Herman Brusselmans: een ontmoeting met meneer Allen

Voor de zoveelste maal viel in 2007 een Woody Allen-film in de prijzen bij de Oscars: Cate Blanchett won een Oscar voor beste vrouwelijke hoofdrol in Allens destijds nieuwste film Blue Jasmine. In 2007 stuurde Passionate Magazine Herman Brusselmans op pad om Allen te interviewen. Hieronder het resultaat: een onthullend portret van vooral de mens Woody Allen. 

Ontmoeting met meneer Allen
Als Passionate Magazine je vraagt om Woody Allen te interviewen zeg je geen nee. Mocht een ander tijdschrift het gevraagd hebben, ik zou gezegd hebben: ‘Pleur toch op, lul,’ maar voor een publicatie in Passionate heb ik veel over. Wel zei ik tegen de redactie: ‘Naar New York vliegen doe ik niet. Ik heb vliegangst als nooit tevoren.’ ‘Je hoeft helemaal niet naar New York,’ zei redactie-assistente Sulleke Van ’t Schap, die met haar dikke tieten erg opviel tussen de andere redactieleden, ‘want Woody Allen is in Parijs.’ Hij bleek daar een aantal dagen te vertoeven, ter promotie van z’n bundel Louter anarchie, in het Frans verschenen als Loûtrement de l’ anarchie bij uitgeverij Pierre Assassinin et Fils, een van de gerenommeerdste uitgevershuizen in Frankrijk, waarbij onder meer ook James Joyce, Saul Bellow, Gabriel G. Marquez, Martin Amis en Saskia Noort worden uitgegeven. ‘Oké,’ zei ik, ‘een reisje naar Parijs, dat zie ik wel zitten. Hoeveel geld krijg ik mee, voor benzine, traktaties, cadeautjes enzovoort?’ De penningmeester van Passionate Magazine, Frits Oeverhuis, overhandigde me een enveloppe met daarin 1500 euro, niet overdreven veel, maar goed, een big spender ben ik nooit geweest. Overigens heeft die 1500 euro niks te maken met het bedrag dat ik krijg voor het interview zelf, dat uiteraard een aardig stukje hoger ligt. Voor niks gaat de zon op. Een schrijver zoals ik moet op z’n waarde geschat worden, waar of niet? Ik ben niet voor niks, na Arnon Grunberg, Joost Zwagerman en Esther Verhoef, een van de grootste talenten in het Nederlandstalige gebied.
De redactie wenste me veel succes met het interview en ik zei: ‘Dank jullie wel,’ waarna ik fluisterend aan Sulleke Van ’t Schap vroeg of ze geen zin had om binnenkort ‘ns met mij te forniceren. ‘Als de tijd rijp is,’ fluisterde ze terug. ‘Draag bij die gelegenheid wel een doorkijkbeha en een eetbare slip,’ zei ik. Ik ben en blijf een hitsige jongen.

Ik overbrugde de trip naar Parijs met m’n motorfiets, de Buell X1 Lightning 1200 cc. Die haalt op z’n gemakje 230 kilometer per uur, maar ik overschreed de 180 niet, want ik wilde geen huizenhoge boetes, omdat m’n 1500 euro handgeld dan snel op zou zijn, en handgeld dat snel op is probeer ik te allen tijde te vermijden. M’n ouders zijn ooit failliet gegaan toen hun handel in verwarmingsbuizen over de kop ging en sindsdien let ik op de kleintjes.
Na anderhalf uur tuffen (druk verkeer) kwam ik aan in Parijs. Woody Allen had geboekt in het hotel George VIII, op de Place du Trammelante, op een boogscheut van de Eiffeltoren. Ik kon m’n Buell parkeren in de Rue Bécile en vandaar was het nog een tiental minuten lopen naar George VIII. Ik deed er acht minuten over, dus dat viel mee. Ik liep het imposante hotel binnen. Bij de receptie, bemand door een homoseksueel met negroïde trekken, wat me nochtans m’n goede humeur niet deed verliezen, gaf ik m’n helm en m’n motorjas in bewaring en ik zei tegen de jongen, in dat prachtige Frans van mij: ‘Ik ben Herman Brusselmans en ik heb in naam van Passionate Magazine een interviewafspraak met de heer Woody Allen, de filmmaker uit Amerika.’ De gozer controleerde in z’n paperassen of dat wel klopte en zei tenslotte: ‘Inderdaad. Meneer Allen verwacht u in kamer 347, op de derde verdieping. Mag ik trouwens opmerken dat u een schitterend gebeeldhouwd gezicht hebt?’ Ik weet niet hoe het komt, maar van complimentjes van homo’s word ik altijd redelijk woest en ik stond op het punt om hem een pak slaag te geven dat hij zich zou heugen, tot ik mij wist te beheersen en me naar de lift repte.
In geen tijd was ik op de derde verdieping, en ik klopte aan bij kamer 347. ‘Kom binnen,’ hoorde ik een schriel stemmetje zeggen in het Amerikaans dat we zo goed kennen van Woody. Zonder dralen opende ik de deur en liep ik naar binnen. Midden in de sobere kamer stond de beroemde Allen1filmmaker me op te wachten. Hij droeg een ribfluwelen broek, een geruit hemd, loafers en z’n haar was een beetje aan de lange kant. Tevens droeg hij z’n bril. Ik stak m’n hand uit, en zei: ‘Goeiemiddag, meneer Allen, Herman Brusselmans, in opdracht van Passionate Magazine uit Nederland.’ Hij kuchte, nam m’n hand in de zijne, kuchte weer, liet m’n hand los, zei: ‘Gaat u zitten, meneer Brusselmans,’ en kuchte weer. Ik denk al jaren: die Woody Allen moet toch maar ‘ns iets aan dat irritante kuchje gaan doen, maar klaarblijkelijk was dat er nog niet van gekomen. Ik ging zitten op een stoel, en Allen ging zitten op een stoel niet ver daarvandaan. Tot m’n teleurstelling, noem het gerust verbazing, bood hij me niks te drinken aan, en daarom nam ik het blikje Fanta uit m’n achterzak dat ik altijd bij me heb voor in noodgevallen. Ik trok het lipje open, nam een slok, boerde, en legde het bandopnemertje dat ik in m’n andere achterzak had op het lage tafeltje tussen ons.
Hieronder volgt een bijna perfecte weergave van het interview dat ik Woody Allen vervolgens afnam. Wat u daarbij vooral zal opvallen is m’n feilloze interviewtechniek, m’n juiste woordkeuze, m’n intelligente vragen en m’n ontspannen manier van praten met iemand die toch wereldberoemd is en op vele mensen een verpletterende indruk zou maken, maar niet op mij, want ik laat me niet snel van de wijs brengen door om het even wie. De enige keer dat ik in het bijzijn van een beroemdheid ooit enigszins de kluts kwijtraakte, was toen Sophie Hilbrand me vroeg of ze haar tong in m’n oor mocht steken. Ik zei overigens: ‘Beter voor jou van niet, Sophie, daar ik momenteel schimmel in m’n oor heb.’ Het was nog waar ook. Ik had ‘m opgelopen door te veel in m’n oor te pulken met gebruikte lucifers, doch dat zou ons heden te ver leiden.
In deze weergave van het interview laat ik de kuchtjes, lachjes, hoestjes, snufjes, stiltes en nerveuze gebaartjes van Woody onvermeld, net als m’n eigen geslurp aan het blikje Fanta en de wind die ik tussen vraag vijf en zes per ongeluk liet vliegen.

HB: Meneer Allen, u bent geboren op 1 december 1935 als Allen Stewart Konigsberg. Vanwaar de keuze van uw pseudoniem?
WA: Ik heb mezelf als achternaam Allen gegeven naar m’n echte voornaam. En Woody had ik van Woody Cohen, onze buurman in Brooklyn voor wie ik veel bewondering had omdat hij de enige mij bekende man was die een sigaret kon roken met z’n navel. Het Allen2was voor mij noodzakelijk om een pseudoniem te kiezen omdat er al verschillende beroemde Konigsbergen bestonden. Er was Abe Konigsberg, de uitvinder van de zelfreinigende braadpan; er was Joshua Konigsberg, de tweede violist in het New York Philharmonic, en er was natuurlijk z’n broer Isha, de derde violist in het New York Philharmonic. Ik wilde niet dat mensen zouden denken dat ik verwant met hen was. Ze waren alle drie geen leuke mensen. Om je een idee te geven: Joshua Konigsberg sloeg z’n kinderen met z’n strijkstok. Als pacifist in hart en nieren wilde ik daar geen enkele connectie mee. Plus, Woody Allen leek me een heel goed bekkende naam voor een stand-up comedian.

HB: Inderdaad, u bent begonnen als stand-up comedian. Hoe ging dat?
WA: Welnu, ik stond op een podium voor een microfoon en ik vertelde allerlei grapjes, in de hoop dat het publiek zou lachen.

HB: Een broodwinning als een andere. Kan u zich uw eerste publiekelijk vertelde grapje nog herinneren?
WA: Niet precies, maar ik weet wel nog dat het over Sigmund Freud ging die in z’n spreekkamer een pinguïn op bezoek kreeg en die vogel had last van paranoia, maar wat er verder gebeurde, dat ben ik vergeten. Ik geloof dat Freud de pinguïn aanraadde om iedere keer achteraan in de rij te gaan staan.

HB: Inderdaad een giller. Maar toen beet de filmmicrobe u.
WA: Niet onmiddellijk. Ik heb eerst, nadat ik de stand-up comedy beu was, een tijdje gewerkt als schoenverkoper.

HB: Dat was mij onbekend.
WA: Niet ten onrechte, meneer Brusselmans. Ik was een heel slechte verkoper. Aan sommige klanten wist ik maar één schoen te verkopen. Dat begon m’n rayonchef, Pammy Abrahamson, op te vallen, en ze gaf me de bons. Eerst wilde ze wel naar bed met mij, wat ik weigerde, want ik had veel moeite met vrouwen. Ik voelde me lelijk, te mager, ros, brildragend en onmachtig. Ik ben pas voor het eerst naar bed geweest met een meisje toen ik 28 was.

HB: Wat was dat voor een mokkel?
WA: Een tromboniste bij het New York Philharmonic. Zij was het die me vertelde dat Joshua Konigsberg z’n kinderen sloeg met z’n strijkstok. Ze was erg lief, maar onze seksuele relatie viel tegen. Ze probeerde me tevergeefs een orgasme aan te praten. Ze bleef maar aandringen. Op den duur zei ik: ‘vooruit dan maar.’ Het kwam in haar oog terecht, met drie weken werkonbekwaamheid tot gevolg. Je zou het niet zeggen, maar om trombone te spelen heb je je beide ogen nodig. Wist u dat?

HB: Nee, dat wist ik niet. Maar als ik het goed heb, bent u na de schoenverkoperij dan toch begonnen met de film?
WA: Dat klopt. Ik had tijdens het uitlaten van m’n kat een producer ontmoet die in hetzelfde parkje z’n hond uitliet. Die hond beet m’n kat dood en zo raak je toch algauw in Allen3.jpggesprek. Op een gegeven moment vroeg hij me of ik wilde meewerken aan de film What’s New, Pussycat? Ik vroeg drie dagen bedenktijd. ‘Maak er vier dagen van,’ zei de producer, die Herbert Weingold heette. Helaas is hij al overleden in 1971, toen hij zich in een raam vergiste en negen meter naar beneden viel. Maar goed, zonder Herbert zou ik nooit in het filmmilieu gerold zijn. Na What’s New, Pussycat? volgde What’s up, Tiger Lily? en toen voelde ik me eindelijk rijp om aan een compleet eigen oeuvre te beginnen, dat van start ging met Take the Money and Run.

HB: Meteen een van m’n favorieten. Vooral toen die ene gangster met een paard trouwde rolde ik uit m’n stoel van het lachen.
WA: Die grap was gebaseerd op een echt gebeurd feit. In de jaren vijftig had je een gangster in Brooklyn, Johnny ‘One Ear’ Manchetti, en die vroeg een merrie ten huwelijk. Hij dacht dat ze zwanger was van hem, terwijl ze in werkelijkheid zwanger was van een hengst genaamd Richie. Maar One Ear was natuurlijk zo gek als een deur. Je vond wel meer gekken in Brooklyn in die tijd. Sterker nog, praktisch iedereen was gek in Brooklyn. M’n tante Rummy was het gekst van allemaal. Zij reed op haar éénwieler door Brooklyn en spuwde naar iedereen die geen oranje hemd droeg. In wezen heb ik een erg vreemde jeugd gehad.

HB: Die jeugd kwam nog niet ter sprake in uw eerste films, althans niet in Bananas, overigens een van m’n favorieten. Bij de opleiding van uw personage tot soldaat kreeg ik krampen van het lachen.
WA: Ik was zelf niet in het leger geweest, dus ik moest me baseren op ervaringen van anderen, vooral op die van m’n vroegere buurjongen Harvey Cohen, de zoon van Woody Cohen. Hij had, na z’n opleiding, anderhalve dag gevochten in Vietnam maar was toen terug naar huis gestuurd, omdat hij zichzelf negen keer in de voet had geschoten. Iemand die dat doet werd niet fit genoeg bevonden voor de strijd tegen de Vietcong. Overigens was hij, door de vijand, ook een tiende keer in z’n voet geschoten. Toen hij hersteld was mankte hij en moest hij z’n vroegere baantje als tapdanser opgeven. Zelden een jongen zoveel verdriet weten hebben.

HB: Ondertussen ging uw carrière door. Play it again, Sam, Everything You Always Wanted to Know About Sex (But Were Afraid to Ask), Sleeper, Love and Death volgden elkaar snel op. Na het tussendoortje The Front kwam uw eerste absolute meesterwerk Annie Hall, gespeeld door de onovertroffen Diane Keaton, met wie u een relatie begon.
Allen4WA: Heel juist. Diane was helemaal m’n type, al had ze er gerust anders mogen uitzien. Mooi vond ik haar immers niet, maar wel in uitstekende conditie. We vrijden soms twee keer na elkaar, met een dag tussen. Maar het bleef niet duren. M’n verliefdheid op haar ging over nadat ik haar betrapt had bij het kussen van een krop sla. En niet zomaar een kusje. Een heuse tongzoen. Sindsdien eet ik ook geen sla meer.

HB: Waarom niet?
WA: Om verschillende redenen. Ach, de liefde… Zolang ze niet belangrijker is dan je werk is er niks aan de hand. Zodoende ging ik door met de ene film na de andere te maken.

HB: Waaronder m’n allergrootste favoriet, Manhattan. Heeft u ook iets romantisch gehad met uw tegenspeelster, Mariel Hemingway?
WA: Nee, Mariel was samen met iemand anders, een dierentrainer uit Staten Island. Hij was erin geslaagd om een leguaan de krant naar z’n baasje te laten brengen, dus hij was niet de eerste de beste. Bovendien was Mariel totaal m’n type niet, al had ze er gerust anders mogen uitzien.

HB: Voor het gemak slaan we nu een film of veertig over en zo komen we bij Scoop, alweer een van m’n favorieten. Intussen had u uw part op het liefdesgebied wel gehad, getuige de ramp met Mia Farrow en de daaropvolgende relatie met Soon Yi Previn, uw huidige echtgenote.
WA: Soon Yi betekent alles voor mij, ondanks haar oosterse uiterlijk. Maar wat doe je eraan? Eenmaal oosters, altijd oosters. Voor de rest is ze geregeld m’n type. Meer wil ik over haar niet kwijt, omdat het te privé is. Wel kan ik nog zeggen dat ik haar nog nooit betrapt hebt op het tongzoenen van groenten, wat me nog iedere dag oplucht. Over Mia Farrow wil ik al helemaal niks kwijt. Vind je desondanks niet dat ze kleine tieten heeft?

HB: Dat kan je wel zeggen, meneer Allen. Dan had ik nu een erg boeiende vraag klaar over Scoop, maar ik ben ze toch zeker wel vergeten. Niet dat dat zo erg is, we hebben namelijk al genoeg over uw films gepraat. Daarom nu over naar uw klarinetspel. U moet zonder twijfel een van de beroemdste amateur-klarinettisten zijn op aarde zijn?
WA: Nee, dat is volgens mij Angelina Jolie.

HB: Speelt die klarinet?Allen5
WA: Alleen als iemand haar daar om vraagt. Omdat dat zelden gebeurt raakt ze haar klarinet praktisch nooit aan. Jammer. Een klarinettist moet veel oefenen. Heeft u verder nog vragen? Niet dat ik het geen interessant gesprek vind, maar ik moet m’n haar laten knippen. De beste kappers zitten in Parijs, en vandaar. Excuseer dat ik het zeg, maar uw haar mag ook wel ‘ns geknipt worden.

HB: Dat zegt m’n vader al twintig jaar, maar luistert u ooit naar wat uw vader zegt?
WA: Jamais. Zoals u merkt spreek ik ook Frans.

HB: Très bien. Dit was het dan, meneer Allen. Ik zal Sulleke Van ’t Schap vragen om een exemplaar van Passionate met dit interview erin naar uw huisadres te sturen.
WA: Sulleke wie?
HB: Van ’t Schap.
WA: Doe haar vele groeten.
HB: Natuurlijk.

Ik drink het bodempje van m’n blikje Fanta leeg, sta op en schud Woody Allen nogmaals de hand. Daarna verlaat ik de kamer, en haal beneden m’n helm en motorjas op. De receptionist bekijkt me vol bewondering, zodat ik me snel het hotel George VIII uithaast. Na een rit op m’n Buell bereik ik m’n woning in Gent, Oost-Vlaanderen, waar ik nog diezelfde dag dit interview uitschrijf en het naar Passionate mail. Praten met Woody Allen was een leuke belevenis, die ik iedereen kan aanraden. Hij zal, tot aan het eind van z’n carrière, een van de grootste filmmakers aller tijden blijken. Bedankt, meneer Allen.

Dit interview is eerder gepubliceerd in het september-oktober 2007 nummer van Passionate Magazine.


Herman Brusselmans (1957) heeft zo’n vijftig boeken op zijn naam staan. Volgens velen is hij de grootste levende Vlaamse schrijver. Begin 2017 verscheen zijn nieuwste roman, Guggenheimer koopt een neger.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s