen der grote drinkers leven voort. Opnieuw werd hij geprezen om de eigengereide manier waarop hij allerlei invloeden wist samen te 5. slechts de namenbrengen, en de Volkskrant noemde hem misschien wel de gekste dichter in Nederland van dat moment. Maar er was ook kritiek dat hij in het wilde weg citeerde en al te willekeurig naar tegenstellingen zocht.

Toch verschilt de bundel aanzienlijk van zijn voorganger. Geschiedenis en filosofie spelen nog wel een rol, maar het alledaagse leven heeft de overhand gekregen. Veel gedichten gaan over seks. Zo is ‘Een heer’ een aanbeveling voor de mannelijke lezer om bij de coïtus zijn ellebogen te gebruiken zodat hij kan zien hoe mooi een vrouw is als ze klaarkomt: hij kan dan natuurlijk / die woorden wel in z´n boeken / gaan zoeken – maar vakfilosofie / brengt hier toch / zoals gewoonlijk geen uitkomst.

Dat een dichter gedoemd is tekort te schieten heeft het motto van de bundel, een citaat van T.S. Eliot over falende woorden, al duidelijk gemaakt. Waskowsky heeft daar blijkbaar uit geconcludeerd dat hij minder woorden moet gebruiken; zo bestaat de cyclus ‘The Doors of Perception’ uit acht gedichten van een of twee regels, zoals Als je niet kijkt zie je het / niet, of Het ligt er maar net aan / hoe je het bekijkt. Sommige gedichten lijken eerder op een mop, zoals ‘Lourdes’: Toen hij uit de Grotte Miraculeuse kwam / zaten er in elk geval / 2 nieuwe banden aan z´n invalidewagentje. Simpel vermaak bieden is Waskowsky blijkbaar genoeg, want de klassieke cultuur en filosofie hebben de tegenwoordige mens nog maar weinig te zeggen. Zelfs de Romeinse keizer Marcus Aurelius, aldus het gedicht ‘Ching Ming’, zat gewoon maar wat voor de bierkaai weg te mediteren. Immers: ‘Leef wat werkelijk / je leven is, dwz. het heden.’

Tekeningen en foto’s
Waskowsky was zijn materiaal als dichter, woorden, gaan wantrouwen, en dat had hem een belangrijk thema voor zijn tweede bundel verschaft. Maar hij wist niet goed hoe het nu verder moest met zijn dichterschap. In het in zijn ogen dorpse Groningen voelde hij zich ook al niet meer thuis. In 1969 ging hij, na problemen met Jellie, terug naar Rotterdam. Daar kreeg hij een huurflatje via de Rotterdamse Kunststichting, maar hij was platzak en merkte dat hij van zijn oude vrienden vervreemd was. Hij leed aan slaapstoornissen en had last van paranoia. Na een woedeaanval vernielde hij zijn inboedel en werd opgenomen in een kliniek in Den Haag. Uiteindelijk keerde hij al na een half jaar terug naar Groningen, legde zijn ruzie met Jellie bij en trouwde met haar.

In 1970 verscheen Wie het eerste z’n stenen kwijt is… een cursus hedendaagse moderne poëzie door de alombekende dichter, zanger, denker & dromer Riekus Waskowsky. O6. met Jellie Potpnieuw een motto, van de filosoof Wittgenstein, over de beperking van woorden: ‘There are, indeed, things that cannot be put into words. They are what is mystical’. Veel plaatjes dan ook in deze bundel. Damborden met verschillende stellingen, tekeningen van condooms, en allerlei fotomateriaal waaronder een reeks van zeven foto’s van Riekus en Jellie, beiden naakt en bezig met eten, roken, vrijen en de afwas, temidden van boeken van Wittgenstein. Deze reeks, zonder tekst, is genoemd ‘een cyclus concrete lyrische poëzie’. Verder gedichten, teksten van kinderliedjes en popsongs, limericks en moppen. Over het algemeen vonden de critici, ook degenen die Waskowsky’s eerste twee bundels nog konden waarderen, dat hij een grens was overschreden. Flauwiteiten hadden de overhand gekregen en van poëzie was nauwelijks nog sprake. J. Bernlef schreef over ‘ergerlijke staaltjes van literaire inteelt en een totaal gebrek aan oorspronkelijkheid’.

Maar Waskowsky leek inmiddels zelf ook genoeg van het literaire wereldje te hebben. Opvallend zijn enkele gedichten in Wie het eerste z’n stenen kwijt is… waarin hij lijkt af te rekenen met oude schrijversvrienden. In ‘Dichters’ maakt hij de ernst van psychiater R. v.d. Hoofdakker, ofwel Rutger Kopland, belachelijk. En ‘Op de sien’ (voor Jules Deelder), een reactie op Deelders gedicht ‘Op de scene’, schetst een mismoedig beeld van de Rotterdamse kunstenaarsscene: ja, beste opium- & methedrinelijers daar / zit je dan in het café waar de klok / al jaren lang op kwart over twaalf staat.

Ook schreef Waskowsky in Nieuwsblad van het Noorden ineens keiharde kritieken op nieuwe bundels van zijn collega’s. In voornoemd Maatstaf-interview sprak Waskowsky van de ‘Koplandjes’ die zo nodig moeten aantonen dat ze gevoel hebben. En waar hij Deelders debuut Gloria Satoria uit 1969 nog de bundel van het jaar had genoemd, sprak hij een jaar later bij opvolger Dag en nacht geopend van pseudo-wijsheden, slecht gelukte grapjes en puberale verheerlijking van drugs.

Geen alternatief
Waskowsky’s psychische en fysieke problemen werden ondertussen groter. Zijn bronchitis verergerde, hij dronk veel, en hij had psychotische aanvallen, waarin hij bijvoorbeeld de ramen van zijn huis volplakte met kopieën van zijn diploma’s. Twee maal werd hij in een kliniek in Assen opgenomen. Hij schaamde zich daarover en begon zichzelf langzamerhand als een mislukking te beschouwen. In 1972 deed hij nog wel mee aan een telex-experiment, samen met Bernlef, Deelder, K. Schippers en Hans Wap. De dichters zonden hun gedichten vanuit hun woonplaats per telex naar een kunstmanifestatie in Rotterdam.

Waskowsky’s aandeel leidde tot zijn vierde en laatste bundel, De boeddha en het piepertje, niet meer bij De Bezige Bij maar de kleine uitgever Opus 2. Deze bevat enkele gedichten, over een eenzame koe en de stoelgang, en verder bladzijden die grotendeels met één letter zijn volgedrukt, zoals aaaaaa (….) aaaaaa klonk het in de nacht en nnnnnn (…) nnnnnn were here. De bundel werd niet meer serieus genomen en verzonk vrijwel meteen in de vergetelheid.

Zo bleef hij financieel grotendeels afhankelijk van Jellie, en in tegenstelling tot vroeger voelde hij zich daar bezwaard onder. Pogingen tot het schrijven van een roman, die hij al jaren ondernam, bleven steken. Jellie had op haar beurt te kampen met zijn steeds 7. Riekus Waskowskygrilliger gedrag. In 1973 gingen ze uit elkaar. Riekus keerde terug naar Thea Linschoten in de Zwaerdecroonstraat, maar ook in Rotterdam bleef hij een verbitterd man die wild om zich heen sloeg, en oude kennissen van zich vervreemdde door zijn onberekenbaarheid. Hij begon een hetze tegen de Rotterdamse Kunststichting, vooral in de persoon van medewerker Martin Mooij, die hem juist ondersteunde en dat ook in het verleden gedaan had. Waskowsky schold in zekere zin op zijn eigen financiële afhankelijkheid, want verschillende sollicitaties naar baantjes werden afgewezen.

Wel bracht hij in 1974 een vertaling en bloemlezing uit van de beroemde Chileense dichter Pablo Neruda, en vertaalde hij een roman van de Engelse schrijver Evelyn Waugh. Hij verdiepte zich in het Japans, nadat hij bevriend was geraakt met een Japanse dichteres. En hij maakte in 1976 De Pincoffsbode, dat zich een huisorgaan noemde van een stichting die beloofde de Rotterdamse literatuur nieuw leven in te blazen door middel van allerlei activiteiten. Maar het bleef bij dit vier pagina’s tellende stencil, in een oplage van één, dat grotendeels een aanval was op de RKS en het elitaire Rotterdamse festival Poetry International dat de plaatselijke dichters zou verwaarlozen. De bode eindigde met het gedicht ‘Kunst’ dat luidt: a propos´ / heb jij soms f. 1000,00?

In hetzelfde jaar vernielde hij opnieuw zijn huisraad na een woedeaanval, en tweemaal werd hij in een kliniek in Den Haag opgenomen. Van schrijven kwam het nauwelijks meer, en hij zonderde zich af van het literaire wereldje. Hij verdiepte zich in religie en spiritualiteit, zonder veel rust te vinden. Op 14 april 1977, op bezoek bij zijn ouders die nog altijd in Rotterdam woonden, ging hij op bed liggen omdat hij zich niet goed voelde. Enkele uren later trof zijn moeder hem levenloos aan. Een precieze doodsoorzaak is niet vastgesteld; men houdt het er op dat hij aan algehele uitputting is overleden. Feit is dat hij in de laatste jaren zijn broze gezondheid verwaarloosde, en op zijn omgeving de indruk wekte dat hij de hoop had opgegeven.

De overlijdensberichten in de kranten spraken over Waskowsky’s veelbelovende debuut, de teleurstellende bundels die volgden, zijn vermeende drang tot zelfvernietiging, en het harde literaire klimaat van Rotterdam. Maar afgezien van de persoonlijke tragiek waarmee men steevast zijn neergang als dichter verklaart, lijkt hij zich al snel in een onmogelijke situatie te hebben gemanoeuvreerd. Uitdrukkelijk liet hij in gedichten en interviews weten dat hij intellectualisme en conventioneel dichterschap afwees. De kwinkslagen en parodieën op poëzie die hij daar tegenover stelde, lijkt hij echter niet uit volle overtuiging, maar uit frustratie en gebrek aan beter te hebben geschreven. Het afstoten van de woorden die hij zei te wantrouwen, leverde hem geen bevredigend alternatief op. Zo bezien wilde hij misschien toch een klassiek dichter zijn. Hoe hard hij zichzelf en de gevestigde literaire wereld ook van het tegendeel probeerde te overtuigen.

Een eerdere versie van dit artikel verscheen in de Passionate Magazine-special Op de Sien – literatuur in Rotterdam in de jaren zestig en zeventig (maart-april 2008).  In 1985 verschenen Waskowsky’s Verzamelde gedichten, inclusief nagelaten werk, samengesteld door Rien Vroegindeweij en Erik van Muiswinkel, bij Bert Bakker. Slechts de namen der grote drinkers leven voort, Waskowsky’s tweede bundel, werd integraal herdrukt in het verzamelboek ROTTERDAM (Lebowski Publishers, 2012).


Erik Brus schreef met Fred de Vries het boek Gehavende stad, muziek en literatuur in Rotterdam van 1960 tot nu (2012). Hij realiseerde i.s.m. Laurens Abbink Spaink de novelization Zwartboek (2006) van de film van Paul Verhoeven. In 2015 verscheen het mede door hem samengestelde boek Ken zó in Boijmans – Frans Vogel 80. In 2016 was hij samensteller van Sleutelaar worden – herinneringen van en aan een zwijgende dichter, en onlangs van Vaan nu – C. B. Vaandrager met andere ogen (Studio Kers).

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s